Symbolen spelen een belangrijke rol in ons dagelijks leven —
denk maar aan de letters van het alfabet, getallen, namen, bedrijfs-
en nationale emblemen, en religieuze en wereldse riten. Er lijkt in
de menselijke natuur een diepgewortelde geneigdheid te bestaan om ze
te creëren en te gebruiken. De heilige wetenschappen van de oudheid
werden alle opgetekend in symbolen die bepaalde occulte beginselen samenvatten,
en op deze wijze ontstond een mysterietaal. De meeste symbolen omvatten
een aantal betekenissen, en kunnen worden verklaard op zowel een kosmisch
als een menselijke niveau. De sleutels tot de symbolen die de aard van
de dingen ontsluiten, zullen ons enige antwoorden geven op de vragen
die we stellen: Wat is het leven? Waar kwam ik vandaan en hoe is de
wereld ontstaan? Waar ga ik heen? Wat is eigenlijk de ware aard van
de dingen?
Enkele van de oeroude geometrische symbolen hadden betrekking op de
mysterieën van het ontstaan van de kosmos. De cirkel, bijvoorbeeld,
kan de ruimte voorstellen — geen lege ruimte, maar de ruimte waar
in Genesis naar wordt verwezen als ‘de wateren van de ruimte’.
Daarbuiten is de oneindigheid, die niet in een of andere vorm of gedaante
kan worden weergegeven. De omtrek van de cirkel heeft geen begin en
geen einde, en symboliseert daarom de oneindigheid. Als we in het midden
van deze cirkel van ruimte een punt plaatsen, stelt dat de eerste beweging
van de geest voor. De pythagoreeërs zouden dit punt de logos noemen.
De cirkel kan worden vergeleken met een ei, een heilig symbool in de
kosmogonie van elk volk waarmee het totale kosmische proces van het
ontstaan van werelden en van levende entiteiten wordt weergegeven. Het
bevat de positieve en negatieve krachten die tezamen het gemanifesteerde
leven voortbrengen. Wanneer de cirkel wordt afgebeeld als een spiraal,
stelt hij evolutie, eeuwige verandering en groei voor. De cirkel met
een horizontale middellijn betekent de goddelijke moeder natuur. Wanneer
de horizontale lijn wordt gekruist door een verticale lijn hebben we
bovendien het symbool van vader natuur, waarbij de twee samen een kruis
vormen en het gemanifesteerde heelal voorstellen. In het algemeen betekent
een verticale lijn geest en een horizontale lijn materie.
Hetzelfde idee wordt weergegeven door de gelijkzijdige driehoek en
de drieëenheid. De bovenste punt van de driehoek, vergelijkbaar
met het punt in de cirkel, stelt de eenheid voor, het ene leven waaruit
een dualiteit van geest en materie te voorschijn komt die kan worden
uitgedrukt als energie en substantie, positief en negatief, of kracht
en materie. Deze dualiteit manifesteert zich vanuit een eenheid waar
geest zowel als materie in zijn vervat en die de bron is van alles.
Deze dualiteit wordt door de twee opstaande zijden van de driehoek verzinnebeeld,
terwijl de basis van de driehoek staat voor dat wat uit geest en materie
voortkomt, namelijk hetzij de innerlijke kosmos of de mens
— want in het proces van manifestatie, of het nu om een mens,
een planeet of een zon gaat, brengen de drie krachten tezamen gedurende
een enorm lange tijdsperiode de fysieke materie voort zoals we die kennen.
Het kruis symboliseert het eeuwige leven en komt met kleine verschillen
in verscheidene religies voor. De christenen namen het van de gnostici
en kabbalisten over, die het op hun beurt aan de Egyptenaren ontleenden;
in het Middellandse-Zeegebied waren ook het Latijnse of Romeinse kruis
te vinden en dat van de boeddhistische missionarissen uit India. Het
kruis van de kruisiging betekent in feite de incarnatie van het goddelijke,
het ‘vleesgeworden – op het kruis van de stof gekruisigde
– woord (logos)’. In zijn brieven weidt Paulus veel uit
over de christus in ons die wordt gekruisigd, en in vele religies komt
het verhaal van een gekruisigde verlosser voor.
Bij het oudste Egyptische kruis, dat ook het Griekse kruis was, hebben
beide lijnen dezelfde lengte. De horizontale lijn vertegenwoordigt het
vrouwelijke of passieve beginsel van de natuur, terwijl de verticale
lijn het energetische aspect vertegenwoordigt en een symbool is van
de duale voortbrengende kracht. Siva, Jehova en Osiris zijn elk een
symbool van het actieve beginsel in de natuur: krachten die zorgdragen
voor de vorming, vernietiging en/of regeneratie van de materie.
Eén variant van het kruis is de swastika. Swastika
is een Sanskrietwoord dat ‘welzijn’ of ‘gunstig’
betekent, en men zegt dat er zeven sleutels zijn tot de innerlijke betekenis
ervan. Men treft dit symbool aan in India, China, Tibet, Thailand, Japan,
Noord- en Zuid-Amerika, Griekenland, Rome, en bij de vroege christenen.
