Dertig seconden naar een blauwe Boeddha: complementaire kleuren
Wynn Wolfe

 

     Wanneer men zich bewust wordt van het licht van de waarheid, al is het maar voor een fractie van een seconde, trekt de straling ervan zich nooit helemaal terug, maar doordringt stilletjes ons dagelijks leven, grotendeels onopgemerkt.      — G.F.K.


Het thema van raderen binnen raderen is een prikkelende metafoor die het geheugen, het voorstellingsvermogen en de intuïtie aanspoort tot het creëren van virtuele beelden. Het eerste beeld dat bij me opkwam was er een van een zich uitbreidende kosmos van het bewustzijn zelf. Astrofysici spreken nu van iets dat ze de ‘grote aantrekker’1 noemen — een tot nu toe nog niet waargenomen als een wiel ronddraaiende superkracht van superclusters van melkwegstelsels die daar naartoe neigen te stromen. Binnen superclusters bevinden zich zwermen van samenklonteringen van kleinere clusters van melkwegachtige structuren waarin het op hun beurt wemelt van ontelbare sterrenlevens. Ieder sterrenpuntje dat beweegt en op één plek blijft als kolkend water, is het middelpunt voor zijn eigen zonnestelsel, van verloren gegane stelsels zoals supernova’s tot zich vormende protoplanetaire schijven en hun evoluerende mensheden — mensheden die heel goed in staat zijn terug omhoog te kijken naar hun hemelse wortels en ook omlaag tot in de oneindig kleine draaikolken van de fluïde krachten van de atomaire, subatomaire en quantumwerelden — werelden binnen werelden tot in het oneindige!
     Vanuit deze van intelligentie doortrokken wereld van bewustzijn en in de stadia van evolutie die ons eigen zijn, zijn we ons gaan realiseren dat we, zoals in het gedicht De eenhoorn van Anne Morrow Lindbergh ‘horizontaal gevangen en toch verticaal vrij’ zijn; vrij om onze weg te vinden en te onderzoeken uit dit labyrint van lichtkrachten dat we het spectrum van elektromagnetische fotonen noemen. Dit is een spectrum van stralende energie/materie dat — zo kan men zich dat voorstellen — zich uitstrekt van golflengte nul tot oneindig. Binnen de laatste tweehonderd jaar hebben wetenschappers dit onderverdeeld in zeven fundamentele gebieden: zichtbaar licht, infrarood, ultraviolet, radiogolven, röntgenstralen, gammastralen en kosmische stralen — golven binnen golven!
     Het specifieke rad dat ik wil bespreken is de kleurenschijf, omdat kleur het leven zoals we het leren kennen stimuleert, vormgeeft en bevordert. Alles wat bestaat wordt gedragen en onderhouden door dit elektromagische web van stralen. De kleurenschijf is het transportmiddel van onze ziel door deze onderwereld van stralende levensvormen. Het is een eenheidscirkel, een concentrische glorie die tegelijkertijd een zichzelf in evenwicht houdende dynamiek van complementaire kleuren en harmonieën van structuren is, duidelijk zichtbaar en toch occult tot op het moment dat we dit wonderwiel met nieuwsgierigheid benaderen en ermee experimenteren.
     De inventieve experimentator Isaac Newton scheidde onze kristallijnen ijle lucht en onthulde het tot dan occulte prismatische lichtspectrum, waarmee hij een lawine van wetenschappelijk onderzoek en literaire beeldspraak teweegbracht. Verder was het het inwonende genie in Newton dat op intuïtieve wijze en diepzinnig verklaarde: ‘Eigenlijk zijn de stralen niet gekleurd’.
     Meer dan tweehonderd jaar later stelt in onze tijd een onderzoeker van curiositeiten en professor in de toegepaste optica, W.D. Wright, een vraag en geeft dan antwoord daarop:

     Als de stralen niet gekleurd zijn, wat zijn ze dan wel? . . . we zouden ze kunnen beschrijven als dragers van informatie — informatie over het vermogen van een object om dit of dat type licht overvloediger te weerkaatsen dan de rest.
     Als een gekleurd oppervlak wordt verlicht, wordt een gedeelte van de invallende energie geabsorbeerd en een gedeelte wordt teruggekaatst na te zijn doorgedrongen in de kleurgevende laag [waarvan we nu inzien dat deze onzichtbaar is]. De absorptie of onttrekking van de energie in specifieke gedeelten van het spectrum geeft de oppervlakte haar kleur.2

Niet alleen zijn de stralen die de kleur dragen en verschaffen niet gekleurd, maar iedere afzonderlijke kleur die in de natuur wordt waargenomen verbergt in zichzelf de diametraal tegenovergestelde kleur in de kleurenschijf; vandaar, complementariteit. Johannes Itten, een beroemde leraar uit de Bauhaus, vertelt ons: ‘Complementariteit komt voort uit het feit dat voor elke gegeven kleur het oog op hetzelfde moment de complementaire kleur nodig heeft en deze spontaan voortbrengt. Deze gelijktijdig gegenereerde complementariteit doet zich als een zintuiglijke waarneming aan het oog van de toeschouwer voor. Ze is niet objectief aanwezig. Ze kan niet worden gefotografeerd.’3 De complementaire kleur van groen is rood; geel verbergt violet in zich, oranje brengt blauw teweeg, indigo toont goud; en omgekeerd, zoals de volgende figuur uit Newtons Optica laat zien: (zie diagram)
Kleur binnen kleur (licht binnen pigment of materie) is maar een van de vele prijzen in dit rad van fortuin — onze spectrale glorie.
     Roger Shattuck zegt in zijn filosofische uiteenzetting over gelijktijdige complementariteit dat dit denkbeeld ‘zowel in de logica als in de artistieke techniek een ontwikkeling doormaakte. Ze werd onder woorden gebracht in een kinderlijke directheid van expressie onafhankelijk van de conventionele orde. Volgens de uiteenzetting was er een directe relatie tussen bewuste en onderbewuste gedachte [tussen materiële en geestelijke gedachte]. Ze omvatte verrassing, humor, [en] dubbelzinnigheid.’4
     De quantumfysicus en filosoof Arthur Zajonc herinnert ons eraan dat Goethe ‘de mens zag als een wezen dat voortdurend bezig is aan zichzelf vorm te geven. We hebben geleerd dat zelfs natuurlijke organen, zoals het oog, een voorstellingsvermogen nodig hebben om te kunnen zien.’ Zajonc zegt ook dat ‘Goethe het belang onderstreepte van een innerlijk licht. In zijn woorden: ‘Als het oog niet verwant zou zijn aan de zon, hoe zouden we dan licht kunnen waarnemen?’’5
     Laten we deze ‘zelfvormende’ waarheid eens zelf bekijken door middel van dit simpele recept (van ‘verrassing, humor en dubbelzinnigheid’) van de kleurentheoreticus Wucius Wong: ‘We kunnen het nabeeld [het complement] van een kleur zien door naar een klein gekleurd object te staren dat op wit papier ligt. Als we na dertig seconden of langer onze blik verplaatsen naar de witte achtergrond, zien we een illusie van de vorm van het gekleurde voorwerp in de complementaire kleurschakering.’6
     Hier zit een blauwe Boeddha voor u: kijk dertig seconden naar de stip in het midden van de Boeddha en verplaats dan uw blik naar de stip rechts.

               
     Raderen binnen raderen, werelden binnen werelden, golven binnen golven, kleur binnen kleur. Dit experiment bewijst de vergelijking dat complementariteit zoiets is als te zeggen dat het licht van de geest zich binnenin de materie bevindt.7



Verwijzingen:

  1. Alan Dressler, Voyage to the Great Attractor, Exploring Intergalactic Space, Alfred Knopf, New York, 1994, blz. x.
  2. W.D. Wright, The Rays are not Coloured, Essays on the Science of Vision and Colour, American Elsevier, New York, 1968, blz. 2-3.
  3. Johannes Itten, The Art of Color, The Subjective Experience and Objective Rationale of Color, Van Nostrand Reinhold Co., New York, 1973, blz. 87.
  4. Geciteerd in: Charles A. Riley, Color Codes: Modern Theories of Color in Philosophy, Painting and Architecture, Literature, Music, and Psychology, University Press of New England, Hannover and London, 1995, blz. 118.
  5. Arthur Zajonc, Catching the Light, The Entwined History of Light and Mind, Bantam Books, New York, 1993, blz. 204-5.
  6. Wucius Wong, Principles of Color Design, Van Nostrand Reinhold Co., New York, 1987, blz. 53.
  7. Vgl. A. Trevor Barker, De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, Theosophical University Press Agency, Den Haag, 1979, blz. 34.
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency