Evolutie, geïnspireerd vanuit het allerhoogste
Raymond Rugland

 

Het doel waarnaar de boeddha Gautama in zijn tijd streefde, is hetzelfde als waarnaar de Theosophical Society, in 1875 opgericht door H.P. Blavatsky, streeft – het brengen van licht, hoop en een ruimere geestelijke visie.
     Siddhartha Gautama werd geboren als prins van het Sakya-geslacht in Kapilavastu, India. Hij leefde als mens, en zijn ‘verlichting’ toonde de wereld opnieuw de mogelijkheid die er bestaat voor het op natuurlijke maar uiterst zeldzame tot bloei komen van het goddelijke in de mens op aarde. De woorden die Boeddha gebruikte waren gering in aantal en direct: ‘Ontwaak! Wees niet achteloos. Volg de waarheid (dhamma). Hij die zich op het pad van de waarheid begeeft, leeft gelukkig in deze wereld en in het hiernamaals!’ en: ‘Het ingaan in de stroom (het pad) draagt vruchten superieur aan alleenheerschappij over de wereld, of naar de hemel gaan, of heerschappij over het hele universum’ (Dhammapada, verzen 168, 178).
     Zijn leer van worden te begrijpen, betekent veel van onze illusie uit te bannen. Ze stelt de vraag: hoe kunnen wij waarheid verwerven? De oude traditie leert dat er twee wegen zijn – als we eenmaal het grondbeginsel begrijpen dat het Al een levend organisme is en bestaat uit reeksen van levens (bewustzijnscentra) die alleen begrepen kunnen worden door ze te worden. De eerste weg is dat we inzien dat we één zijn met het heelal en dat we de middelen in ons hebben om het hart ervan te bereiken. De tweede is een proces van versnelling van de eerste onder leiding van een bevoegd leraar die ons kan helpen ons voor te bereiden op de tests die inherent zijn aan de natuur, en inwijdingen worden genoemd.
     We leren de barrières te verwijderen door het noodlottige dualisme in te zien van waarnemer en het waargenomene, wat de illusie van afgescheidenheid veroorzaakt. We belasten onszelf met het ‘verleden’ en de ‘toekomst’, terwijl het enig ware moment van ons bewustzijn het ‘nu’ is.
     Gelukkig (voor ons) is universele broederschap een feit in de natuur. Van de onderste tot de bovenste sport van de ladder van levens is bepaald dat door teamwork en samenwerking elk leven, zonder uitzondering, een bijdrage levert aan het Al. Toen het mensenrijk, materieel gezien, zijn volle bloei bereikte, naderde het het midden van de aeonenlange aardse reis, met het volledige vermogen zich op de lagere bestaansniveaus tot uitdrukking te brengen. Om met succes het keerpunt te kunnen nemen, was hulp nodig, niet alleen om de neerwaartse impuls te weerstaan, maar ook om de pelgrim het gereedschap en de inspiratie te geven weer op te klimmen naar het geestelijke.
     Wat daarop volgde was een belangrijke gebeurtenis in de annalen van de mensheid. Semi-goddelijke wezens kwamen tussenbeide – een deel van die grote hiërarchie die de licht- of bewustzijnszijde van de natuur steunt, in tegenstelling met hen die de duistere of materiële zijde steunen. De manasaputra’s – een Sanskrietwoord dat ‘zonen van het denkvermogen’ betekent – die zelf in een vroegere tijdcyclus door de ‘menselijke’ evolutionaire ervaring waren gegaan, waren in hoge mate bevoegd om ons te hulp te komen, ongeveer achttien miljoen jaar geleden. Toen zij ons in die tijd met een slakkegang vooruit zagen gaan – de snelheid waarmee de evoluerende wezens lager dan de mens nu nog steeds schijnen te vorderen – ging hun hart naar ons uit en brachten ze het offer letterlijk zichzelf te geven . . . want dat is wat liefde kan bewerken. Ze ontstaken ons bewustzijn en werden een deel van onze hogere natuur, dat deel van ons dat we het hogere denken noemen, onze schakel met het goddelijke. Begiftigd met zelf-bewustzijn, werden wij nu verantwoordelijk voor onze daden. Omdat wij niet langer meegevoerd worden met het getij van de evolutie, moet onze vooruitgang worden betaald met onze eigen inspanningen.
     De les die eruit te leren valt, is dat waarheid niet kan bestaan los van bewustzijn, en dat ze evenmin een openbaring is van een God die nooit verandert – die, omdat Hij niet kan ‘worden’, einde of beperking betekent. Laten we liever denken aan een oorspronkelijke geest, die zich overal in het heelal in een hiërarchie openbaart. Of het nu goden, mensen, of wezens zijn lager dan wij, allemaal hebben ze deel aan het levende drievoudige boeddhische bewustzijn dat ernaar streeft zich steeds vollediger tot uitdrukking te brengen. De ware betekenis van evolutie is worden. Laten we nooit bang zijn onze bestemming tegemoet te treden. Het is waar, de goden wachten op ons!

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency