De seizoenen van ons leven
Nhilde Davidson

 

     Het leven van de mens is als de seizoenen van het jaar: elk heeft zijn bijzondere schoonheid. . . .
    Welk seizoen het ook is, kies dat leven dat het edelste is, want gewoonte kan het voor u aangenaam maken.      — Hobart Huson, The Pythagoron


Seizoenen zijn het gevolg van de tijd. Men zegt dat verandering de enige constante is — naarmate de tijd verstrijkt, beweegt alles in het heelal zich voort en door die beweging is verandering onvermijdelijk. De dingen veranderen in verhouding tot al het andere, maar groei in geestelijke zin vindt plaats terwijl de uitwendige voertuigen in verval raken. In de werelden van vorm wordt tijd gemeten in minuten, dagen, jaren — in de eeuwigheid bestaat een ononderbroken duur.
     Voor ons wordt tijd gemeten in herkenbare stadia — baby, kleuter, puberteit, volwassene — maar wat te zeggen van onze reis door dit leven als we deze stadia doorlopen? Zoals de eerste blijken van zwangerschap het beeld van een baby oproepen en we vooruitlopen op de geboorte die pas maanden later komt, zo kunnen we door het zorgvuldig waarnemen van de patronen en seizoenen van het leven onszelf voorbereiden op dat leven met zijn vele stadia.
     We beschouwen deuropeningen als vanzelfsprekend, maar ze geven wel de grenzen aan die ieder nieuw gebied uniek maken. Deuropeningen vormen de schakels tussen beheersbare ruimte-eenheden. Terwijl ons leven zich ontvouwt in stadia, die ons de tijd geven ons volledig potentieel tot bloei te brengen, verkeren we in de waan van een geleidelijke overgang van de ene fase naar de volgende, en toch is onze levensweg niet lineair. Terwijl we elke dag waken en slapen, verwachten we dat we morgen vrijwel dezelfde zijn als vandaag — het verrassende is dat het besef van een verandering plotseling plaatsvindt. Van dag tot dag zijn we ons niet bewust van het tijdsverloop voor de fysieke aspecten van ons leven. Elke fase van het leven besluipt ons: we merken niet dat onze kracht en seksualiteit opkomen en, hoewel zonder twijfel voorvoeld, ervaren we dat de realiteit van de puberteit heel anders is dan we hadden verwacht. Evenzo kijken we iedere dag in de spiegel zonder het toenemen van rimpels op te merken en dan wordt als bij toverslag de sluier plotseling weggetrokken en op een dag kijken we goed en zijn geschokt. Het beeld dat we van ons gezicht hadden gemaakt moet plotseling worden bijgesteld.
     In iedere fase vinden er veranderingen plaats, die door het hersenverstand niet worden opgemerkt — er zijn geen waarneembare afscheidingen tussen elk ‘stadium van de mens’ dat men moet doormaken — het besef in een volgende arena van het leven te zijn aangekomen schijnt ons te overvallen! Als we ons hiervan bewust worden, stellen we ons opnieuw scherp in. In het denken vindt het werkelijke handelen plaats, de omzetting van ervaring in wijsheid. Waarheid is de wapenrusting die ons kan beschermen tegen alle kwaad; als we in staat zijn op een eerlijke manier ons leven te beoordelen in verhouding tot de eeuwige ritmes van de natuur, dreigt er geen gevaar — we delen in de ervaring van alle gemanifesteerde wezens.
     Er staan twee interessante hexagrammen in de I Tjing:

64 Wei Tji — Vóór het einde (nog niet aan de overkant) en
63 Tji Tji — Na het einde (reeds aan de overkant).

     Wei Tji, ‘vóór het einde’, is zoals een bergbeklimmer nabij de top, die al zijn energie aan de beklimming heeft besteed met de piek in zicht; nu worden de laatste paar meters de inspannendste en moeilijkste — dan verandert alles als hij Tji Tji, ‘na het einde’, leert kennen. Na zijn doel te hebben bereikt, begint een nieuwe weg; hij moet afdalen. Spieren die zijn gebruikt om de berg te beklimmen, zijn sterk geworden; nu zullen andere spieren pijn doen en sterker worden.
     Het gevaar dat aan verandering inherent is, is dat we, na al onze energie en gedachten aan de bestaande omstandigheden te hebben besteed, ons op ons gemak gaan voelen en denken dat we het allemaal wel weten, alleen om te ontdekken dat de nieuwe arena andere eisen stelt. Het afdalen van de berg vraagt nieuwe vaardigheden en een ander pad. Tji Tji gaat over de verwarring bij het definitieve einde en over hoe we op de nieuwe weg voorzichtig moeten zijn. We zijn één rivier overgestoken; nu moeten er voorzichtig kleine stappen worden gezet totdat we de weg kennen en andere bekwaamheden hebben ontwikkeld. Dit is goed te vergelijken met het ongemak tegen het einde van een zwangerschap, gevolgd door de barensweeën waarmee een baby het leven wordt ingestuwd — eenmaal geboren vindt er een algehele herschikking van het leven plaats als ouders en baby zich aanpassen en leren wat het betekent om een gezin te vormen.
     Technische uitvindingen hebben onze manier van leven — en wat we met onze tijd doen — drastisch veranderd, en toch verschillen we in wezen of wat onze eerste behoeften aangaat niet van alle vroegere generaties. Dit hoeft ons niet te verbazen, omdat wijzelf de geschiedenis hebben geschreven. De ritmes van het leven — vanaf de conceptie tot aan de dood en wedergeboorte — volgen eeuwenoude patronen, vastgesteld en vervolmaakt tijdens de dageraad van onze mensheid. Toch schijnt het dat we slechter dan ooit zijn voorbereid op de veranderingen die in de loop van ons leven plaatsvinden. Gezinnen en gemeenschappen zijn niet langer de hechte eenheden die ze vroeger waren en als gevolg daarvan ontbreekt het in ons leven aan een diepgaand contact met alle facetten van het leven. Helaas gaat daardoor ook het meedogend begrijpen van elk uniek aspect van de menselijke ontwikkeling verloren. We schijnen de onvermijdelijke veranderingen die zich in de loop van ons leven voordoen niet langer te voorzien, waardoor we onvoorbereid zijn om de werkelijkheden van de vele overgangsriten onder ogen te zien die gedurende de natuurlijke voortgang van het leven moeten worden ondergaan.
     Zoals ritueel en religie uit de tijd zijn geraakt, zo wordt ook onvoldoende waarde gehecht aan het herkennen van overgangsperioden of worden ze volkomen genegeerd. Opgroeien, oud worden en tenslotte sterven zijn allemaal reële gebeurtenissen, die op een positieve manier moeten worden benaderd en begeleid. De onstuimigheid van de tienerjaren is hiervan een goed voorbeeld. Het omgaan hiermee vereist vaardigheid, geduld en grote wijsheid van alle betrokkenen. De overgang van de status van gezinshoofd naar die van gepensioneerde vereist eveneens aandacht en mededogen. We groeien en merken de geleidelijke veranderingen die plaatsvinden niet op; er schijnen evenwel op verrassende wijze plotseling nieuwe fasen in ons leven aan te breken, en die gaan altijd vergezeld van een innerlijke beroering en het zich opnieuw moeten aanpassen.
     Een overgang doet zich in vele gedaanten voor — geboorte, de eerste dagen op school of op het werk, veranderingen van betrekking, huwelijk, echtscheiding, ziekte, een onverwachte meevaller, tragedies van allerlei aard — het verlies van een baan, een huis, eigendommen, de dood van een geliefde — de combinaties zijn even gevarieerd als er mensen op aarde zijn. Er is tijd voor nodig om zich aan elke nieuwe omstandigheid aan te passen, en voor de persoon die zo’n verandering meemaakt, is het een nieuwe en essentiële ervaring waarbij men welwillende begeleiding nodig heeft. Wanneer we zelf soortgelijke ervaringen hebben opgedaan, dan maakt dat het intense verdriet van iemand die nu eenzelfde ervaring voor het eerst opdoet er niet minder om. In zulke gevallen dienen we vriendelijk en met sympathie te luisteren, omdat we deze ervaring herkennen, die voor hen even uniek is als de onze voor ons is geweest — ook al hebben miljoenen datzelfde pad eerder al bewandeld. Ons verdriet van toen verzacht hun huidige verdriet niet, maar het helpt wel als we laten blijken met hen mee te leven.
     Door ons mentaal voor te bereiden op alle eventualiteiten worden we innerlijk weerbaar. Wat men verwacht is nooit zo overweldigend of angstaanjagend als het onbekende. Door kennis over het verloop van de ritmes van de natuur, en door het inzicht dat ze worden weerspiegeld in alle levende wezens, groeit het mededogen. Omdat we bovendien weten dat we de levensweg gedurende vele aeonen hebben gevolgd, wordt tijd een bondgenoot — we kunnen vermijden valse hoop te koesteren of trots te zijn op fysieke dapperheid of schaamte of schuld te voelen wegens zwakheden die zich in de loop van de tijd aandienen. Stoffelijke lichamen, bezittingen en wereldlijk aanzien zijn kortstondig van aard; door ons te concentreren op de eeuwige werkelijkheden kunnen we alle moeilijkheden overwinnen door elke nieuwe uitdaging te koesteren wegens het groeipotentieel dat in haar kern ligt verborgen.
     Er is voor alles een seizoen: een tijd om te zaaien, een tijd om te groeien, een tijd om te oogsten — dan komt rust en herstel — de winter zal tot bloei komen in de lente van een nieuw begin. Elke overgangsrite is feitelijk de dood van het ‘oude’ en een geboorte van het ‘nieuwe’.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1997

© 1997 Theosophical University Press Agency