De onweerstaanbare drang
Elsa-Brita Titchenell

 

Wat brengt een kuiken ertoe de schaal te doorbreken en de kou buiten in te gaan? Vanwaar de enorme inspanning die het ongeboren kind zich moet getroosten om geboren te worden? Hebt u ooit gezien hoe de draaddunne ranken van een bottle-brushplant zich loswikkelen uit een ineengerolde knop tot ze uit gaan staan als kleine borsteltjes? Of hebt u wel eens de geurige sterretjes gezien op de kamperfoelie als de getande bloembladen eerst een witte wasachtige kegel vormen voor ze zich in vijf richtingen uitstrekken? Het onmiddellijke fysieke verschijnsel wordt tamelijk goed begrepen, maar een verklaring is er niet voor. Dat is een altijd blijvend raadsel.

Als een kind zijn nieuwsgierigheid onder woorden begint te brengen, gaat het regelrecht tot de kern van de zaak en vraagt: ‘Waar kom ik vandaan, mama?’ En het kind is teleurgesteld in het standaard-antwoord dat het gewoonlijk krijgt, hetzij de ooievaar of de kool of het meer klinische antwoord van de wereld van nu. Dezelfde vraag doet zich voor bij opgroeiende jongeren, of ze die uiten of niet, maar op een nog dringender wijze: ‘Waarom ben ik hier? Wat is het doel van mijn leven of dat van een ander?’ Het ontbreken van een bevredigend antwoord kan een zo ernstig trauma veroorzaken dat sommige jonge mensen hun leven uit frustratie hebben beëindigd.

‘Evolutionisten’ en ‘creationisten’ voeren een voortdurende woordenstrijd, maar missen de middelen om die te winnen. Het ene kamp bestaat uit aanhangers van de populaire zogeheten darwinistische theorie, gebaseerd op het overleven van de (fysiek) geschiktsten en zij hebben zich een weg geforceerd in een tijdelijke oppermacht van de ‘wetenschappelijke’ theorie, en verkondigen een gemeenschappelijke afkomst met de mensapen. Het andere kamp neemt een hypothetische schepping uit niets aan, door een zich ver weg bevindende Persoon die ergens ‘boven ons’ verblijft. Elke alternatieve mogelijkheid wordt buiten beschouwing gelaten.

Toch zijn er alternatieven. Het spreekt vanzelf dat de waarheid zowel voor wetenschap als religie aanvaardbaar moet zijn. Een filosofie die een van beide benaderingen niet vermag te bevredigen moet op een of andere wijze onjuist zijn. Er bestaan vele bronnen van kennis, talrijke geschriften en mythologieën die de loop van de gebeurtenissen vertellen vanaf het eerste verschijnen van ons tegenwoordige wereldstelsel. Die zijn niet beperkt tot één bijbel of één wetenschappelijke theorie, noch tot één enkel geloofsstelsel waarvan de aanhangers menen dat het onfeilbaar en volledig is. Alleen de oudste en meest universele overleveringen kunnen een alomvattend overzicht geven van wat er werkelijk plaatsvond in de aanvang der tijden en kunnen richtlijnen verschaffen waarnaar het menselijk ras kan leven en waardoor het vooruit kan gaan naar de volgende fase in zijn ontwikkeling.

De huidige mensheid trad zeker niet volledig ontwikkeld het rijk van de mens binnen zonder eerst door voorbereidende groeistadia te zijn heengegaan. Ons menselijk bewustzijn moet eens beperkt zijn geweest tot de meest elementaire vormen, totdat, na aan deze vormen te zijn ontgroeid, we het recht verwierven lichamen van een verder gevorderde aard aan te nemen. Dat betekent niet dat onze lichamen door mutatie uit lagere levensvormen voortkwamen. Dat zou een onhandige manier van groeien zijn. De gebruikte vormen moeten zijn ontworpen om aan de behoefte van steeds verder ontwikkelde instrumenten te kunnen voldoen. De bewoners in elk natuurrijk hebben kennelijk één hoofdkenmerk en vele ondergeschikte kenmerken van hun rijk ontwikkeld, terwijl de gehoorzame natuur de voertuigen verschaft die het meest geschikt zijn de middelen te verbeteren die de zielen of ego’s die de lichamen bewonen in staat stellen zich tot uitdrukking te brengen. Het kind dat die vraag stelde, wist intuïtief dat een mens niet alleen een lichaam is. Het lichaam is het instrument dat wordt gebruikt om contact te maken met de omringende materie. De kleuter die vraagt: ‘Waar kwam ik vandaan?’ vraagt niet waar zijn lichaam werd gemaakt. Hij wil weten van waar hij (zijn zelf) in deze nieuwe omgeving kwam.

Theoretici van beide kampen hadden op het idee moeten komen dat schepping noch mutatie helemaal juist of helemaal onjuist is. Als God, zoals de creationisten beweren, overal aanwezig is, dan eist de simpele logica dat die godheid overal verblijft: in ieder ververwijderd melkwegstelsel en in ieder atoom. Dit idee wordt gesteund door traditionele mythen en religieuze geschriften. Het betekent dat in ieder wezen, in u en in mij, een goddelijk beginsel aanwezig is en een goddelijk doel. Daarom zijn wij mensen een produkt van dezelfde goddelijke impuls die alle verschijnselen van de stoffelijke natuur, bekende en onbekende, teweegbracht en, wat nog belangrijker is, de niet-stoffelijke eigenschappen die de oorzaak en drijvende kracht zijn die bewuste wezens aanzetten tot handelen en kiezen. Die impuls is niet toevertrouwd aan een verre vaderfiguur op veilige afstand in de hemel, maar is een natuurlijke drang die voortkomt uit de diepten van ons eigen geestelijk wezen, de goddelijke energie die ons ertoe brengt te groeien, te leren en onze innerlijke goddelijke natuur te benaderen met liefde en eerbied.

Hoe moeten we als mensen leven? Als we nog steeds het gevoel hebben dat het ons ontbreekt aan een werkomschrijving, een instructieboekje, bedenk dan dat wij aan ons arsenaal – naast de cohesieve kracht die mineralen eigen is, het opwaarts streven van de planten en de emoties van de dierlijke natuur – het geweldige vermogen van het verstand hebben toegevoegd. Zelfs als we de richtlijnen die we bezitten niet zien, gaat het leven door en doet het menselijk systeem, geestelijk, mentaal, emotioneel en fysiek, ervaringen op: het ruwe materiaal waaruit wijsheid wordt gedestilleerd. Misschien lijkt het alsof we ons een tijdje in een stagnerende toestand van apathie bevinden of overweldigd worden door de fysieke eisen van het leven, maar zelfs dan, zonder onze bewuste medewerking, groeien en rijpen we van geboorte tot de dood. We e-volueren, letterlijk: d.w.z. we ontrollen onze menselijke kenmerken van binnen naar buiten in een cyclisch patroon, zoals de blaadjes van een bloem en tonen geleidelijk meer van de eigenschappen die bij ons horen. Misschien zijn we onze goddelijke bron voor een groot deel vergeten doordat we in beslag worden genomen door onze dagelijkse bezigheden, maar toch blijft deze trouw onze inspiratie en de oorsprong van al ons doen en laten. De impuls wordt gefiltreerd door onze persoonlijkheid en kan zich wijzigen en aanpassen aan onze wensen en eisen. Hoeveel effectiever zou deze evolutionaire ontplooiing kunnen zijn als mannen en vrouwen ervoor kozen mee te werken aan het natuurlijke proces van rijping dat onvermijdelijk moet plaatsvinden.

Wat is het dan eigenlijk dat evolueert? In de rijken beneden de mens zien we aanpassingen die kennelijk plaatsvonden om aan de behoeften en de omstandigheden tegemoet te komen. Planten en dieren zijn in staat het lichaam enigermate aan te passen en in de loop van de tijd kenmerken te verwerven die beter aan hun behoeften voldoen. Maar mensen veranderen in hun lichamelijke vorm heel weinig. Wij zijn niet zo afhankelijk van onze fysieke bouw. Behalve wat grootte en kleur betreft, lijken we over de hele aardbol heel veel op elkaar, en dat geldt voor de hele periode van de geschiedenis die we kunnen overzien; er zijn ook geen radicale veranderingen in de vorm van de mens opgemerkt. Mensen verbeteren hun gehoor niet door olifantsoren te kweken of met vleermuis-vleugels te vliegen. Als zulke uitrustingsstukken nodig zijn, worden ze kunstmatig vervaardigd voor het gewenste doel, door de inventiviteit van de menselijke geest en zijn creativiteit. Alle veranderingen en alle groei in het rijk van de mens vinden plaats in het bewustzijn. Wat ontwikkelt, is de innerlijke natuur, geleid en geïnspireerd door de goddelijke impulsen die door de geestelijke ziel filteren, want die is ons essentiële wezen, de ontastbare bron die een waarlijk menselijk, humaan gedrag stimuleert.

Alle heilige geschriften en mythologieën vertellen hetzelfde verhaal over de samengestelde opbouw van de wereld en de verantwoordelijkheden die de staat van menszijn met zich brengt. Van de wieg tot het graf vullen we voortdurend onze voorraad ervaringen aan en veranderen we bijgevolg de toestand van ons denken en ons geheugen, waardoor we nieuwe wederwaardigheden in de loop van ons leven met een ruimer perspectief en begrip tegemoettreden. Niemand is vrij van verandering. Ons bewustzijn stopt nooit met het onderzoek van de gebieden van het denken, onverschillig of wij ervoor kiezen op die wijze te groeien of ons te beperken tot vergankelijke materiële doelstellingen. In het eerste geval kunnen we, net als die grote figuren die ons als idealen voor ogen staan, de christussen en bodhisattva’s, ervoor kiezen met de natuur samen te werken, weloverwogen de verwezenlijking van onze gemeenschappelijke bestemming te bevorderen en de eigenschappen te ontwikkelen die tot uitdrukking komen wanneer een mens zijn persoonlijke eisen vergeet en in dienst treedt van de goddelijke krijger in het hart.

Dit is geen onmogelijke taak, maar is door anderen ondernomen en door enkelen met succes volbracht. Als Odin’s krijgers in het Walhalla worden onthaald of de Grieken de Elyzese Velden binnengaan, hebben zij dat recht verdiend door de persoonlijke natuur te overwinnen – ‘te verslaan’ – en de rol van overwinnaar op zich te nemen in de zaak van de menselijke evolutie. Toen de leraar Jezus tot zijn volgelingen zei: ‘Gij zijt goden’, was dat geen vleierij, maar eenvoudig een werkelijkheid, want we zijn inderdaad goden – niet in onze persoonlijke ego’s maar in potentiële ontwikkeling. We evolueren voortdurend, niet in het lichaam, maar in het denken en de ziel en verwerven ons nieuwe inzichten en een toenemend begrip met elke gedachte en wens of, omgekeerd, we verlagen onze natuur en krimpen onze horizon in, tot het menselijk bewustzijn dat ons van de dieren onderscheidt bijna is uitgedoofd.

Het bestaan van dat meest innerlijke zelf is iets dat we zelf zullen moeten ontdekken. Het is dat wat de kleuter zijn niet te beantwoorden vraag doet stellen; en het is dat wat die onverzadigbare honger in het hart instandhoudt, de onweerstaanbare drang onze geestelijke identiteit met het goddelijk zelf van het heelal te ontdekken. Wij bevinden ons allemaal op die ontdekkingsreis. Ons kompas en onze wegenkaarten liggen in onze hogere natuur, waar we die onfeilbare gids kunnen vinden met wie de goden langgeleden ons levensrijk begiftigden en hun zegen schonken voor de toekomst van de mensheid.

De keuze is aan ons: we verlagen onze menselijke natuur tot we geen ander doel dienen dan dat van onszelf, ten nadele van het kosmische heelal dat we mede samenstellen, totdat het bewuste zelf inkrimpt tot een non-entiteit die in de molen van de goden wordt vermalen; of, door de ziel in dienst te stellen van de goddelijke bestemming die het menselijk ras wacht, hebben we het glorierijke vooruitzicht ons bewustzijn uit te breiden en in doel te doen samensmelten met dat van de goden en waardig worden hen te helpen de kosmos te regeren.

 
Andere artikelen over evolutie
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency