De muziek van het leven
Elsa-Brita Titchenell

 

‘The music goes round and round’ is het thema van een oud lied. ‘Het sloeg op de spiraalvorm van de tuba of helicon, waarin de luchtstroom door het instrument een draaiende beweging beschrijft. Het is een suggestieve vorm die we immers overal tegenkomen, het duidelijkst bij zeeschelpen en andere weekdieren. Aan een plant groeien takken volgens het patroon van een spiraal, waarbij de afstanden tussen haar takken zich tot elkaar verhouden volgens een reeks die bekendstaat als die van Fibonacci. Alle waarneembare bewegingen hebben de neiging zich in een spiraalvorm voor te doen, die een onderdeel is van een grotere spiraal, die op zijn beurt deel uitmaakt van een nog grotere spiraal. Onze aarde volgt in de ruimte een baan die een kleine replica is van de veel grotere omloop van de zon wanneer deze zich door de melkweg beweegt, die op een nog grotere schaal zelf een ruimtereiziger is. Hierdoor verschuift de omloop van de aarde, waardoor ons spoor in het uitspansel een spiraal wordt. Omdat de zon zelf een soortgelijke beweging volgt, betreden we onophoudelijk nieuwe gebieden van de ruimte en bezetten we dezelfde plek feitelijk nooit een tweede keer. Iedere nieuwe dag is in feite een volstrekt nieuwe ervaring, iets dat zich nog nooit eerder heeft voorgedaan. Hoewel het routine lijkt, betreedt hij in feite nieuwe gebieden in de uitgestrektheid van de kosmische ruimte.
     We kunnen ons een beeld vormen van het universele patroon dat we overal aantreffen, van de microwereld van de kernfysica tot aan de onmetelijkheid van de kosmologie. Voorbij deze uitersten kunnen we ons alleen in onze verbeelding begeven. Het is niet onredelijk een melkweg als een kosmische molecule te postuleren die is samengesteld uit zijn kenmerkende quota van solaire atomen, en in de quantummechanica de echo van astronomische gebeurtenissen te bespeuren. Dit betekent niet dat ieder voorval in de macrowereld in elk detail in het klein wordt weerspiegeld of omgekeerd, maar de parallellen zijn het onderzoek waard en verdienen erkenning.
     Alles in de fysieke natuur wijst op onze plaats en functie in het grotere patroon van de levensduur van de aarde. Als mensen bevinden we ons in een bijzonder gunstige positie, want ons denken werkt logisch en, hoewel het in veel opzichten gehuld gaat in nevelen, kan het enkele van de levensverschijnselen begrijpen. We herkennen de wisselende seizoenen en hebben zelfs het vermogen verworven om aan de zwaartekracht van de aarde te ontsnappen teneinde door de ruimten achter de Van Allen gordels te reizen die min of meer duidelijk de grenzen van het lichaam van onze planeet bepalen.
     In een recent televisieprogramma stelde een geoloog dat de aarde een levend lichaam is, hoewel zij een veel statiger en langzamer tempo heeft dan de levens die haar samenstellen, waaronder die van de mensen; hij illustreerde dit aan de hand van een verhaal: Een vlinder, met de levensduur van één dag, strijkt neer op een reusachtige redwood, die in de loop van een millennium ontzaglijk groot is geworden. Als je die vlinder zou kunnen vragen of de boom levend is of niet, zou het insect dan niet antwoorden: ‘Nee, natuurlijk niet. Ik heb mijn hele leven hier gewoond en hij heeft nog nooit iets gedaan, dus kan hij niet levend zijn.’ In veel opzichten staan wij in dezelfde verhouding tot de aarde als de vlinder tot de oude boom. Onlangs stond in een spotprent een gesprek tussen twee vlooien die in het woud van de vacht van een airedale wandelden: de ene vlo vraagt haar metgezel: ‘Geloof jij in Hond?’
