Verhalen waar we iets van leren*
Eloise Hart

 
*De hier navertelde verhalen hebben we ontleend aan de bloemlezing van William J. Bennett: The Book of Virtues, A Treasury of Great Moral Stories, Simon and Schuster, New York, 1993; en het verhaal van de maansikkelbeer aan De ontembare vrouw als archetype in mythen en verhalen, van Clarissa Pinkola Estés, H.J.W. Becht's Uitgevers-Maatschappij, Haarlem, 2004, isbn 9023008499, paperback, [Women Who Run with the Wolves: Myths and Stories of the Wild Women Archetype, Ballantine Books, New York, 1992].
 

Verhalen zijn prachtig. Je kunt je ermee amuseren, ze zijn leerzaam, geven troost en vaak zijn ze verheffend. Ze houden onze overleveringen en waarden in stand en kunnen ons inzicht verschaffen in de geschiedenis. Bovendien gaat er van goede verhalen een genezende invloed uit. Door ons te verplaatsen naar een wereld zonder veel beslommeringen, geven ze ons de kans weer in evenwicht te komen – en dat betekent gezondheid; en als we ons vereenzelvigen met een heldenfiguur, een echte of een denkbeeldige, ontlenen we daaraan de kracht om onze beproevingen dapper tegemoet te treden.

De beste verhalen zijn die waardoor de wijsheid die we in vele levens hebben verzameld in ons wakker wordt geroepen, of die ons helpen in contact te komen met de oeroude ideeën die de mensheid sinds de aanvang der tijden de weg hebben gewezen en geïnstrueerd. Wijze vertellers en schrijvers hebben zulke ideeën verweven in mythen en verhalen, en probeerden op die manier heilige leringen langgeleden vast te leggen en tegelijk aan mannen en vrouwen die zich waardig toonden waarheden over de oorsprong en de aard van de mensheid en de kosmos te onthullen. Hoe groot de rol van deze oude schrijvers ook was, even belangrijk is de rol die moderne auteurs en verhalenvertellers spelen doordat ze de lezer informeren en wakker roepen. De besten scheppen een magische sfeer, die onze moed, deugdzaamheid en wijsheid stimuleert door ons voor te stellen dat we zelf moedige, deugdzame en wijze dingen doen.

Hoe leerden we ons best te doen? Van het derde kleine biggetje dat, helemaal alleen, zijn huis bouwde van steen, dat de wolf met zijn kabaal en misbaar niet kon vernietigen. En hoe leerden we om door te zetten? Van de wijze oude schildpad die voortsukkelde en tenslotte de overmoedige haas inhaalde die vlak voor het doel stopte om een dutje te doen.

Werden er geen zaden van wijsheid bij ons gezaaid door het verhaal van Salomo die, toen twee vrouwen elkaar het recht op een kind betwistten en allebei beweerden de moeder te zijn, luisterde naar wat ze allebei te zeggen hadden en vervolgens een bediende opdracht gaf het kind in tweeën te klieven en aan iedere eiseres een helft te geven? Toen een van de vrouwen vol ontzetting uitriep: ‘Nee, spaar het kind. Ik doe afstand van mijn recht’, wees Salomo háár het kind toe.

Veel verhalen brengen ideeën over die met karma te maken hebben. De fabel van Aesopus over De leeuw en de dankbare muis vertelt dat een koninklijke leeuw, geroerd door het pleidooi van een muis die hij had gevangen, haar de vrijheid gaf. Later, toen hij zelf verstrikt raakte in het net van een jager, bevrijdde de muis hem door de touwen door te knagen die hem gevangen hielden.

De jataka-verhalen uit India geven talrijke voorbeelden van karma en de innerlijke waarde van mededogen. Eén ervan vertelt van de toekomstige Boeddha, die was geïncarneerd als een statige hertebok en de jager zijn leven aanbood in plaats van de hinde die deze op het punt stond te doden. Een ander verhaalt dat hij zijn leven gaf aan een tijgerin, zodat ze wat te eten had voor haar welpen.

De betekenis van zelfbeheersing wordt duidelijk uit een verhaal over Djenghis Khan, die met zijn vrienden en honden was uitgereden voor een jachtpartij, met zijn geliefde valk op zijn arm. Maar ze hadden hun dag niet: er was geen konijn, vogel of hert te bespeuren. Vermoeid en dorstig gingen ze uiteindelijk terug naar huis. Ze waren nog niet ver toen Djenghis Khan, die achteraan reed, plotseling de teugels van zijn paard inhield omdat hij een half verborgen pad zag dat, zo herinnerde hij zich, naar een koele bergstroom voerde. Door zijn plotselinge zwenking raakte zijn valk los, vloog van zijn arm en verdween. Djenghis ging door naar de rivier in het vertrouwen dat de vogel de weg naar huis wel wist te vinden. Daar steeg hij af en ging bij de stroom op zijn knieën zitten om een kroes water te scheppen. Toen hij die naar zijn mond bracht dook met een heftige werveling van wind en veren plotseling zijn valk omlaag en stootte de kroes uit zijn hand. Onthutst, maar dorstig nam de koning de kroes weer op en vulde hem nogmaals. Erop lettend dat de vogel niet nog eens zou aanvallen, bracht hij de kroes omhoog om een slok te nemen. Maar even plotseling als daarvoor verscheen de vogel weer en stootte de kroes op de grond. Woedend trok de koning zijn zwaard. Was die vogel gek geworden? Als hij het nog eens waagde . . . en inderdaad, dat deed hij en het zwaard maakte een einde aan zijn leven, en na een vluchtige blik op het lichaam van de valk waarvan hij had gehouden, wendde Djenghis zich af om naar een plek te klauteren waar hij verwachtte dat het water helder zou zijn. Maar daar in de poel met bronwater zag hij het rottende lijk van een reusachtige gifslang. Nu begreep hij het. Zijn vogel had zijn leven gegeven voor dat van hem! Djenghis Khan keerde bedroefd terug en zwoer dat hij zijn oordeel nooit meer door woede zou laten vergiftigen.

Eenvoudige vertellingen kunnen worden verfraaid met bijzonderheden die er een extra dimensie aan geven en verschillende interpretaties mogelijk maken. Een voorbeeld is het bekende verhaal dat Hans Christian Andersen opnieuw heeft verteld als ‘het lelijke eendje’. In het kort is het de beschrijving van het laatst uitgekomen kuiken uit een nest eendjes, allemaal mooie diertjes, behalve dat laatste eendje dat zo lomp, groot en lelijk was dat geen ander zelfs maar in zijn buurt wilde komen. Alleen gelaten, in de war en hopeloos eenzaam, speurde hij naar een broertje, een vriendje dat hem zou accepteren, maar zonder succes. Het voorjaar ging over in de zomer, en nog steeds was hij op zoek; de zomer werd herfst, en nog zocht hij; de winter kwam en ging, maar het arme lelijke eendje had nog geen enkel vriendje gevonden. Tenslotte herkende hij soortgenoten die er net zo uitzagen als hij en hij besefte dat hij eigenlijk helemaal niet lelijk was: dat hij in de loop van de maanden in een prachtige zwaan was veranderd.

Dit is een Verloren-Zoonverhaal waar we onszelf in kunnen terugvinden, want hebben we niet allemaal wel eens het gevoel gehad er niet bij te horen, van ‘huis’ verbannen te zijn, zonder aangeboren rechten, zonder vrienden? Het is ook een verhaal waaruit iemand die eenzaam is leert begrijpen dat tegenspoed en innig verdriet de spanningen en druk zijn die onze geest helder maken, ons karakter doen rijpen en die een dieper begrip wekken voor de noden van onze medemens. Het is in feite vaak het ‘zwarte schaap’, de nonconformist, degene die zelf denkt, die het meest bijdraagt tot het welzijn van de mensheid. Interessant is dat het woord alleen twee woorden bevat, ‘al + één’, wat de gedachte oproept dat alleen-zijn niet een eenzame ervaring behoeft te zijn; integendeel, we kunnen ‘één’ zijn met het Al.

Op een dieper niveau gaat het mystieke verhaal van Doornroosje – dat al voorkomt in de literatuur van het oude Perzië en India – over de altijd voortgaande cyclussen van dood en wedergeboorte. Het is een bekoorlijk verhaal, verrijkt met de rekwisieten van mystieke overlevering: een sprookjeskasteel, een betoverd bos en een schone prinses waarvan de geboorte werd gevierd met een feestmaal waarbij twaalf feeën geschenken brachten. De dertiende fee, die was vergeten en niet uitgenodigd, bracht een betovering teweeg, waardoor iedereen en alles op de 21e verjaardag van de prinses diep in slaap zou vallen. Ze werden pas wakker toen een prins, die dapper de grootste gevaren trotseerde, het betoverde land inging en de prinses met een liefdeskus wekte en zo alles wat had geslapen weer tot leven en activiteit bracht. Het is een romantische episode die ons eraan herinnert dat we allemaal de dood tegemoet gaan, waaruit we tenslotte uitgerust en verrijkt ontwaken, klaar om een nieuwe cyclus te beginnen waar we geëindigd waren.

Het verhaal van de maansikkelbeer toont op het psychologische vlak talrijke symbolen die, als men erover nadenkt, een heel diepzinnige betekenis onthullen. Het verhaal wordt verteld in De ontembare vrouw [Women Who Run with the Wolves] van Clarissa Estés. In essentie vertelt het hoe een soldaat in Japan na de oorlog zo verbitterd en radeloos naar huis terugkeerde dat hij niet in staat was te communiceren, of zelfs de aandacht kon accepteren van degenen die van hem hielden. Zijn vrouw, die alles had gedaan wat ze kon om het hem naar de zin te maken, ging tenslotte naar een oud kruidenvrouwtje dat buiten hun dorp in een grot woonde en vroeg haar om hulp.

‘Ja’, zei ze, ‘er bestaat een medicijn dat zou kunnen helpen, maar daarvoor heb ik een speciaal ingrediënt nodig.’ Als ze dat kon bemachtigen, was zij er zeker van dat de echtgenoot zou herstellen. Wat was dat noodzakelijke ingrediënt? Een enkele haar uit de halve-maanvormige witte vlek op de keel van een maansikkelbeer.

Dankbaar en vastbesloten ging de jonge vrouw op weg om die ene witte haar te bemachtigen. Maar een zwarte maansikkelbeer vinden was niet makkelijk. Haar zoektocht voerde haar over vlakten, door dalen, door bossen en over bergen. Overal werd ze bedreigd door gevaren: sneeuwstormen overvielen haar, de schroeiende zon zorgde voor blaren op haar huid en wilde dieren versperden haar pad, maar liefde en vastberadenheid dreven haar voort.

Toen, op een dag dat ze bijna uitgeput was, kreeg ze een zwarte maansikkelbeer in zicht. En hij zag haar! Hij ging rechtop staan en brulde, en liet zijn grote tanden en lange zwarte klauwen zien. Ze bleef kalm en tastte voorzichtig in het pakje dat ze had meegebracht, haalde er een schotel uit en vulde die met eten, zette hem op de grond en liep achteruit. De beer rook het voedsel, kwam dichterbij en at de brokjes met smaak op. Toen keek hij haar een ogenblik recht in de ogen en sjokte weg naar zijn hol. De volgende dag gebeurde dit weer, en ook de daaropvolgende dagen. Iedere keer kwam hij met meer vertrouwen. Op een dag kwam hij zo dichtbij dat de vrouw moed vatte: ‘O lieve beer,’ zei ze vriendelijk, ‘zou ik alsjeblieft één haar van de maansikkel op je keel mogen hebben, zodat mijn man kan genezen?’

Alsof hij het begreep, ging de beer voor haar zitten, richtte zijn grote zwarte kop op en liet haar één glanzende witte haar trekken uit de sikkel bij zijn keel. Voorzichtig pakte ze de haar, en boog en boog nog eens, tot de beer opstond en met een blik over zijn schouder langs het pad verdween.

De jonge vrouw vlóóg bijna de berg af. Toen ze de grot van het kruidenvrouwtje bereikte, gaf ze haar verheugd de zo gewaardeerde witte haar. De oude vrouw onderzocht hem nauwkeurig en gooide hem toen in het vuur! ‘Nee!’ riep ze onthutst. Maar de genezeres zei: ‘Weet je nog hoe gelukkig en vastbesloten je je voelde toen je op weg ging om de beer te zoeken? Hoe vol vertrouwen je was en niet bang? Weet je nog hoe eerbiedig je voor de beer was en hoe voorzichtig je de haar uittrok?’

‘Ja, dat weet ik nog.’

De genezeres vervolgde: ‘Ga dan nu naar huis, mijn dochter. Dat zijn de ingrediënten die je man beter zullen maken. Die en geen andere.’

Wat betekent dit alles? In het algemeen duiden beren op vernieuwing en geestelijke opstanding, want ze komen uit hun lange op de dood lijkende winterslaap als herboren tevoorschijn, vaak met pasgeboren jongen. Bovendien zijn beren een symbool voor kracht, wijsheid en deelname aan de natuurlijke opeenvolgingen of levenscyclussen.

Sikkels zijn interessante symbolen. Als ze in verband worden gebracht met de maan wijzen ze op vruchtbaarheid en alles wat illusoir en veranderlijk is. Als ze worden afgebeeld als de lichte helft van een cirkel, zoals in het yang/yinsymbool, wijzen ze op dualiteit, de positieve en negatieve aspecten van iedere situatie. Als de lichte helft, die goedheid, waarheid en schoonheid voorstelt, overheerst en gekoesterd wordt, neemt die toe zoals de maan tot ze de hele cirkel omvat.

Wit is de kleur van zuiverheid en intelligentie. In dit verhaal stelt de enkele witte haar de synthese van de goede eigenschappen voor die de jonge vrouw door middel van haar beproevingen verkreeg. Bergen zijn van oudsher verwijzingen naar geestelijke verworvenheden en verschillende trappen van zelfoverwinning en rijpheid, en het bereiken van de top vertegenwoordigt het hoogste wat voor de mens is weggelegd. Grotten en holen, die gewoonlijk bij een berg horen, kunnen plaatsen voor ‘duistere-nacht-van-de-ziel’-ervaringen zijn, waar transformaties en inwijdingen kunnen plaatsvinden waaruit een mens vernieuwd en zegevierend tevoorschijn komt met nieuwe visies en mogelijkheden, om hen die hulp behoeven bij te staan of te ‘genezen’.

Dit zijn enkele van de verhalen die een les bevatten en ons bewust maken van onze ingeboren kennis van de waarheden die het leven de moeite waard maken. Andere verhalen, die we ons misschien uit onze jeugd herinneren, of die later in het ijle web van het geheugen zijn gevangen, kunnen betekenisvolle inzichten onthullen als ze worden beschenen door het licht van onze ziel.

 
Andere verhalen (voor kinderen)
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency