De wereld in onze handen
Václav Havel

 

Ter gelegenheid van het in ontvangst nemen van zijn eredoctoraat in de rechtsgeleerdheid aan Harvard University te Cambridge, Massachussetts, op 8 juni 1995, sprak Václav Havel, president van de Tsjechische Republiek, de openingsrede uit. Van deze toespraak brengen wij onze lezers een iets verkorte versie.     – RED.

Onlangs zat ik op een avond bij een restaurant buiten aan het water. Mijn stoel was vrijwel gelijk aan de stoelen die ze in de restaurants aan de Vltava Rivier in Praag hebben. Er werd dezelfde rockmuziek gespeeld als in de meeste Tsjechische restaurants. Ik zag reclames die me vertrouwd zijn van thuis. Bovendien was ik omgeven door jonge mensen die net zo gekleed waren, die bekende drankjes dronken, en zich even nonchalant gedroegen als hun tijdgenoten in Praag. Alleen waren hun huidskleur en gelaatstrekken verschillend – want ik was in Singapore.

Toen ik daar zo over na zat te denken, realiseerde ik me voor de zoveelste keer dat, dankzij de moderne gedachte van snelle vooruitgang en het expansionisme dat daar onverbrekelijk mee is verbonden en de snelle ontwikkeling van de wetenschap die daar het directe gevolg van is, onze planeet binnen enkele decennia bevolkt is geraakt door één enkele beschaving – die in hoofdzaak technologisch van aard is. De wereld is nu verstrikt in spinsels van telecommunicatienetwerken die bestaan uit miljoenen nietige draadjes of haarvaatjes die niet alleen informatie van allerlei aard met lichtsnelheid doorgeven, maar ook complete modellen van sociaal, politiek en economisch gedrag transporteren. Het leven van het menselijk ras is volledig vervlochten, niet alleen in de zin van informatie, maar ook in een oorzakelijk verband. Staat u mij toe deze plechtige bijeenkomst te benutten voor een korte bespiegeling over de bron van de gevaren die de mensheid bedreigen ondanks deze wereldomvattende beschaving, en vaak juist daardoor. Bovenal zou ik willen spreken over de wijzen waarop deze gevaren onder ogen kunnen worden gezien.

Voorzover ik ze begrijp, vinden veel van de grote problemen waarmee we worden geconfronteerd hun oorsprong in het feit dat deze wereldomvattende beschaving, hoewel overal onmiskenbaar zichtbaar, niet meer is dan een dun laagje vernis over de totaliteit van het menselijk bewustzijn. Deze beschaving is immens fris, jong, nieuw en broos, en de menselijke geest heeft haar met een verbijsterende bereidwilligheid geaccepteerd zonder zelf in enig opzicht essentieel te veranderen. Vele duizenden jaren lang heeft de mensheid zich geëvolueerd via alle mogelijke beschavingen en culturen, die geleidelijk en op verschillende manieren vorm hebben gegeven aan onze denkgewoonten, onze betrekking tot de wereld, onze gedragspatronen en de waarden die we accepteren en erkennen. In wezen verbergt deze nieuwe, dunne opperhuid van wereldbeschaving slechts de eindeloze verscheidenheid van culturen, volkeren, religieuze werelden en historisch-traditionele en historisch gevormde opvattingen die allemaal in zekere zin ‘onder’ die huid liggen. Tegelijkertijd, zelfs als het vernisje van wereldbeschaving zich uitbreidt, eist deze ‘onderliggende zijde’ van de mensheid steeds duidelijker dat er naar haar geluisterd wordt en dat haar bestaansrecht wordt erkend.

En zo gebeurt het dat, terwijl de wereld als geheel in toenemende mate de nieuwe gewoonten van de wereldbeschaving accepteert, er een ander, tegengesteld proces plaatsvindt: oude tradities herleven, allerlei vormen van religie en cultuur slaan nieuwe wegen in, zoeken nieuwe levensruimte en spannen zich met toenemende vurigheid in om te verwezenlijken wat voor hen uniek is en hen van andere onderscheidt. Tenslotte trachten ze hun individualiteit een politieke vorm te geven.

Veel landen, of op z’n minst delen daarvan, bestrijden de moderne beschaving of haar belangrijkste verdedigers om het recht hun oude goden te mogen vereren en de oude goddelijke geboden te kunnen opvolgen. Ze gaan voort strijd te voeren met gebruikmaking van wapens die geleverd zijn door dezelfde beschaving waartegen ze zich verzetten. In tegenstelling met deze technologische uitvindingen, worden andere produkten van deze beschaving – zoals de democratie of het idee van de mensenrechten – op veel plaatsen in de wereld niet geaccepteerd, omdat ze geacht worden in strijd te zijn met de plaatselijke tradities. Met andere woorden, de Euro-Amerikaanse wereld heeft andere delen van de aardbol voorzien van middelen die niet alleen doeltreffend de verlichte waarden kunnen vernietigen die onder andere het uitvinden van juist deze werktuigen mogelijk hebben gemaakt, maar die heel geschikt zijn om het vermogen van mensen om samen op deze aarde te leven te verlammen.

Het is mijn overtuiging dat deze toestand een duidelijke uitdaging inhoudt, niet alleen voor de Euro-Amerikaanse wereld, maar voor onze hedendaagse beschaving als geheel: te beginnen zichzelf te beschouwen als een multiculturele en multipolaire beschaving, waarvan de zin niet ligt in het ondermijnen van de individualiteit van de verschillende sferen van cultuur en beschaving, maar om ze toe te staan vollediger zichzelf te zijn. Dit zal alleen mogelijk zijn, of zelfs maar denkbaar, als we met z’n allen een basiscode van gemeenschappelijk naast elkaar bestaan aanvaarden, een soort gemeenschappelijk minimum waaraan we allemaal deel kunnen hebben en dat ons in staat stelt met elkaar verder te leven. Maar een dergelijke code heeft geen schijn van kans als hij slechts het voortbrengsel is van enkelen, die vervolgens besluiten hem aan de overigen dwingend op te leggen. Hij moet een uitdrukking zijn van de oprechte wil van iedereen, een expressie die voortkomt uit de authentieke geestelijke wortels die zich verschuilen onder de huid van onze gemeenschappelijke wereldbeschaving. Als zo’n code alleen maar verspreid wordt door de haarvaten van die huid, zoals dat gaat met Coca-Colareclames – als een artikel door sommigen aan anderen aangeboden – dan kan moeilijk worden verwacht dat hij een diepe of universele acceptatie zal vinden.

Maar is de mensheid in staat tot zo’n onderneming? Is het niet een hopeloos utopisch idee? Hebben we de controle over onze bestemming niet zodanig verloren dat we gedoemd zijn tot een geleidelijk uitsterven door steeds krassere high tech-botsingen tussen de culturen ten gevolge van ons noodlottige onvermogen om samen te werken, ondanks dreigende catastrofes, hetzij van ecologische, sociale of demografische aard, of voortkomend uit gevaren die werden geschapen door de toestand van onze beschaving als zodanig?

Ik weet het niet. Maar ik heb de hoop niet verloren. Ik heb mijn hoop niet verloren omdat ik telkens weer tot de overtuiging kom dat in de diepste wortels van de meeste, zo niet alle, culturen iets is dat wezenlijk overeenkomt, iets dat – als de wil er is – tot een echt alles verenigend uitgangspunt kan worden gemaakt voor die nieuwe code van menselijke co-existentie die vast verankerd is in de fantastische verscheidenheid aan menselijke tradities.

Zijn er niet ergens in de grondslagen van de meeste religies en culturen, hoewel ze duizend en een verschillende vormen kunnen aannemen, gemeenschappelijke elementen te vinden zoals respect voor wat boven onszelf of boven ons begrip uitgaat, of dat nu het mysterie van het zijn is of een morele orde die boven ons staat; bepaalde geboden die tot ons komen uit een hemel of uit de natuur of uit ons eigen hart; het geloof dat onze daden na ons voortleven; respect voor onze naasten, voor onze verwanten, voor bepaalde natuurlijke autoriteiten; respect voor de menselijke waardigheid en voor de natuur; een zin voor solidariteit en welwillendheid ten opzichte van gasten die met goede bedoelingen naar ons toe komen?

Is het niet de gemeenschappelijke, oeroude oorsprong van onze diverse uitingsvormen van spiritualiteit, waarvan elke alleen maar een andere manier van menselijk begrijpen is van dezelfde werkelijkheid, dat wat volkeren met verschillende cultuur werkelijk kan samenbrengen? En zijn niet de fundamentele geboden van deze archetypische spiritualiteit in overeenstemming met wat zelfs iemand die a-religieus is – zonder precies te weten waarom – als juist en zinvol kan beschouwen?

Natuurlijk wil ik niet suggereren dat moderne mensen ertoe gebracht moeten worden om oude godheden te aanbidden en rituelen aan te nemen die ze al langgeleden hebben opgegeven. Ik stel iets heel anders voor: we moeten het diepe onderlinge verband ofwel de verwantschap tussen de verschillende vormen van onze spiritualiteit gaan begrijpen. We moeten ons onze oorspronkelijke geestelijke en morele kern, die voortkwam uit dezelfde wezenlijke ervaring als mens, weer gaan herinneren. Ik geloof dat dit de enige manier is om een echte vernieuwing van ons gevoel van verantwoordelijkheid te verwezenlijken, zowel voor onszelf als voor de wereld. En tegelijkertijd is het de enige manier om een diepere verstandhouding tussen de culturen tot stand te brengen, die hen in staat zal stellen op waarlijk oecumenische wijze samen te werken om een nieuwe orde voor de wereld te scheppen.

Het vernisje van wereldbeschaving dat de moderne wereld en het bewustzijn van de mensheid bedekt dat, zoals we allemaal weten, een tweevoudig karakter heeft, trekt bij elke stap de waarden in twijfel waaruit het is ontstaan, of die het zelf propageert. De duizenden prachtige verworvenheden van deze beschaving die het voor ons zo goed doen en ons verrijken, kunnen ons ook verarmen, ons leven aantasten en vernielen, en dat gebeurt ook vaak. In plaats van mensen te helpen, maken veel van deze creaties hen tot slaaf. In plaats van mensen te helpen hun identiteit te ontwikkelen, ontroven ze hen ervan. Bijna elke uitvinding of ontdekking – vanaf het splijten van het atoom en de ontdekking van het DNA tot de televisie en de computer – kan zich tegen ons keren en gebruikt worden tot ons nadeel.

Het lijkt erop dat in onze tijd het rationele deel van het menselijke brein, dat al deze moreel neutrale ontdekkingen heeft gedaan, een uitzonderlijke ontwikkeling heeft doorgemaakt, terwijl het andere deel, dat erop zou moeten letten dat deze ontdekkingen de mensheid werkelijk dienen en niet ruïneren, op noodlottige wijze is achtergebleven. Maar, waar ik ook begin na te denken over de problemen die onze beschaving onder ogen moet zien, altijd weer kom ik terug bij het thema van de menselijke verantwoordelijkheid, die niet in staat blijkt te zijn gelijke tred te houden met de beschaving en te verhinderen dat die zich tegen de mensheid keert. Het is alsof de wereld ons eenvoudig te veel geworden is om mee om te gaan.

Er is geen weg terug. Alleen een dromer kan geloven dat de oplossing te vinden is in het beknotten van de vooruitgang van de beschaving. De belangrijkste opgave in de komende tijd is iets anders: een radicale hernieuwing van ons besef van verantwoordelijkheid. Ons geweten moet de achterstand wegwerken die het heeft op ons verstand, anders zijn we verloren. Het is mijn vaste overtuiging dat er maar één manier is om dat te volbrengen: wij moeten ons ontdoen van ons egoïstisch antropocentrisme, onze gewoonte om onszelf te zien als heersers van het universum die het recht hebben te doen wat maar in ons opkomt. We moeten in onszelf een nieuw respect ontdekken voor wat boven ons uitgaat: voor het universum, voor de aarde, de natuur, het leven en voor de werkelijkheid. Ons respect voor andere mensen, andere volkeren en andere culturen kan alleen maar voortkomen uit een nederig respect voor de kosmische ordening en uit het besef dat wij er een deel van zijn, dat we er deel aan nemen en dat niets van wat we doen verloren gaat, maar veeleer deel wordt van het eeuwige geheugen van het Zijn, waar het wordt beoordeeld. Een beter alternatief voor de toekomst van de mensheid ligt er dan ook duidelijk in, onze beschaving te vervullen van een geestelijke dimensie. Het is niet alleen maar een kwestie van begrip voor de multiculturele aard ervan en het vinden van inspiratie voor het scheppen van een nieuwe wereldorde in de gemeenschappelijke oorsprong van alle culturen. Het is ook van wezenlijk belang dat de Euro-Amerikaanse culturele sfeer – die deze beschaving heeft voortgebracht en de mensheid zijn destructieve hoogmoed heeft geleerd – nu terugkeert tot haar eigen geestelijke wortels en een voorbeeld wordt voor de rest van de wereld die op zoek is naar een nieuwe bescheidenheid.

Algemene opmerkingen van dit soort zijn stellig niet moeilijk te maken en evenmin zijn ze nieuw of revolutionair. De moderne mens is meester in het beschrijven van de crises en de ellende in de wereld die we ontwikkelen en waarvoor we verantwoordelijk zijn. Maar we zijn er heel wat minder bedreven in de zaken op orde te brengen. Wat in het bijzonder moet er dus worden gedaan?

Het zal zeker niet gemakkelijk zijn de mensen op te wekken tot een nieuw besef van verantwoordelijkheid voor de wereld en zich te gedragen alsof ze voor altijd op deze wereld zullen leven en zich op zekere dag verantwoordelijk te weten voor de toestand ervan. Wie weet hoeveel afschuwelijke rampen de mensheid nog moet ondergaan voordat een dergelijk gevoel van verantwoordelijkheid algemeen wordt geaccepteerd. Maar dit betekent niet dat degenen die er voor wensen te werken niet onmiddellijk zouden kunnen beginnen. Hier ligt een belangrijke taak voor leraren, opvoeders, intellectuelen, de geestelijkheid, kunstenaars, ondernemers, journalisten en mensen die actief zijn in alle vormen van het openbare leven.

Het is bij uitstek een opdracht voor politici. De belangrijkste taak van de huidige generatie van politici is, naar ik meen, niet om zich bij het publiek door de beslissingen die ze nemen of door hun glimlach op de televisie bemind te maken. Niet om maar door te blijven gaan met het winnen van verkiezingen en zich een plaatsje in de zon te verzekeren tot het einde van hun dagen. Hun rol is het hun verantwoordelijkheid te aanvaarden voor de kansen voor onze wereld op lange termijn en zo een voorbeeld te stellen voor de mensen die hen aan het werk zien. Het is hun verantwoordelijkheid onverschrokken vooruit te zien, zonder angst voor de afkeuring van de massa en hun werk te doordrenken met een geestelijke dimensie (wat natuurlijk niet hetzelfde is als opzichtig kerkbezoek), om telkens weer uit te leggen – zowel aan het publiek als aan hun collega’s – dat de politiek heel wat meer moet doen dan de belangen weerspiegelen van particuliere groeperingen of lobby’s. Tenslotte gaat het er in de politiek om de gemeenschap te dienen, wat betekent dat het toegepaste ethiek is. En hoe kunnen ze beter de gemeenschap dienen en moreel handelen dan door te midden van de wereld- (en wereldwijd bedreigde) beschaving hun eigen mondiaal-politieke verantwoordelijkheid, wat wil zeggen hun verantwoordelijkheid voor het overleven van de mensheid, na te streven?

Ik geloof niet dat een politicus die zich op dit riskante pad begeeft, onvermijdelijk zijn of haar politiek overleven op het spel zet. Dit is een misvatting die ervan uitgaat dat de burger een dwaas is en dat politiek succes er van afhangt deze dwaasheid mee te spelen. Zo zit het niet in elkaar. In ieder mens sluimert een geweten, iets goddelijks. En dat is het waarin we ons vertrouwen moeten stellen.

Er is hier veel meer in het spel dan eenvoudig in verzet te komen tegen degenen die opnieuw trachten de wereld te verdelen in belangengroeperingen of anderen willen onderwerpen die anders en zwakker zijn dan zijzelf. Waar het nu om gaat is het redden van het menselijk ras. Met andere woorden, het gaat erom de moderne beschaving te beschouwen als een multiculturele en multipolaire beschaving, om onze aandacht te richten op de oorspronkelijke geestelijke bronnen van de menselijke cultuur en bovenal van onze eigen cultuur, om uit deze bronnen de kracht te putten voor het onverschrokken en grootmoedig scheppen van een nieuwe orde voor de wereld.

Ik heb hier aandacht geschonken aan wat ik denk dat de politici zouden moeten doen. Toch is er nog een kracht die minstens evenveel, zo niet meer, invloed op de algemene gemoedstoestand heeft dan die van de politici, namelijk de massamedia. Pas toen het lot mij in de regionen van de toppolitiek deed terechtkomen, werd ik me ten volle bewust van de tweesnijdende macht van de media. Deze dubbele invloed is niet het privilege van de media. Ze is alleen de uitdrukking van de dualistische aard van de huidige beschaving waarover ik al eerder sprak.