     Uit gewoonte herhaalt de natuur zichzelf, hoewel die herhaling, hetzij van plaats of in de tijd — of beide — geen cirkel maar een helix beschrijft. Wat we waarnemen lijkt meer op een wenteltrap die in een ronde toren is aangebracht. Gleuven en ramen laten een verticale opeenvolging van treden zien, waardoor een waarnemer buiten alleen de ene afzonderlijke trede of sport boven de andere ziet. Elke trede zou de duur van een leven kunnen voorstellen, zodat veel mensen zonder nadenken veronderstellen dat het leven uit een eenmalige verschijning op onze thuisplaneet bestaat, zonder oorzaak of zonder een patroon te volgen. Als we aan deze veronderstelling vasthouden, zoals velen doen, kan ieder leven een toevallige gebeurtenis schijnen, die door geen enkele oorzaak wordt voorafgegaan, terwijl in feite elk leven en trouwens iedere gebeurtenis in elk leven, een boog beschrijft die een deel is van een spiraal in ruimte en tijd, of misschien in een eigenschap die zich ontwikkelt, waarbij iedere oorzaak haar bijbehorende gevolg teweegbrengt en elk gevolg op zijn beurt een verdere stroom van gebeurtenissen veroorzaakt. Alleen omdat we het veranderende patroon, dat door een planetair of stellair lichaam wordt gevolgd, niet kunnen waarnemen, mogen we niet veronderstellen dat het zo’n plan niet heeft. De goden die de orde en het evenwicht in het heelal als een geheel handhaven, bevinden zich ongetwijfeld buiten het bereik van ons denken, en hun levensduur is voor ons even ondenkbaar als die van een boom voor een vlinder.
     Het verschijnen van een heelal wordt snel begrepen als het wordt beschouwd als een muzikale progressie. Muziek is een opeenvolging van klanken in de tijd, en elke klank of akkoord bestaat uit individuele tonen. Op dezelfde manier wordt ons heelal met zijn enorme verscheidenheid van levens opgebouwd uit hiërarchieën die weer grotere eenheden, innerlijk en uiterlijk, samenstellen, die de oneindige ruimten vullen die ons, zichtbaar en onzichtbaar, omringen. Sinds het eerste fiat lux door de oneindigheid dreunde, zijn de echo’s van die fundamentele grondtoon nooit opgehouden overal te weergalmen, vergezeld van zich vermenigvuldigende overtonen, totdat u en ik, miniatuurheelallen die we zijn, begonnen uitdrukking te geven aan onze eigen geluidloze tonen, waarbij we onze kleine ruimte vulden met een symfonie die een volheid van levens op nog lagere niveaus van evolutie omvatte. Elk van ons draagt zijn eigen bijzondere toon bij aan de kosmische symfonie, en zoals iedere toon òf iets toevoegt aan de schoonheid van het geheel òf — uit de maat en uit de toon — in botsing komt met de algehele harmonie, zijn ook wij òf nuttige en constructieve bewerkers van het algemeen goede dan wel op zichzelf staande wanklanken in de muziek van het leven.
     Als we de hoge schelle tonen van de microwerelden en de dreunende bas van melkwegstelsels in beweging konden horen, zouden we dan de grootsheid van het kosmische plan iets beter begrijpen dan nu? Misschien. Of zouden we met ons beperkte begripsvermogen daarvoor ongevoelig blijven, zoals nu het geval is. De natuur heeft ons altijd voldoende aanwijzingen gegeven van het eeuwigdurende patroon van haar voortgang. Vanaf het moment dat de vroegste denkers van de mensheid voor het eerst de kunst van het leven van hun voorgangers, de goden, hadden geleerd, heeft het prachtige instrument van het denken ons gediend, zelfs wanneer het in de verkeerde richting werd gebruikt en op een minderwaardige manier werd ingezet voor materieel voordeel. De wereld laat ons nu duidelijk zien dat onze keuzes ons vaak tot een wirwar van onwaardige doeleinden en handelingen voeren, en dat zullen blijven doen zolang we doorgaan met de natuur te gebruiken als een overwonnen vijand, in plaats van uit haar geduldige onderricht lering te trekken. Door een proces van herhaling dat zo zorgvuldig wordt afgestemd dat iedere cyclus de grotere in de kleinere weerspiegelt, werkt de natuur gestadig naar een steeds grotere volmaaktheid, terwijl de mensheid zich maar al te vaak bekommert om tijdelijke kunstgrepen, die ertoe bijdragen dat het evolutionaire proces waarin we zijn gewikkeld wordt vertraagd of zelfs geblokkeerd. Onze bestemming is van een schoonheid die onze verbeeldingskracht te boven gaat. In plaats van het menselijke genie te verspillen aan alledaagse en onwaardige bezigheden, hebben we het recht en de plicht een goddelijker inzicht te verkrijgen en een ruimer begripsvermogen naarmate wij en onze meer universele vrienden steeds meeromvattende hoogten bereiken van bewust leven in de oneindige diepten van de ruimte.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency