Golven van mensen
John P. Van Mater

 

De gebeurtenissen in de natuur voltrekken zich niet op toevallige wijze. Elke vonk die van het aambeeld spat heeft zijn genesis, zijn mathematische levensbaan alvorens in de duisternis te verdwijnen. Iedere gebeurtenis zou voorspelbaar zijn als we voldoende afwisten van de oorzaken, en cyclussen vormen daarop geen uitzondering. Cyclische gebeurtenissen bestaan gewoonlijk uit andere, kleinere cyclussen waarvan de impulsen met langere tussenpozen samenvallen, zoals de uren een dag vormen of zoals de elkaar opvolgende seizoenen bestaan uit dagen die lengen en korten.

De fundamentele werkingen van de natuur berusten op cyclussen van oorzaak en gevolg. Zonder dit tweevoudige proces zou onze kosmos weer chaos worden. Daarom nemen we aan dat ieder gevolg voortvloeit uit bepaalde oorzaken, maar dat deze niet altijd zijn te onderscheiden. Deze gevolgen verschijnen soms direct, maar vaker met een vertraging. Het aloude begrip karma, van zaaien en oogsten, actie en reactie, heeft met alle aspecten van dit onderwerp te maken, waar nog bijkomt dat voor mensen de oorzaken die in een bepaalde incarnatie zijn gezaaid misschien pas in een volgend leven worden geoogst, wanneer de tijd hiervoor gunstig is en de verschillende personen die daarbij betrokken zijn weer bijeenzijn.

Laatstgenoemde gedachte brengt ons op een andere cyclus die voor bijna alle volkeren een grote rol speelt — de cyclus van leven, dood en wedergeboorte. Er zijn tegenwoordig veel mensen die, opgevoed volgens de wetenschappelijke traditie, de dood beschouwen als het einde van het individu. Er is leven en er is dood: het eerste komt tot ons door genetische transmissie, en de laatste maakt een einde aan ons bestaan als ego, terwijl we alleen in onze kinderen blijven voortleven. Het orthodoxe christendom leert daarentegen de schepping van iedere ziel bij de geboorte, haar leven onder het toezicht van God, en haar overgang na de dood naar een verblijf van oneindige duur in hetzij hemelse rijken of de onderwereld.

Andere religies leerden dat ons huidige leven slechts één voorval is in het bestaan van de ziel, dat het zelf of de monade na de dood door de inwendige gebieden van de aarde trekt, om daarna een reis te beginnen langs de zeven heilige planeten, zoals de Griekse en Latijnse schrijvers die noemden. Dit verklaart de klassieke omschrijving van iemand die is gestorven — dormit in astris: hij slaapt temidden van de sterren.

De omzwervingen van menselijke en andere monaden van sfeer naar sfeer naar de zon en weer terug naar de aarde worden in de theosofische literatuur de circulaties van de kosmos genoemd, en beslaan de periode die ligt tussen de incarnaties waarin levensgolven met zielen stromen van de ene planeet naar de andere, en van planeet naar zon, waarbij in elke sfeer die kwaliteiten worden achtergelaten die daar thuishoren. Wanneer de toestand na de dood van iemand ten einde loopt, keert de menselijke geest langs dezelfde paden terug, en trekt in iedere wereld datgene tot zich wat bij hem hoort, totdat hij tenslotte ‘geheel gekleed’, drinkt van de ‘wateren der vergetelheid’ en aan een nieuwe incarnatie begint.

Als deze ideeën wat vreemd klinken, komt dit alleen omdat we met andere geloofsvormen zijn grootgebracht. Maar in feite zijn de resten van deze leer in het christendom achtergebleven in de vorm van het vagevuur, waarin de ziel zich losmaakt uit haar lagere omhulsels voordat ze naar de hemel opstijgt. Helaas heeft de christelijke beweging in de eerste eeuwen zijn vroegere opvattingen laten vallen, namelijk die over reïncarnatie, over het bestaan van allerlei hogere wezens, over de veelheid van werelden en hun bewoners, alsmede het inzicht dat oorzaak en gevolg op alle gebieden van de kosmos — geestelijk, ethisch en fysiek — werkzaam zijn.

Het begrip reïncarnatie werpt een doordringend licht op de studie van de geschiedenis, die velen raadselachtig voorkomt, omdat wij bij het volgen van de opkomst en ondergang van dynastieën en beschavingen met onze intuïtie aanvoelen dat deze cyclussen uitdrukkingen zijn van universele wetten waaraan geen enkele menselijke instelling zich kan onttrekken. Maar wanneer we trachten te verklaren waarom het ene of het andere volk zich een eerste plaats verwerft, of waarom er vaak geen sprake is van een duidelijk aanwijsbaar overdragen van cultuur van de ene beschaving naar de volgende, komen we tot de ontdekking dat we in het duister tasten. Er zijn waarschijnlijk een aantal redenen voor dit schijnbare gebrek aan continuïteit, maar de belangrijkste is misschien wel dat we de oorzaken in de wereld van gevolgen zoeken, dat wil zeggen, dat we ons beperken tot verklaringen die liggen op het terrein van de economie, het milieu en de biologie, terwijl we datgene wat misschien de belangrijkste drijfveer in de geschiedenis is, namelijk de menselijke ziel, onaangeroerd laten.

Naties komen niet tot bloei of verval op grond van hun erfelijkheid of van vruchtbaar of onherbergzaam land, maar op grond van het gehalte van de zielen die in een bepaalde periode incarneren en de aard van het lot (karma) dat ze meebrengen om uit te werken. Grote geesten brengen grote tijdperken voort, en kleinere zielen zullen een neergang veroorzaken, hoe gunstig het materiële of culturele erfdeel van hun voorvaderen ook mag zijn. Er zouden geen opgaande of neergaande cyclussen in de geschiedenis zijn, maar alleen een doorgaande of onafgebroken vooruitgang, als de evolutie van de mens uitsluitend afhing van een zich steeds verfijnende genetische erfelijkheid, een voortdurend verbeterend milieu, of een steeds toenemende hoeveelheid kennis en artefacten. Vanuit het standpunt van reïncarnatie zijn laatstgenoemde factoren van secundair belang.

Zelfs een geringe bekendheid met cyclussen kan daarom licht verschaffen bij de studie van verleden en heden. De kringloop van oorzaak en gevolg in samenhang met herhaalde incarnaties brengt de zaden tot bloei die in het verleden werden gezaaid, en brengt de zielen die de zaaiers waren tot elkaar. Deze gedachte voegt een dimensie toe aan de geschiedenis van rassen, stammen, volkeren, en zelfs families, die alle hun lotsbestemming uitwerken overeenkomstig oude oorzaken, en de individuen die deze eenheden samenstellen, verbeteren of verlagen daarbij zichzelf of hun erfdeel, en dragen tegelijkertijd bij tot de opkomst of het verval van hun huidige volk of ras.

Een andere cyclus van groot belang, en een waarvan de juistheid zelfs door een oppervlakkige studie van de geschiedenis gemakkelijk wordt aangetoond, houdt verband met het heersende gedachteleven van de mens, dat achtereenvolgens door een van de drie grote takken van menselijke kennis of menselijk streven — religie, filosofie en wetenschap — wordt beheerst. Nog niet zo lang geleden werd de hele wereldbeschouwing van de westerse mens gekleurd door de godsdienst van zijn tijd en plaats, in dit geval het middeleeuwse christendom. Het uitspansel, de aarde en de mens werden beschouwd als een getuigenis van de heerlijkheid Gods. De geschiedenis van de mens begon in de Hof van Eden, en zijn daaropvolgende avonturen, die begonnen met de ‘val’ van Adam, hebben hem ertoe gebracht verlossing te zoeken door Gods eniggeboren Zoon als zijn verlosser aan te nemen. Deze gedachten beheersen tot op de dag van vandaag nog vele geesten.

Maar met de komst van de Renaissance en het herleven van de wetenschap kwam vanuit de Arabische en klassieke wereld een stroom heel oude ideeën op gang. Lang verboden gebieden van denken werden op rationele wijze onderzocht; verschillende filosofische stelsels werden ontworpen, waarvan sommige een poging deden God met zijn schepping te verzoenen, sommige gebaseerd waren op materie als de enige werkelijkheid, en andere staande hielden dat er niets wezenlijks bestond buiten het denken van de mens. Er daagde een tijdperk van filosofie.

Inmiddels werden de grondslagen van de moderne wetenschap gelegd door pioniers in de natuurkunde, de scheikunde en de astronomie. Maar het was de geologie die tenslotte de theologische dogma’s over de ouderdom en het ontstaan van de aarde ten grave droeg. Naarmate de structuur van de kosmos zich duidelijker begon af te tekenen, rekenden wetenschappelijke onderzoekers erop, dat ze na verloop van tijd in staat zouden zijn alle natuurverschijnselen te verklaren zonder een beroep te doen op religieuze dogma’s of de speculatieve metafysica. Wetenschappelijke beginselen werden gebruikt voor bijzonder nuttige en praktische doeleinden, en dit leidde tot de Industriële Revolutie. Het hoogtepunt van het wetenschappelijke materialisme viel samen met Darwins Oorsprong van de soorten en de afstamming van de mens. Nu kon dan eindelijk, zo beweerde men, de geschiedenis van alle levende wezens worden verklaard, waarbij de mens niet een bijzonder product van een Schepper was, maar eenvoudig het hoogtepunt van een stoffelijk proces dat tot honderden miljoenen jaren in het verleden terugging.

Tegen het einde van de vorige eeuw werden evenwel revolutionaire ontdekkingen gedaan betreffende de samenstelling van de stof. Men ontdekte dat het atoom deelbaar was en hierdoor werd onze opvatting over de fysieke wereld totaal gewijzigd. Dit had een steeds groter wordende kloof tot gevolg tussen technologie en zuiver wetenschappelijk onderzoek, waarvan de eerste overwegend materialistisch en de laatste in toenemende mate filosofisch werd. Door deze situatie ontstaat dan een tijdperk waarin naar alle waarschijnlijkheid de spiritualiteit opnieuw een dominerende kracht kan worden — niet de religie van sekten en kerken, hoewel die gedurende enige tijd van deze opleving kunnen profiteren. Wat bij mensen van alle leeftijdsgroepen aan de oppervlakte schijnt te komen, is de godsdienstige geest, wat iets heel anders is dan dogma of ritueel; en een sterk verlangen de waarheid te aanvaarden waar die ook wordt gevonden — in de wetenschap, in de wijsheid van het Verre en Nabije Oosten, in ons klassieke erfdeel, bij christelijke en andere mystici, of misschien in de natuur, of in de voorschriften van een moderne stroming. Men is op zoek naar realiteiten in plaats van geloofsvormen; het is een reactie op de cultus van lege vormen in ons economische, sociale en religieuze leven.

Een interessant aspect van deze cyclussen van religie, wetenschap en filosofie is dat elke tak van denken en streven een ander facet van het menselijke bewustzijn vertegenwoordigt. Religie bedient zich van mystieke en devotionele vermogens. Filosofie omvat de coördinerende of intellectuele kant en werkt met waarheden die door de intuïtie of door het waarnemen van de natuur worden verschaft. Wetenschap houdt het denken bezig met het bestuderen en rangschikken van feiten die bij het onderzoek naar de uiterlijke wereld aan het licht zijn gekomen. En evenals door de mens gestichte keizerrijken hun jeugd, volwassenheid, ouderdom en einde beleven om elders te worden herboren, zo bereiken ook instellingen van de menselijke geest, of het een filosofische school, een kerk, of een allesomvattende materialistische wereldbeschouwing is, hun hoogtepunt om daarna plaats te maken voor een volgend tijdperk waarin het menselijke genie de waarheid langs nieuwe wegen kan zoeken.

De tijdsduur van deze drievoudige cyclus varieert ongetwijfeld al naar de omstandigheden. Misschien geeft de Babylonische tijdsperiode van 600 jaar, een Neros (of Naros) genoemd, de volledige kringloop van alle drie aan. Of misschien heeft de gehele Neros betrekking op een grotere cyclus van slechts één tak, bijvoorbeeld van de religie gedurende de bloei van de Arabische cultuur in de Middeleeuwen — in die periode was het denken op verschillende tijden hoofdzakelijk van verheven mystieke of filosofische aard, of kwam tot uitdrukking in wetenschappelijke speculaties; maar alles was doordrenkt van godsdienstige boventonen.

Als we aan cyclussen denken, denken we ook aan getallen: hoeveel trillingen per seconde, impulsen per uur, jaren tijdens een omloop, millennia in een precessie, enz. En door de eeuwen heen hebben onderzoekers deze hartslag van het leven van de natuur, de mens en de kosmos opgetekend, en de verbanden ertussen opgemerkt. In onze tijd is deze benadering door het gebruik van computers snel een wetenschap aan het worden, met praktische toepassingen op zulke uiteenlopende gebieden als de fluctuaties op de aandelenmarkt, het terugkeren van ziekten, de biologische ritmen van de mens en nog vele andere. Ook het vraagstuk van de trek van vogels en van andere dieren, met haar vele geheimzinnige factoren, wordt nauwkeurig onderzocht, want deze zijn overwegend cyclisch van aard.

Wanneer we de cyclussen in verband proberen te brengen met de geschiedenis van de beschaving moet het ons wel opvallen hoe rijk aan inhoud de speculaties van de Ouden waren en hoe schaars die van nu zijn. Het is waar dat Arnold Toynbee enige tijd bij dit onderwerp stilstaat; en vroegere schrijvers zoals Sir Flinders Petrie hadden een theorie over de cyclische aard van de geschiedenis van de mens. Het boekje van dr Petrie, The Revolution of Civilization (De omwentelingen van de beschaving), bevat enkele stimulerende gedachten over de perioden in de ontwikkeling van de culturen. Maar in het algemeen gesproken gunnen onze hedendaagse denkers — ingeperkt door enerzijds het darwinisme en anderzijds het christelijke dogma — zich weinig historische tijd als achtergrond waartegen de eb en vloed van het streven van de menselijke beschaving in een universeel perspectief kan worden gezien. De vooruitgang van de mensheid van lemen hutten tot piramiden voltrok zich in minder dan geen tijd!

De archaïsche filosofie had eveneens met merkwaardige beperkingen te kampen, want haar grootste waarheden werden ontleend aan een stelsel van wijsheid waarvan de voornaamste aspecten geheim werden gehouden, omdat ze tot de mysteriescholen van die tijd behoorden. In de oudheid moesten de filosofen daarom hun toevlucht nemen tot de taal van de symbolen, tot gelijkenissen, verhalen en mythen, waarin ongetwijfeld waarheden konden worden gevonden, maar alleen door hen die de sleutels ertoe bezaten, of van wie de intuïtie voldoende was ontwaakt om tot een juiste interpretatie ervan te komen. Maar uit fragmenten uit het verleden die de verwoestingen in meer barbaarse eeuwen hebben overleefd, blijkt voldoende om aan te tonen hoe grandioos hun kijk op de kosmos en al zijn levende delen was. Want ze gingen ervan uit dat de talrijke levens die we kennen als de natuurrijken de bouwstenen zijn van dat wezen dat we de aarde noemen. Ze brengen op een soortgelijke manier de aarde tot uitdrukking als dat de atomen van allerlei soort en niveau uitdrukking geven aan het wezen dat we de mens noemen. Hieruit volgt dat de mens zo oud moet zijn als de natuur.

Vanuit dit brede perspectief kenden bijvoorbeeld de filosofen van India 4.320.000.000 jaren toe aan de duur van een planetaire levenscyclus. Deze getallenreeks 4-3-2 is van groot belang en komt in oude speculaties vele malen voor. In vroeger tijden zei men dat de aarde iets voorbij de helft van haar levensperiode is. Na vele omzwervingen door de innerlijke en uiterlijke aspecten van de gecompliceerde constitutie van de aarde, vormt de mensheid nu de overheersende soort op onze stoffelijke aardbol. Volgens de theosofische chronologie hebben we vier van de zeven hoofdrassen, die hier hun levensduur doorbrengen, voltooid en zijn we dichtbij het punt halverwege het vijfde.

Het is zeker meer dan toeval dat de Maya’s van Centraal-Amerika, Hesiodus uit het oude Griekenland, de brahmaanse filosofen van vroeger, en de vele anderen die men zou kunnen aanhalen, in hun geschreven of mondelinge overleveringen bevestigen dat we ons nu in het zogenaamde ‘vijfde’ ras bevinden. Hesiodus spreekt in zijn Werken en dagen over vier eeuwen die elk ras moet doorlopen: de Gouden, Zilveren, Bronzen en IJzeren eeuw, en hij zegt dat we nu aan de IJzeren eeuw van ons huidige ras zijn begonnen, ‘. . . een ras van ijzer, waar . . . kracht recht zal zijn en eerbied zal ophouden te bestaan’ (regels 175 en 195). Want de Donkere eeuw kenmerkt altijd het moment halverwege een ras, het meest stoffelijke stadium ervan, een overgangstijd, een tijd van rampen, van geweld, en een tijd waarin de zaden voor het volgende ras worden gezaaid. Dezelfde gedachte is te vinden in de Surya-Siddhanta uit India, misschien wel het oudste astronomische geschrift, en ook bij de Hopi-indianen uit het zuidwesten van Amerika.

De Surya-Siddhanta (1:17) noemt zijn vier eeuwen yuga’s, en kent aan elk een bepaalde tijdsduur in jaren toe:

Krita (satya)yuga (gouden)
1.728.000 jaar
Tretayuga (zilveren)
1.296.000 jaar
Dvaparayuga (bronzen)
864.000 jaar
Kaliyuga (ijzeren)
432.000 jaar
Totale duur van een mahayuga
4.320.000 jaar

Ook volgens de hindoes zijn we nog maar pas aan de IJzeren eeuw (kaliyuga) van ons vijfde ras begonnen, die is ingegaan met de dood van Krishna, 3102 v. Chr., iets meer dan 5.000 jaar geleden. Let op de getalsvolgorde 4-3-2 in de tabel van de yuga’s; het totaal begint met deze drie getallen evenals de cyclus van het kaliyuga. Dezelfde drie vindt men in de jaren die worden toegekend aan de levensperiode van een planeet. De pythagoreeërs hebben deze reeks vastgelegd in hun mystieke tetraktis (zie diagram), waarin de onderste lijn vier punten heeft en die daarboven drie, dan twee en tenslotte één. (Dit prachtige symbool heeft vele andere betekenissen). Interessant is verder dat men deze getallen terugziet in de Oude Edda uit Scandinavië in het lied van Grimner waarin wordt gezegd dat het Walhalla 540 deuren heeft, uit elk waarvan 800 krijgers komen — of 432.000 krijgers, het getal dat in India wordt toegekend aan de IJzeren eeuw. Daarnaast is er het intrigerende feit uit de menselijke fysiologie dat in de loop van een uur het hart gemiddeld 4320 keer klopt!

Het materiaal dat hier wordt besproken, vormt slechts een eerste verwijzing naar een onderwerp waarmee tal van kabbalisten, brahmanen, magiërs, pythagoreeërs — in feite wetenschappers, mystici en wijzen in vele landen en eeuwen — zich hun leven lang hebben beziggehouden. Maar er is genoeg naar voren gebracht om aan te tonen dat de kosmos als geheel en al zijn delen afzonderlijk leven, sterven, en weer worden herboren in een samenstel van kleine en grote cyclussen, in de loop waarvan de goddelijke essentie steeds majestueuzer uitdrukkingsvormen opbouwt. De oneindige verscheidenheid van deze cyclussen stelt het innerlijke wezen — van een atoom, een mens of een god — in staat door karma te leren van elke soort ervaring om op die manier zijn hele natuur in alle richtingen te ontplooien.

Bij de meesten van ons reikt kennis zelden verder dan het gebied van de speculaties, behalve op die ogenblikken waarop het denken door een straal van intuïtie wordt verlicht en we door de nevels van het abstracte denken de kenmerken van de werkelijkheid onderscheiden. Met behulp van de wet van de cyclussen kunnen we de oude symbolische kennis overbrengen naar het gebied van de zichtbare kosmos. Daarom kan zij zowel nuttig . . . als gevaarlijk zijn; en daarom hebben de Ouden de volledige kennis van de cyclussen steeds in allegorieën gehuld.

 
Cyclussen, reïncarnatie en wederbelichaming
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency