Wat brengt een kuiken ertoe de schaal te doorbreken en de kou buiten
in te gaan? Vanwaar de enorme inspanning die het ongeboren kind zich
moet getroosten om geboren te worden? Hebt u ooit gezien hoe de draaddunne
ranken van een bottle-brushplant zich loswikkelen uit een ineengerolde
knop tot ze uit gaan staan als kleine borsteltjes? Of hebt u wel eens
de geurige sterretjes gezien op de kamperfoelie als de getande bloembladen
eerst een witte wasachtige kegel vormen voor ze zich in vijf richtingen
uitstrekken? Het onmiddellijke fysieke verschijnsel wordt tamelijk goed
begrepen, maar een verklaring is er niet voor. Dat is een altijd blijvend
raadsel.
Als een kind zijn nieuwsgierigheid onder woorden begint te brengen,
gaat het regelrecht tot de kern van de zaak en vraagt: ‘Waar kom
ik vandaan, mama?’ En het kind is teleurgesteld in het standaard-antwoord
dat het gewoonlijk krijgt, hetzij de ooievaar of de kool of het meer
klinische antwoord van de wereld van nu. Dezelfde vraag doet zich voor
bij opgroeiende jongeren, of ze die uiten of niet, maar op een nog dringender
wijze: ‘Waarom ben ik hier? Wat is het doel van mijn leven of
dat van een ander?’ Het ontbreken van een bevredigend antwoord
kan een zo ernstig trauma veroorzaken dat sommige jonge mensen hun leven
uit frustratie hebben beëindigd.
‘Evolutionisten’ en ‘creationisten’ voeren
een voortdurende woordenstrijd, maar missen de middelen om die te winnen.
Het ene kamp bestaat uit aanhangers van de populaire zogeheten darwinistische
theorie, gebaseerd op het overleven van de (fysiek) geschiktsten en
zij hebben zich een weg geforceerd in een tijdelijke oppermacht van
de ‘wetenschappelijke’ theorie, en verkondigen een gemeenschappelijke
afkomst met de mensapen. Het andere kamp neemt een hypothetische schepping
uit niets aan, door een zich ver weg bevindende Persoon die ergens ‘boven
ons’ verblijft. Elke alternatieve mogelijkheid wordt buiten beschouwing
gelaten.
Toch zijn er alternatieven. Het spreekt vanzelf dat de waarheid zowel
voor wetenschap als religie aanvaardbaar moet zijn. Een filosofie die
een van beide benaderingen niet vermag te bevredigen moet op een of
andere wijze onjuist zijn. Er bestaan vele bronnen van kennis, talrijke
geschriften en mythologieën die de loop van de gebeurtenissen vertellen
vanaf het eerste verschijnen van ons tegenwoordige wereldstelsel. Die
zijn niet beperkt tot één bijbel of één
wetenschappelijke theorie, noch tot één enkel geloofsstelsel
waarvan de aanhangers menen dat het onfeilbaar en volledig is. Alleen
de oudste en meest universele overleveringen kunnen een alomvattend
overzicht geven van wat er werkelijk plaatsvond in de aanvang der tijden
en kunnen richtlijnen verschaffen waarnaar het menselijk ras kan leven
en waardoor het vooruit kan gaan naar de volgende fase in zijn ontwikkeling.
De huidige mensheid trad zeker niet volledig ontwikkeld het rijk van
de mens binnen zonder eerst door voorbereidende groeistadia te zijn
heengegaan. Ons menselijk bewustzijn moet eens beperkt zijn geweest
tot de meest elementaire vormen, totdat, na aan deze vormen te zijn
ontgroeid, we het recht verwierven lichamen van een verder gevorderde
aard aan te nemen. Dat betekent niet dat onze lichamen door mutatie
uit lagere levensvormen voortkwamen. Dat zou een onhandige manier van
groeien zijn. De gebruikte vormen moeten zijn ontworpen om aan de behoefte
van steeds verder ontwikkelde instrumenten te kunnen voldoen. De bewoners
in elk natuurrijk hebben kennelijk één hoofdkenmerk en
vele ondergeschikte kenmerken van hun rijk ontwikkeld, terwijl de gehoorzame
natuur de voertuigen verschaft die het meest geschikt zijn de middelen
te verbeteren die de zielen of ego’s die de lichamen bewonen in
staat stellen zich tot uitdrukking te brengen. Het kind dat die vraag
stelde, wist intuïtief dat een mens niet alleen een lichaam is.
Het lichaam is het instrument dat wordt gebruikt om contact te maken
met de omringende materie. De kleuter die vraagt: ‘Waar kwam ik
vandaan?’ vraagt niet waar zijn lichaam werd gemaakt. Hij wil
weten van waar hij (zijn zelf) in deze nieuwe omgeving kwam.
Theoretici van beide kampen hadden op het idee moeten komen dat schepping
noch mutatie helemaal juist of helemaal onjuist is. Als God, zoals de
creationisten beweren, overal aanwezig is, dan eist de simpele logica
dat die godheid overal verblijft: in ieder ververwijderd melkwegstelsel
en in ieder atoom. Dit idee wordt gesteund door traditionele mythen
en religieuze geschriften. Het betekent dat in ieder wezen, in u en
in mij, een goddelijk beginsel aanwezig is en een goddelijk doel. Daarom
zijn wij mensen een produkt van dezelfde goddelijke impuls die alle
verschijnselen van de stoffelijke natuur, bekende en onbekende, teweegbracht
en, wat nog belangrijker is, de niet-stoffelijke eigenschappen die de
oorzaak en drijvende kracht zijn die bewuste wezens aanzetten tot handelen
en kiezen. Die impuls is niet toevertrouwd aan een verre vaderfiguur
op veilige afstand in de hemel, maar is een natuurlijke drang die voortkomt
uit de diepten van ons eigen geestelijk wezen, de goddelijke energie
die ons ertoe brengt te groeien, te leren en onze innerlijke goddelijke
natuur te benaderen met liefde en eerbied.
Hoe moeten we als mensen leven? Als we nog steeds het gevoel hebben
dat het ons ontbreekt aan een werkomschrijving, een instructieboekje,
bedenk dan dat wij aan ons arsenaal – naast de cohesieve kracht
die mineralen eigen is, het opwaarts streven van de planten en de emoties
van de dierlijke natuur – het geweldige vermogen van het verstand
hebben toegevoegd. Zelfs als we de richtlijnen die we bezitten niet
zien, gaat het leven door en doet het menselijk systeem, geestelijk,
mentaal, emotioneel en fysiek, ervaringen op: het ruwe materiaal waaruit
wijsheid wordt gedestilleerd. Misschien lijkt het alsof we ons een tijdje
in een stagnerende toestand van apathie bevinden of overweldigd worden
door de fysieke eisen van het leven, maar zelfs dan, zonder onze bewuste
medewerking, groeien en rijpen we van geboorte tot de dood. We e-volueren,
letterlijk: d.w.z. we ontrollen onze menselijke kenmerken van binnen
naar buiten in een cyclisch patroon, zoals de blaadjes van een bloem
en tonen geleidelijk meer van de eigenschappen die bij ons horen. Misschien
zijn we onze goddelijke bron voor een groot deel vergeten doordat we
in beslag worden genomen door onze dagelijkse bezigheden, maar toch
blijft deze trouw onze inspiratie en de oorsprong van al ons doen en
laten. De impuls wordt gefiltreerd door onze persoonlijkheid en kan
zich wijzigen en aanpassen aan onze wensen en eisen. Hoeveel effectiever
zou deze evolutionaire ontplooiing kunnen zijn als mannen en vrouwen
ervoor kozen mee te werken aan het natuurlijke proces van rijping dat
onvermijdelijk moet plaatsvinden.
Wat is het dan eigenlijk dat evolueert? In de rijken beneden de mens
zien we aanpassingen die kennelijk plaatsvonden om aan de behoeften
en de omstandigheden tegemoet te komen. Planten en dieren zijn in staat
het lichaam enigermate aan te passen en in de loop van de tijd kenmerken
te verwerven die beter aan hun behoeften voldoen. Maar mensen veranderen
in hun lichamelijke vorm heel weinig. Wij zijn niet zo afhankelijk van
onze fysieke bouw. Behalve wat grootte en kleur betreft, lijken we over
de hele aardbol heel veel op elkaar, en dat geldt voor de hele periode
van de geschiedenis die we kunnen overzien; er zijn ook geen radicale
veranderingen in de vorm van de mens opgemerkt. Mensen verbeteren hun
gehoor niet door olifantsoren te kweken of met vleermuis-vleugels te
vliegen. Als zulke uitrustingsstukken nodig zijn, worden ze kunstmatig
vervaardigd voor het gewenste doel, door de inventiviteit van de menselijke
geest en zijn creativiteit. Alle veranderingen en alle groei in het
rijk van de mens vinden plaats in het bewustzijn. Wat ontwikkelt, is
de innerlijke natuur, geleid en geïnspireerd door de goddelijke
impulsen die door de geestelijke ziel filteren, want die is ons essentiële
wezen, de ontastbare bron die een waarlijk menselijk, humaan gedrag
stimuleert.
Alle heilige geschriften en mythologieën vertellen hetzelfde verhaal
over de samengestelde opbouw van de wereld en de verantwoordelijkheden
die de staat van menszijn met zich brengt. Van de wieg tot het graf
vullen we voortdurend onze voorraad ervaringen aan en veranderen we
bijgevolg de toestand van ons denken en ons geheugen, waardoor we nieuwe
wederwaardigheden in de loop van ons leven met een ruimer perspectief
en begrip tegemoettreden. Niemand is vrij van verandering. Ons bewustzijn
stopt nooit met het onderzoek van de gebieden van het denken, onverschillig
of wij ervoor kiezen op die wijze te groeien of ons te beperken tot
vergankelijke materiële doelstellingen. In het eerste geval kunnen
we, net als die grote figuren die ons als idealen voor ogen staan, de
christussen en bodhisattva’s, ervoor kiezen met de natuur samen
te werken, weloverwogen de verwezenlijking van onze gemeenschappelijke
bestemming te bevorderen en de eigenschappen te ontwikkelen die tot
uitdrukking komen wanneer een mens zijn persoonlijke eisen vergeet en
in dienst treedt van de goddelijke krijger in het hart.
Dit is geen onmogelijke taak, maar is door anderen ondernomen en door
enkelen met succes volbracht. Als Odin’s krijgers in het Walhalla
worden onthaald of de Grieken de Elyzese Velden binnengaan, hebben zij
dat recht verdiend door de persoonlijke natuur te overwinnen –
‘te verslaan’ – en de rol van overwinnaar op zich
te nemen in de zaak van de menselijke evolutie. Toen de leraar Jezus
tot zijn volgelingen zei: ‘Gij zijt goden’, was dat geen
vleierij, maar eenvoudig een werkelijkheid, want we zijn inderdaad goden
– niet in onze persoonlijke ego’s maar in potentiële
ontwikkeling. We evolueren voortdurend, niet in het lichaam, maar in
het denken en de ziel en verwerven ons nieuwe inzichten en een toenemend
begrip met elke gedachte en wens of, omgekeerd, we verlagen onze natuur
en krimpen onze horizon in, tot het menselijk bewustzijn dat ons van
de dieren onderscheidt bijna is uitgedoofd.
Het bestaan van dat meest innerlijke zelf is iets dat we zelf zullen
moeten ontdekken. Het is dat wat de kleuter zijn niet te beantwoorden
vraag doet stellen; en het is dat wat die onverzadigbare honger in het
hart instandhoudt, de onweerstaanbare drang onze geestelijke identiteit
met het goddelijk zelf van het heelal te ontdekken. Wij bevinden ons
allemaal op die ontdekkingsreis. Ons kompas en onze wegenkaarten liggen
in onze hogere natuur, waar we die onfeilbare gids kunnen vinden met
wie de goden langgeleden ons levensrijk begiftigden en hun zegen schonken
voor de toekomst van de mensheid.
De keuze is aan ons: we verlagen onze menselijke natuur tot we geen
ander doel dienen dan dat van onszelf, ten nadele van het kosmische
heelal dat we mede samenstellen, totdat het bewuste zelf inkrimpt tot
een non-entiteit die in de molen van de goden wordt vermalen; of, door
de ziel in dienst te stellen van de goddelijke bestemming die het menselijk
ras wacht, hebben we het glorierijke vooruitzicht ons bewustzijn uit
te breiden en in doel te doen samensmelten met dat van de goden en waardig
worden hen te helpen de kosmos te regeren.