In Scandinavië was het bekend als de hamer van Thor; in India als
de discus van Vishnu of als het Jaïnkruis; in het boeddhisme is
het een ‘wiel’ dat op eeuwige beweging duidt en staat voor
evolutie. Het vertegenwoordigt geest-materie, het centrale punt is het
godbeginsel, en de vier armen ervan geven achtereenvolgens geboorte,
leven, dood en onsterfelijkheid weer.
Een andere vorm van het kruis is de Hebreeuwse letter tau, het kruis
met een hengsel of het ansatakruis, in Egypte ankh genoemd, dat daar
eeuwen tevoren was gebruikt en op de borst van hun mummies werd geplaatst.
Bij de Romeinen betekende het onsterfelijkheid. Het is ook aangetroffen
op de achterkant van sommige van de machtige beelden op Paaseiland.
De betekenis ervan komt overeen met die van de swastika, behalve dat
het betrekking heeft op een hoger gebied van zijn: de oorspronkelijke
bewegingen en toestanden van het kosmische zijn.
In een mystieke betekenis is de tau ook de levensboom of wereldboom
die hemel en aarde zou overkoepelen. Al in de oudste tijden werden bomen
in verband gebracht met goden en met mystieke krachten in de natuur.
Ieder volk had zijn heilige boom. Voor de boeddhisten is het Bo of de
bodhiboom (ficus religiosa), en men gelooft dat Gautama onder
die boom de verlichting bereikte; in Mexico is het de donkere cypres;
en in Assyrië en Egypte de plataan, waarvan de bloemkelken in religieuze
processies werden meegedragen. Andere bomen die als symbolen zijn gebruikt
waren de den, de eik, de tamarisk, de palm en de wingerd.
In Scandinavië was de es de heilige boom, en in de Edda’s
is de kosmische es of Yggdrasil het symbool van het universele leven.
Hij had drie wortels: één in de godenwereld, één
in de rijken van de stof, en één in Niflheim (de wolkenwereld),
de vormende wereld van niet-gedifferentieerde substantie. De kosmische
boom Asvattha van de hindoes symboliseert het mentale en morele aspect
van het heelal; de bladeren ervan geven de mantra’s van de Veda’s
weer. Er wordt gezegd dat hij ondersteboven groeide, waarbij de wortels
hun oorsprong hadden in hemelse gebieden. De levensboom van de zoroastriërs
is de gogard of gokard, en tussen zijn takken woont een slang die niet
kan worden verjaagd. Dit doet denken aan de boom van kennis in de Hebreeuwse
Hof van Eden. In dit verband is de slang de belichaming van goddelijke
wijsheid en het symbool van de geest. Omdat ze haar huid kan afwerpen,
zou ze ook de regeneratie, wedergeboorte of de cyclische tijd kunnen
voorstellen.
Een ander veel voorkomend symbool is de lotus, een heilige bloem voor
de Egyptenaren, hindoes, boeddhisten, Chinezen en Japanners. Hij weerspiegelt
het kleine als een deel van het geheel, en omvat in de microkosmos alle
krachten van de macrokosmos, want de zaden van de lotus bevatten zelfs
vóór hun ontkieming volmaakt gevormde bladeren, en zijn
lotus-planten in miniatuur. De lotus, die alle krachten van de natuur
vertegenwoordigt, leeft in de vier elementen — zijn wortels in
de aarde, zijn stengel in het water, en zijn bloemen in de lucht en
in het zonlicht — dat wil zeggen in aarde, water, lucht en vuur.
Men ziet hem afgebeeld op alle mogelijke voorwerpen in Azië, Egypte,
Griekenland en Rome, en ook in Amerika waar hij als versiering wordt
aangetroffen op vaatwerk en beschilderde friezen in Chichén Itzá.
In India wordt een bodhisattva, die de incarnatie van Gautama Boeddha
aankondigt, afgebeeld terwijl hij een lotus aanbiedt aan Mayadevi, zijn
toekomstige moeder. Dezelfde gedachte komt terug in christelijke schilderijen
van de aartsengel Gabriël die aan de Maagd Maria een bosje witte
lelies overhandigt. Beiden symboliseren niet alleen de incarnatie van
een geestelijke leraar, maar ook de geboorte van het goddelijke bewustzijn
in het individu.
Sinds onheuglijke tijden werd kennis die verhevener is dan die van
ons tegenwoordige tijdperk, bewaard in symbolen, heilige allegorieën
en mythen. Ze vormden een geheime wijsheid die van persoon tot persoon
en van tijdperk tot tijdperk werd doorgegeven. Volgens H.P. Blavatsky
was er nooit meer dan één universele religie, en kan er
ook nooit meer dan één zijn, want er kan maar één
waarheid omtrent het goddelijke bestaan. De symboliek van welk volk
ook weerspiegelt steeds identieke geestelijke beginselen, en in alle
mythologieën heeft de symboliek een wetenschappelijke basis en
inhoud die een weerspiegeling is van de mogelijkheden van de geest.