De gebeurtenissen in de natuur voltrekken zich niet op toevallige wijze.
Elke vonk die van het aambeeld spat heeft zijn genesis, zijn mathematische
levensbaan alvorens in de duisternis te verdwijnen. Iedere gebeurtenis
zou voorspelbaar zijn als we voldoende afwisten van de oorzaken, en
cyclussen vormen daarop geen uitzondering. Cyclische gebeurtenissen
bestaan gewoonlijk uit andere, kleinere cyclussen waarvan de impulsen
met langere tussenpozen samenvallen, zoals de uren een dag vormen of
zoals de elkaar opvolgende seizoenen bestaan uit dagen die lengen en
korten.
De fundamentele werkingen van de natuur berusten op cyclussen van oorzaak
en gevolg. Zonder dit tweevoudige proces zou onze kosmos weer chaos
worden. Daarom nemen we aan dat ieder gevolg voortvloeit uit bepaalde
oorzaken, maar dat deze niet altijd zijn te onderscheiden. Deze gevolgen
verschijnen soms direct, maar vaker met een vertraging. Het aloude begrip
karma, van zaaien en oogsten, actie en reactie, heeft met alle aspecten
van dit onderwerp te maken, waar nog bijkomt dat voor mensen de oorzaken
die in een bepaalde incarnatie zijn gezaaid misschien pas in een volgend
leven worden geoogst, wanneer de tijd hiervoor gunstig is en de verschillende
personen die daarbij betrokken zijn weer bijeenzijn.
Laatstgenoemde gedachte brengt ons op een andere cyclus die voor bijna
alle volkeren een grote rol speelt — de cyclus van leven, dood
en wedergeboorte. Er zijn tegenwoordig veel mensen die, opgevoed volgens
de wetenschappelijke traditie, de dood beschouwen als het einde van
het individu. Er is leven en er is dood: het eerste komt tot ons door
genetische transmissie, en de laatste maakt een einde aan ons bestaan
als ego, terwijl we alleen in onze kinderen blijven voortleven. Het
orthodoxe christendom leert daarentegen de schepping van iedere ziel
bij de geboorte, haar leven onder het toezicht van God, en haar overgang
na de dood naar een verblijf van oneindige duur in hetzij hemelse rijken
of de onderwereld.
Andere religies leerden dat ons huidige leven slechts één
voorval is in het bestaan van de ziel, dat het zelf of de monade na
de dood door de inwendige gebieden van de aarde trekt, om daarna een
reis te beginnen langs de zeven heilige planeten, zoals de Griekse en
Latijnse schrijvers die noemden. Dit verklaart de klassieke omschrijving
van iemand die is gestorven — dormit in astris: hij slaapt
temidden van de sterren.
De omzwervingen van menselijke en andere monaden van sfeer naar sfeer
naar de zon en weer terug naar de aarde worden in de theosofische literatuur
de circulaties van de kosmos genoemd, en beslaan de periode die ligt
tussen de incarnaties waarin levensgolven met zielen stromen van de
ene planeet naar de andere, en van planeet naar zon, waarbij in elke
sfeer die kwaliteiten worden achtergelaten die daar thuishoren. Wanneer
de toestand na de dood van iemand ten einde loopt, keert de menselijke
geest langs dezelfde paden terug, en trekt in iedere wereld datgene
tot zich wat bij hem hoort, totdat hij tenslotte ‘geheel gekleed’,
drinkt van de ‘wateren der vergetelheid’ en aan een nieuwe
incarnatie begint.
Als deze ideeën wat vreemd klinken, komt dit alleen omdat we met
andere geloofsvormen zijn grootgebracht. Maar in feite zijn de resten
van deze leer in het christendom achtergebleven in de vorm van het vagevuur,
waarin de ziel zich losmaakt uit haar lagere omhulsels voordat ze naar
de hemel opstijgt. Helaas heeft de christelijke beweging in de eerste
eeuwen zijn vroegere opvattingen laten vallen, namelijk die over reïncarnatie,
over het bestaan van allerlei hogere wezens, over de veelheid van werelden
en hun bewoners, alsmede het inzicht dat oorzaak en gevolg op alle gebieden
van de kosmos — geestelijk, ethisch en fysiek — werkzaam
zijn.
Het begrip reïncarnatie werpt een doordringend licht op de studie
van de geschiedenis, die velen raadselachtig voorkomt, omdat wij bij
het volgen van de opkomst en ondergang van dynastieën en beschavingen
met onze intuïtie aanvoelen dat deze cyclussen uitdrukkingen zijn
van universele wetten waaraan geen enkele menselijke instelling zich
kan onttrekken. Maar wanneer we trachten te verklaren waarom het ene
of het andere volk zich een eerste plaats verwerft, of waarom er vaak
geen sprake is van een duidelijk aanwijsbaar overdragen van cultuur
van de ene beschaving naar de volgende, komen we tot de ontdekking dat
we in het duister tasten. Er zijn waarschijnlijk een aantal redenen
voor dit schijnbare gebrek aan continuïteit, maar de belangrijkste
is misschien wel dat we de oorzaken in de wereld van gevolgen zoeken,
dat wil zeggen, dat we ons beperken tot verklaringen die liggen op het
terrein van de economie, het milieu en de biologie, terwijl we datgene
wat misschien de belangrijkste drijfveer in de geschiedenis is, namelijk
de menselijke ziel, onaangeroerd laten.
Naties komen niet tot bloei of verval op grond van hun erfelijkheid
of van vruchtbaar of onherbergzaam land, maar op grond van het gehalte
van de zielen die in een bepaalde periode incarneren en de aard van
het lot (karma) dat ze meebrengen om uit te werken. Grote geesten brengen
grote tijdperken voort, en kleinere zielen zullen een neergang veroorzaken,
hoe gunstig het materiële of culturele erfdeel van hun voorvaderen
ook mag zijn. Er zouden geen opgaande of neergaande cyclussen in de
geschiedenis zijn, maar alleen een doorgaande of onafgebroken vooruitgang,
als de evolutie van de mens uitsluitend afhing van een zich steeds verfijnende
genetische erfelijkheid, een voortdurend verbeterend milieu, of een
steeds toenemende hoeveelheid kennis en artefacten. Vanuit het standpunt
van reïncarnatie zijn laatstgenoemde factoren van secundair belang.
Zelfs een geringe bekendheid met cyclussen kan daarom licht verschaffen
bij de studie van verleden en heden. De kringloop van oorzaak en gevolg
in samenhang met herhaalde incarnaties brengt de zaden tot bloei die
in het verleden werden gezaaid, en brengt de zielen die de zaaiers waren
tot elkaar. Deze gedachte voegt een dimensie toe aan de geschiedenis
van rassen, stammen, volkeren, en zelfs families, die alle hun lotsbestemming
uitwerken overeenkomstig oude oorzaken, en de individuen die deze eenheden
samenstellen, verbeteren of verlagen daarbij zichzelf of hun erfdeel,
en dragen tegelijkertijd bij tot de opkomst of het verval van hun huidige
volk of ras.
Een andere cyclus van groot belang, en een waarvan de juistheid zelfs
door een oppervlakkige studie van de geschiedenis gemakkelijk wordt
aangetoond, houdt verband met het heersende gedachteleven van de mens,
dat achtereenvolgens door een van de drie grote takken van menselijke
kennis of menselijk streven — religie, filosofie en wetenschap
— wordt beheerst. Nog niet zo lang geleden werd de hele wereldbeschouwing
van de westerse mens gekleurd door de godsdienst van zijn tijd en plaats,
in dit geval het middeleeuwse christendom. Het uitspansel, de aarde
en de mens werden beschouwd als een getuigenis van de heerlijkheid Gods.
De geschiedenis van de mens begon in de Hof van Eden, en zijn daaropvolgende
avonturen, die begonnen met de ‘val’ van Adam, hebben hem
ertoe gebracht verlossing te zoeken door Gods eniggeboren Zoon als zijn
verlosser aan te nemen. Deze gedachten beheersen tot op de dag van vandaag
nog vele geesten.
Maar met de komst van de Renaissance en het herleven van de wetenschap
kwam vanuit de Arabische en klassieke wereld een stroom heel oude ideeën
op gang. Lang verboden gebieden van denken werden op rationele wijze
onderzocht; verschillende filosofische stelsels werden ontworpen, waarvan
sommige een poging deden God met zijn schepping te verzoenen, sommige
gebaseerd waren op materie als de enige werkelijkheid, en andere staande
hielden dat er niets wezenlijks bestond buiten het denken van de mens.
Er daagde een tijdperk van filosofie.
Inmiddels werden de grondslagen van de moderne wetenschap gelegd door
pioniers in de natuurkunde, de scheikunde en de astronomie. Maar het
was de geologie die tenslotte de theologische dogma’s over de
ouderdom en het ontstaan van de aarde ten grave droeg. Naarmate de structuur
van de kosmos zich duidelijker begon af te tekenen, rekenden wetenschappelijke
onderzoekers erop, dat ze na verloop van tijd in staat zouden zijn alle
natuurverschijnselen te verklaren zonder een beroep te doen op religieuze
dogma’s of de speculatieve metafysica. Wetenschappelijke beginselen
werden gebruikt voor bijzonder nuttige en praktische doeleinden, en
dit leidde tot de Industriële Revolutie. Het hoogtepunt van het
wetenschappelijke materialisme viel samen met Darwins Oorsprong
van de soorten en de afstamming van de mens. Nu kon dan eindelijk,
zo beweerde men, de geschiedenis van alle levende wezens worden verklaard,
waarbij de mens niet een bijzonder product van een Schepper was, maar
eenvoudig het hoogtepunt van een stoffelijk proces dat tot honderden
miljoenen jaren in het verleden terugging.
Tegen het einde van de vorige eeuw werden evenwel revolutionaire ontdekkingen
gedaan betreffende de samenstelling van de stof. Men ontdekte dat het
atoom deelbaar was en hierdoor werd onze opvatting over de fysieke wereld
totaal gewijzigd. Dit had een steeds groter wordende kloof tot gevolg
tussen technologie en zuiver wetenschappelijk onderzoek, waarvan de
eerste overwegend materialistisch en de laatste in toenemende mate filosofisch
werd. Door deze situatie ontstaat dan een tijdperk waarin naar alle
waarschijnlijkheid de spiritualiteit opnieuw een dominerende kracht
kan worden — niet de religie van sekten en kerken, hoewel die
gedurende enige tijd van deze opleving kunnen profiteren. Wat bij mensen
van alle leeftijdsgroepen aan de oppervlakte schijnt te komen, is de
godsdienstige geest, wat iets heel anders is dan dogma of ritueel; en
een sterk verlangen de waarheid te aanvaarden waar die ook wordt gevonden
— in de wetenschap, in de wijsheid van het Verre en Nabije Oosten,
in ons klassieke erfdeel, bij christelijke en andere mystici, of misschien
in de natuur, of in de voorschriften van een moderne stroming. Men is
op zoek naar realiteiten in plaats van geloofsvormen; het is een reactie
op de cultus van lege vormen in ons economische, sociale en religieuze
leven.
Een interessant aspect van deze cyclussen van religie, wetenschap en
filosofie is dat elke tak van denken en streven een ander facet van
het menselijke bewustzijn vertegenwoordigt. Religie bedient zich van
mystieke en devotionele vermogens. Filosofie omvat de coördinerende
of intellectuele kant en werkt met waarheden die door de intuïtie
of door het waarnemen van de natuur worden verschaft. Wetenschap houdt
het denken bezig met het bestuderen en rangschikken van feiten die bij
het onderzoek naar de uiterlijke wereld aan het licht zijn gekomen.
En evenals door de mens gestichte keizerrijken hun jeugd, volwassenheid,
ouderdom en einde beleven om elders te worden herboren, zo bereiken
ook instellingen van de menselijke geest, of het een filosofische school,
een kerk, of een allesomvattende materialistische wereldbeschouwing
is, hun hoogtepunt om daarna plaats te maken voor een volgend tijdperk
waarin het menselijke genie de waarheid langs nieuwe wegen kan zoeken.
De tijdsduur van deze drievoudige cyclus varieert ongetwijfeld al naar
de omstandigheden. Misschien geeft de Babylonische tijdsperiode van
600 jaar, een Neros (of Naros) genoemd, de volledige kringloop van alle
drie aan. Of misschien heeft de gehele Neros betrekking op een grotere
cyclus van slechts één tak, bijvoorbeeld van de religie
gedurende de bloei van de Arabische cultuur in de Middeleeuwen —
in die periode was het denken op verschillende tijden hoofdzakelijk
van verheven mystieke of filosofische aard, of kwam tot uitdrukking
in wetenschappelijke speculaties; maar alles was doordrenkt van godsdienstige
boventonen.
Als we aan cyclussen denken, denken we ook aan getallen: hoeveel trillingen
per seconde, impulsen per uur, jaren tijdens een omloop, millennia in
een precessie, enz. En door de eeuwen heen hebben onderzoekers deze
hartslag van het leven van de natuur, de mens en de kosmos opgetekend,
en de verbanden ertussen opgemerkt. In onze tijd is deze benadering
door het gebruik van computers snel een wetenschap aan het worden, met
praktische toepassingen op zulke uiteenlopende gebieden als de fluctuaties
op de aandelenmarkt, het terugkeren van ziekten, de biologische ritmen
van de mens en nog vele andere. Ook het vraagstuk van de trek van vogels
en van andere dieren, met haar vele geheimzinnige factoren, wordt nauwkeurig
onderzocht, want deze zijn overwegend cyclisch van aard.
Wanneer we de cyclussen in verband proberen te brengen met de geschiedenis
van de beschaving moet het ons wel opvallen hoe rijk aan inhoud de speculaties
van de Ouden waren en hoe schaars die van nu zijn. Het is waar dat Arnold
Toynbee enige tijd bij dit onderwerp stilstaat; en vroegere schrijvers
zoals Sir Flinders Petrie hadden een theorie over de cyclische aard
van de geschiedenis van de mens. Het boekje van dr Petrie, The Revolution
of Civilization (De omwentelingen van de beschaving), bevat enkele
stimulerende gedachten over de perioden in de ontwikkeling van de culturen.
Maar in het algemeen gesproken gunnen onze hedendaagse denkers —
ingeperkt door enerzijds het darwinisme en anderzijds het christelijke
dogma — zich weinig historische tijd als achtergrond waartegen
de eb en vloed van het streven van de menselijke beschaving in een universeel
perspectief kan worden gezien. De vooruitgang van de mensheid van lemen
hutten tot piramiden voltrok zich in minder dan geen tijd!
De archaïsche filosofie had eveneens met merkwaardige beperkingen
te kampen, want haar grootste waarheden werden ontleend aan een stelsel
van wijsheid waarvan de voornaamste aspecten geheim werden gehouden,
omdat ze tot de mysteriescholen van die tijd behoorden. In de oudheid
moesten de filosofen daarom hun toevlucht nemen tot de taal van de symbolen,
tot gelijkenissen, verhalen en mythen, waarin ongetwijfeld waarheden
konden worden gevonden, maar alleen door hen die de sleutels ertoe bezaten,
of van wie de intuïtie voldoende was ontwaakt om tot een juiste
interpretatie ervan te komen. Maar uit fragmenten uit het verleden die
de verwoestingen in meer barbaarse eeuwen hebben overleefd, blijkt voldoende
om aan te tonen hoe grandioos hun kijk op de kosmos en al zijn levende
delen was. Want ze gingen ervan uit dat de talrijke levens die we kennen
als de natuurrijken de bouwstenen zijn van dat wezen dat we de aarde
noemen. Ze brengen op een soortgelijke manier de aarde tot uitdrukking
als dat de atomen van allerlei soort en niveau uitdrukking geven aan
het wezen dat we de mens noemen. Hieruit volgt dat de mens zo oud moet
zijn als de natuur.
Vanuit dit brede perspectief kenden bijvoorbeeld de filosofen van India
4.320.000.000 jaren toe aan de duur van een planetaire levenscyclus.
Deze getallenreeks 4-3-2 is van groot belang en komt in oude speculaties
vele malen voor. In vroeger tijden zei men dat de aarde iets voorbij
de helft van haar levensperiode is. Na vele omzwervingen door de innerlijke
en uiterlijke aspecten van de gecompliceerde constitutie van de aarde,
vormt de mensheid nu de overheersende soort op onze stoffelijke aardbol.
Volgens de theosofische chronologie hebben we vier van de zeven hoofdrassen,
die hier hun levensduur doorbrengen, voltooid en zijn we dichtbij het
punt halverwege het vijfde.
Het is zeker meer dan toeval dat de Maya’s van Centraal-Amerika,
Hesiodus uit het oude Griekenland, de brahmaanse filosofen van vroeger,
en de vele anderen die men zou kunnen aanhalen, in hun geschreven of
mondelinge overleveringen bevestigen dat we ons nu in het zogenaamde
‘vijfde’ ras bevinden. Hesiodus spreekt in zijn Werken
en dagen over vier eeuwen die elk ras moet doorlopen: de Gouden,
Zilveren, Bronzen en IJzeren eeuw, en hij zegt dat we nu aan de IJzeren
eeuw van ons huidige ras zijn begonnen, ‘. . . een ras van ijzer,
waar . . . kracht recht zal zijn en eerbied zal ophouden te bestaan’
(regels 175 en 195). Want de Donkere eeuw kenmerkt altijd het moment
halverwege een ras, het meest stoffelijke stadium ervan, een overgangstijd,
een tijd van rampen, van geweld, en een tijd waarin de zaden voor het
volgende ras worden gezaaid. Dezelfde gedachte is te vinden in de Surya-Siddhanta
uit India, misschien wel het oudste astronomische geschrift, en ook
bij de Hopi-indianen uit het zuidwesten van Amerika.
De Surya-Siddhanta (1:17) noemt zijn vier eeuwen yuga’s,
en kent aan elk een bepaalde tijdsduur in jaren toe: