De geschiedenis van de mensheid kan niet worden begrepen zonder rekening
te houden met de geboorte van de planeet waarvan we allemaal een onafscheidelijk
deel zijn. Als ons heelal een levend wezen is, net als onze zon en aarde,
dan zijn wij kinderen van de levende kosmos. Dit houdt in dat er intelligenties
bestaan hoger dan de mens en wezens lager dan de dieren en zelfs de
planten. Zonder de leidende en ondersteunende invloed van de hiërarchieën
van hogere wezens, die het innerlijke weefsel van de kosmos vormen,
zou de natuur een zinloze chaos zijn. Zij zijn de inspirators en scheppers
van het plan van de werkingen van de natuur en staan achter haar inherente
genezende krachten of onontkoombare terugkeer naar harmonie.
Zoals zich in het rijk van de mens en in andere rijken de evolutie
voltrekt, zo verwerft ook de aarde haar vorm en belichaming. De elementale
en minerale rijken, en die van planten, dieren, mensen en goden zijn
alle van wezenlijk belang voor elkaar en voor het geheel. Zij zijn voor
de aarde wat cellen, de levenskracht en gedachten voor de mens zijn.
Elk individu omhult een goddelijke vonk en vanaf het allereerste begin
van de wederbelichaming van onze planeet waren alle rijken aanwezig,
niet zoals ze nu zijn, maar als zaden op het punt van ontkieming.
Laten we in het kort de geboorte van werelden als kosmische wezens
nagaan. Als zo’n geboorte begint, is er geen vorm, omdat de energieën
en kenmerken van de stelsels van werelden die op het punt staan tevoorschijn
te komen, eeuwenlang waren ‘ingewikkeld’ en sluimerden.
De hindoes en andere culturen geven cijfers voor de levensduur van planeten,
zonnen en andere kosmische entiteiten. Planeten, zeggen zij, leven 4.320.000.000
jaar en de tijd die ze in hun rustperiode of cyclus van de dood doorbrengen
is even lang.
Als voor een wereld het ogenblik aanbreekt om weer te ontwaken, gebeurt
dat op een zeer etherisch gebied. Eerst verschijnen de goddelijke wezens
en elementale krachten om het model te vormen voor de innerlijke en
uiterlijke aspecten van de komende aarde. Dit wordt gevolgd door het
ontwaken van de andere rijken, die de weg banen op innerlijke, niet-materiële
gebieden. Naar gelang de minder ontwikkelde rijken voor zichzelf verder
geëvolueerde lichamen opbouwen om doorheen te werken, krijgt de
aarde de vorm en de innerlijke zowel als de uiterlijke circulaties en
energiestromen die we met onze levende planeet associëren. De aarde
verkrijgt haar uitdrukkingsvorm door middel van haar lagere levens,
net zoals wij tot lichamelijke incarnatie komen door middel van atomen,
moleculen, verbindingen en cellen, die bijdragen tot de vorming van
de vloeistoffen, weefsels en organen van ons lichaam. Al deze ontvangen
hun energie van de levenskrachten en worden doordrongen met de emotionele
en mentale activiteiten die door het inwonende bewustzijn worden gestimuleerd.
Zo gaat het ook met de planeet: naarmate de natuurrijken stoffelijker
worden, ondergaat de aarde verschillende fasen van haar wederbelichaming.
De levenscyclus van een planeet voltrekt zich in een reeks van pulsaties
of ‘ronden’, waarvan men er gewoonlijk zeven onderscheidt.
Wij zijn nu in de vierde en meest materiële ronde; van daaruit
zal onze aarde steeds etherischer worden tot het einde van haar levensduur.
Vanuit het theosofische standpunt voltrekt de evolutie zich via herhaalde
wederbelichamingen, niet alleen in het rijk van de mens, maar het geldt
evenzeer voor dieren, planten, atomen en werelden. Net zoals wij onze
onzichtbare delen hebben, heeft ook de zon met zijn planetenstelsels
en hun bewoners die, en aldus wordt ons levende heelal gevormd.
Bij dit alles wordt uitgegaan van de aanwezigheid van iets blijvends
dat leeft in ieder mens, iedere planeet, ieder atoom, iets innerlijks
dat overleeft en zich geleidelijk ontwikkelt via herhaalde wederbelichamingen
– in ons geval, een hoger zelf of reïncarnerende ego waarin
de wijsheid aan ervaring ligt opgeslagen. Evolutie is dus het proces
waardoor de potentiële mogelijkheden van deze goddelijke essentie
zich kunnen ontplooien. Omdat we dat wat ons tot mens maakt hebben ontvouwd,
zijn we nu in het menselijke stadium van onze evolutie. De dieren hebben
datgene ontwikkeld wat hen tot dieren maakt, enzovoort. In een toekomstige
planetaire cyclus brengen de dieren misschien datgene uit zichzelf tot
ontwikkeling wat het voor hen natuurlijk maakt over te gaan naar het
rijk van de mens, zoals velen hebben gedaan in het begin van deze huidige
planetaire wederbelichaming.
Gezien vanuit het standpunt van reïncarnatie is de mensheid miljoenen
jaren oud en gaan haar beschavingen terug tot in legendarische tijden.
Als we een vergelijkende studie maken van mythen en heldendichten en
daar enig vertrouwen in stellen, vinden we heel wat suggestief materiaal
dat serieus, zij het niet altijd letterlijk, moet worden genomen. Volgens
H.P.Blavatsky werden deze oude mythen geschreven door adepten, die daarin
leringen van de oude wijsheid weefden. Zij kunnen daarom op vele niveaus
worden geïnterpreteerd, geestelijk, intellectueel, psychisch en
fysiologisch. Deze legenden bleven onder de vroege rassen bestaan door
mondelinge overlevering en kwamen tot ons als een raciale herinnering,
want optekeningen zouden zeker zijn vernietigd in de vaak gewelddadige
tussenperioden.
De ouden verdeelden de geschiedenis van de mens in vele cyclussen die
verband houden met de kosmische klok. In de moderne theosofie worden
deze perioden wortelrassen, onderrassen, familierassen, stammen, naties
genoemd – cyclussen van vijfhonderd, duizend, vele duizenden jaren.
Blavatsky stelde de levenscyclus van de mensheid op deze stoffelijke
bol, verdeeld in zeven oorspronkelijke stammen of wortelrassen voor.
Elk wortelras is verdeeld in zeven onderrassen en elk onderras in zeven
familierassen. Deze bestaan op hun beurt uit zeven nationale cyclussen
waarvan elk is opgebouwd uit zeven stamrassen.1
Eén manier voor het berekenen van de rassen en hun onderverdelingen
is te beginnen met het getal voor het leven dat een mens idealiter leeft
(ca. 72 jaar) en gaat ongeveer als volgt: zeven generaties van mensen
vormen een natie, een cyclus van ongeveer 500 jaar. Zeven van deze nationale
cyclussen vormen op hun beurt een stamras, dat ongeveer 3.600 jaar duurt.
Een voorbeeld van een stamras zou zijn de Slaven, met inbegrip van de
Russen, Polen, Tsjechen, Bulgaren enzovoort. Andere voorbeelden zouden
zijn de beschavingen van de Nieuwe Wereld, die in volle ontwikkeling
waren toen Columbus naar Amerika kwam; of de Teutonen, zoals de Duitsers
en Scandinaviërs; ook de Goten, West-Goten en Vandaalse rassen
die zich in Italië en Spanje vestigden.
Zeven stamrassen vormen wat Blavatsky een nationaal ras noemde dat
een precessie-cyclus duurt van ongeveer 25.920 jaar. De term ‘nationaal
ras’ is enigszins misleidend want zij heeft geen betrekking op
een natie zoals wij gewoonlijk dat woord begrijpen, maar op een hele
verzameling naties binnen de duur van zeven stamrassen. Een voorbeeld
zou zijn het Europese nationale ras, waarvan nu een derde voorbij is
en dat alle rassen van Europa omvat – Polen, Duitsers, Fransen,
Zwitsers, Russen, Grieken, Bulgaren, Engelsen, Scandinaviërs, Nederlanders,
Spanjaarden, enz. Zeven van deze nationale rassen vormen een familieras,
dat een duur heeft van ongeveer 180.000 jaar. Eén familieras
wordt gevormd door de oorspronkelijke bewoners van de beide Amerika’s:
pre-Inca’s, pre-Azteken en Maya’s – die tijdens hun
levensduur alle kleinere cyclussen omvatten die we hebben besproken.
Een ander voorbeeld zijn de Mongolen, die zulke ondergroepen omvatten
als Chinezen, Mantsjoes, Japanners, Tibetanen, Birmanen, enz. Nog een
ander zou zijn de volkeren van Afrika, die een verbazingwekkende verscheidenheid
aan talen, culturen en fysiologische typen laten zien. Zeven van zulke
familierassen vormen een onderras en zeven onderrassen vormen een wortelras.
Alle grote beschavingen zijn het resultaat van de vermenging van volkeren
– er bestaat niet zoiets als een zuiver ras. De Engelsen bijvoorbeeld
zijn een vermenging van wat nu inheemse bewoners zijn, waaronder Kelten,
Romeinen, Saksen, Scandinaviërs, Normandiërs en anderen. De
beschavingen in China, India en het Midden-Oosten zijn alle ontstaan
uit rasvermenging. De Amerika’s in het algemeen, zijn bezig nieuwe
rassen voort te brengen van velerlei aard: misschien begint er een nieuwe
cyclus van zo’n 25.920 jaar of mogelijk een nieuw familieras van
180.000 jaar, bestaande uit verschillende stameenheden en nationale
eenheden, waarvan elk zijn bloeiperiode zal hebben.
Teruggaande tot het begin van de mensheid geeft Blavatsky te kennen
dat de eerste twee wortelrassen meer astraal dan stoffelijk waren en
dat hun levensduur veel langer was dan die van de volgende wortelrassen.
Tijdens deze vroegste wortelrassen was het lichaam van de mens bezig
zich te ontwikkelen. Tegen het midden van het derde wortelras was deze
cyclus min of meer voltooid en vonden er twee opmerkelijke gebeurtenissen
plaats: de splitsing in twee geslachten, iets waaraan in bijna elke
religie en mythologie wordt herinnerd; en het ontwaken van de innerlijke
natuur van de mens, in het bijzonder het verstand. Dit werd verwezenlijkt
door de incarnatie in ieder mens van zijn eigen hoger zelf, waardoor
het wordende denken tot zelfbewustzijn ontvlamde, een kenmerk dat ons
van de dieren onderscheidt. Bijna alle oude overleveringen spreken over
dit tijdperk als de tijd waarin goddelijke leermeesters onder de mensheid
woonden en op haar plastische geest fundamentele ideeën afdrukten
die tot nu toe zijn blijven bestaan. Ook leerden ze de mensheid kunsten
en wetenschappen. Deze verheven wezens of adepten worden soms goddelijke
koningen genoemd, die regeerden uit hoofde van hun eigen stralende goddelijke
aard.
De planetaire cyclus bevond zich echter nog steeds op zijn neerwaartse
helft van de afdaling in de stof en, naarmate het vierde wortelras begon
te verschijnen, trokken deze leermeesters zich geleidelijk terug, terwijl
ze tegelijk de mysteriescholen stichtten waar hun edele wijsheid werd
bewaard. Volgens de traditie bestaan deze scholen nog steeds, al werken
ze in onze tijd niet zo openlijk als in de klassieke wereld van het
Westen en elders. Men zegt dat het vierde of Atlantische wortelras het
meest materialistische van alle rassen was. Het bracht schitterende
beschavingen voort, waarop Plato doelde in een of twee van zijn dialogen.
Toen Atlantis het midden van zijn bestaansperiode bereikte, begonnen
de zaden van ons tegenwoordige of vijfde wortelras te ontkiemen, want
vanaf het middelpunt van een ras ontstaat het volgende. Deze middenperiode
wordt soms aangeduid als de ijzeren eeuw of het kali-yuga, een tijdperk
waarin het leven zich in toenemende mate intensiveert. De tijd dringt
en de lagere en hogere elementen van de mensheid scheiden zich. Tenslotte
worden de zaden van het nieuwe ras geografisch geïsoleerd, terwijl
het oude ras in steeds kleinere aantallen zijn loop volbrengt.
Ons vijfde wortelras had zijn tehuis in Centraal-Azië en in de
loop van duizenden jaren bloeiden daar velerlei beschavingen in de vredige
tijd van zijn gouden, zilveren, en een gedeelte van zijn bronzen eeuw.
Wij naderen het midden van het vijfde wortelras en zijn de ijzeren eeuw
ervan ingegaan, die, volgens de getallen die de hindoes geven, begon
met de dood van Krishna in 3102 v.C. Men zegt dat deze ijzeren eeuw
432.000 jaar zal duren. In de loop van de tijd zullen voorlopers van
het zesde wortelras in toenemende mate beginnen te verschijnen. In tegenstelling
tot ons vijfde wortelras, waarin het mentale domineert, zal het zesde
ras buddhi of geestelijk inzicht meer tot ontwikkeling brengen.
Het onderwerp betreffende cyclussen is ingewikkeld, omdat rassen elkaar
overlappen. Het nieuwe ras wordt geboren in de middenperiode van zijn
ouder en de twee bestaan naast elkaar tijdens een onduidelijke en geleidelijke
overgang. En als het midden van een grotere cyclus nadert, zorgt de
natuur ervoor dat de aarde een rustperiode krijgt. Zij doet dat op alle
manieren die bekend zijn aan degenen die de geologie bestuderen, zoals
klimaatveranderingen, en bodemuitputting die leidt tot het ontstaan
van woestijnen; ook door het verzinken van stukken land en het overstromen
van andere, of het boven water komen van land. Omdat onze Europese cultuur
haar middelpunt nadert, spreekt Blavatsky over dergelijke veranderingen
die in de Oude Wereld plaatsvinden. Op een veel grotere schaal zullen
de landen die nu worden bewoond door ons huidige wortelras met het bereiken
van de middenperiode daarvan, ongetwijfeld grote veranderingen ondergaan
– sommige geleidelijk, sommige catastrofaal – net als de
vastelanden van Atlantis, die gedurende vele duizenden jaren uiteenvielen
en door nieuwe werden vervangen, die vrij waren van de oude invloeden.
De aarde heeft vele bloeiperioden van menselijke grootheid gekend en
ook vele verwoestingen moeten ondergaan. Maar moeder aarde heeft de
zaak nog steeds in de hand en zal vroeger of later het evenwicht herstellen.
Als wij de aarde misbruiken worden gedeelten daarvan onleefbaar. Denk
eens aan de titanische krachten die de mensheid uitzendt: niet alleen
de verschillende energieën van onze technologische beschaving,
maar ook onze haatgevoelens, vijandschap, jaloezieën, hebzucht;
ook het tegengestelde, zoals de krachten van liefde, vergevensgezindheid,
broederschap, edelmoedigheid en begrip. De natuur neemt dit alles in
zich op en zal eenmaal reageren. Het is geen wonder dat er tijden zijn
dat de aarde de mensheid schijnt af te schudden zoals een hond zijn
vlooien, totdat aan het einde van een cyclus een nieuwe tijd daagt.
Of misschien volgt er een ijstijd die een heel halfrond onder honderden
meters ijs bedekt, dat daardoor braak ligt om weer tot nieuw leven te
kunnen worden gewekt, of er verdwijnen gedeelten van vastelanden terwijl
andere verrijzen.
Wat is de toekomst van de mensheid? Juist zoals de reïncarnerende
zielen van de mensheid lange, lange tijd nodig hadden om te komen waar
ze nu zijn, zo zijn er nog vele, vele incarnaties voor de gezamenlijke
mensheid nodig om haar bestemming te bereiken. Het menselijk ras zal
beginnen geleidelijk zijn mogelijkheden te verwezenlijken; menselijk
te worden in de ware zin van het woord en daarna in het menselijk leven
de wijze invloed doen gelden van zijn ingeboren goddelijke aard. Eens
in de verre toekomst zal een ware broederschap worden verwezenlijkt.
De voorbeelden van de Christus en de Boeddha illustreren wat ook wij
eens zullen worden.
William Q. Judge schrijft dat ‘de natuur voor geen ander doel
bestaat dan de ervaring van de ziel’, woorden die het kosmische
proces in het kort weergeven. Temidden van de opkomst en het verval
van rassen is de gemeenschappelijke basis dat alle wezens zielen zijn
op het pad van ontplooiing. De grootste en meest permanente bijdragen
van de moderne tijd zouden wel eens kunnen zijn de wereldwijde poging
de individuele mensenrechten uit te breiden en de gehele mensheid samen
te brengen in een broederschap van weloverwogen wederkerigheid. Van
alle beschavingen die we kennen en die hun licht langs de horizon van
de tijd hebben doen stralen, is de onze wellicht uniek in haar algemene
besef van wat iedere mensenziel toekomt. De strijd zelf die zich voordoet,
weerspiegelt het geestelijk ontwaken dat bij alle mensen plaatsvindt;
en deze druk van onderaf doorbreekt de belemmerende korst van tirannie,
formalisme en orthodoxie, zoals ontkiemende zaden zich een weg banen
door de aarde.
De evolutie van de mensheid vindt plaats tegen de achtergrond van een
levende aarde en een levende kosmos, onder leiding van hogere wezens.
Reïncarnatie geeft ons inzicht in dit panorama, want ze laat zien
dat ieder mens een onsterfelijke pelgrim is met een vonk van het goddelijke
in het hart van zijn hart. Alle mogelijkheden van deze goddelijke bron
wonen in ieder van ons – en ook in andere wezens, zelfs in krachten
en werelden: in de vogel op zijn vlucht door de blauwe hemel, in de
bliksem en de storm en in onze mooie aarde die zo geduldig al haar rijken
voedt. De kennis van onze goddelijke afkomst en de broederschap van
alle leven brengt verantwoordelijkheden met zich. Zij die daarvan overtuigd
zijn kunnen niet langer impulsief en zonder nadenken door het leven
gaan, want wij hebben onze voeten op een pad geplaatst en de eerste
stap op dit pad is niet voor onszelf te leven, maar voor het welzijn
van de mensheid.
Verwijzing
- Zie H.P. Blavatsky, De geheime leer 1:713;
G. de Purucker, Beginselen van de esoterische filosofie,
blz 287-8; ook ‘Het wortelras en zijn onderverdelingen’,
Aspecten van de occulte filosofie, blz.35-9.