Dankzij de televisie ontdekte de hele wereld in de loop van een avond dat er een land bestaat dat Rwanda heet, waar mensen op ongelooflijke manier lijden. Dankzij de televisie werd de wereld in enkele seconden geschokt en met afschuw vervuld door wat in Oklahoma City gebeurde en begreep ze tegelijkertijd dat het een waarschuwing was voor ons allemaal. Dat is de positieve kant van de hedendaagse massamedia, of liever van hen die het nieuws vergaren. De dank van de mensheid gaat uit naar al die moedige verslaggevers die teneinde het geweten van de wereld te wekken vrijwillig hun leven wagen overal waar er maar onheil plaatsvindt.

Er is echter een ander, minder fraai aspect aan de televisie, namelijk dat ze zich gewoon te buiten gaat aan de verschrikkingen in de wereld en deze op onvergeeflijke wijze tot iets gewoons maakt, of dat ze politici dwingt om in de eerste plaats televisiesterren te worden. Ik verbaas me er altijd weer over hoezeer ik aan de genade van televisieregisseurs en -producenten ben overgeleverd, hoe mijn publieke imago veel meer van hen afhangt dan van mijzelf, over hoe belangrijk het is passend te glimlachen op de televisie, of de juiste stropdas te kiezen, over hoe de televisie me dwingt mijn gedachten zo karig mogelijk uit te drukken via geestige opmerkingen, slagzinnen of ‘klankbytes’, en met welk gemak mijn televisie-imago tot iets anders gemaakt wordt dan mijn echte zelf. Dit alles verbaast me en tegelijkertijd ben ik bang dat het geen goede zaak is.

Ik voel me niet beledigd door de televisie of de pers omdat ze verdraaien wat ik zeg, of het negeren, of mij doen voorkomen als een of ander vreemd monster. Ik word niet kwaad op de media als ik zie hoe de opkomst of neergang van een politicus vaak meer van hen afhangt dan van de politicus zelf. Wat mij interesseert is iets anders: de verantwoordelijkheid van hen die de massamedia in handen hebben. Ook zij dragen verantwoordelijkheid voor de wereld en voor de toekomst van de mensheid. Precies zoals de kernsplitsing de mensheid op duizend en één manieren geweldig kan verrijken en tegelijk met vernietiging kan bedreigen, zo kan ook de televisie goede en kwade gevolgen hebben. Snel, suggestief en in ongekende mate kan televisie een geest van begrip, menselijkheid, solidariteit en spiritualiteit verspreiden, of kan hele naties en continenten afstompen. En precies zoals ons gebruik van atoomenergie uitsluitend afhankelijk is van ons gevoel voor verantwoordelijkheid, zo hangt ook het juiste gebruik van de televisie af van ons verantwoordelijkheidsgevoel.

Of onze wereld gered kan worden van alles wat haar tegenwoordig bedreigt, hangt er bovenal van af of de mensen tot bezinning komen en of ze de mate van hun verantwoordelijkheid en hun andere, nieuwe relatie tot het wonder van het Zijn begrijpen. De wereld is in handen van ons allen. En toch hebben sommigen een grotere invloed op het lot ervan dan anderen. Hoe meer invloed iemand heeft – of het een politicus is of een televisieverslaggever – des te groter zijn de eisen aan hun verantwoordelijkheidsgevoel en des te minder behoren ze te denken aan louter persoonlijke belangen.

Staat u me tot slot een korte persoonlijke opmerking toe. Ik ben geboren in Praag en woonde daar tientallen jaren zonder dat het me was toegestaan naar behoren te studeren of andere landen te bezoeken. Toch gaf mijn moeder nooit een van haar geheime en nogal extravagante dromen op, namelijk dat ik eens in Harvard zou kunnen studeren. Het lot stond me niet toe haar droom waar te maken. Maar er gebeurde iets anders, iets dat zelfs bij mijn moeder niet opgekomen zou zijn: ik heb een doctoraat ontvangen in Harvard zelfs zonder hier te hebben gestudeerd. Meer dan dat, het was me gegeven Singapore te zien en ontelbaar veel andere exotische plaatsen. Het was me gegeven te begrijpen hoe klein deze wereld is en hoe ze zich kwelt met ontelbaar veel dingen waarmee ze zich niet zou hoeven te kwellen als de mensen in zichzelf een beetje meer moed konden vinden, een beetje meer hoop, een beetje meer besef van verantwoordelijkheid, een beetje meer onderling begrip en liefde.

 
Andere artikelen over broederschap
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 1996

© 1996 Theosophical University Press Agency