Wat zijn de kenmerken van het leven? Zijn de fysieke zintuigen
en het verstand op zich voldoende om het mysterie ervan te begrijpen?
Wetenschappers kijken miljarden lichtjaren in de ruimte en speuren in
de eindeloos kleine subatomaire gebieden. Die twee uitersten zijn slechts
toegangspoorten tot het uitgestrekte terrein van de energieën,
substanties en geest. De nieuwe metafysica wijst op bewustzijn als een
oorzakelijk instrument, een éénmakende factor achter de
kosmos. We zijn bezig terug te keren naar een zienswijze van een oorspronkelijke
levende wereld, waar de natuur een doel en intelligentie heeft en een
broederschap van levende wezens laat zien. Als we onze innerlijke verbondenheid
met alle dingen beseffen, geeft dat een verdieping van ons perspectief,
en het biedt een meer bevredigende ethiek. We worden ons geleidelijk
bewust van een fundamentele wijsheid: dat niets van iets anders is afgescheiden,
want kosmisch bewustzijn is overal – ook binnenin ons.
Symbiose, leven in een samenwerkingsverband, is veel essentiëler
dan de strijd om het ‘overleven van de sterksten’. We zijn
afhankelijk van kleinere levensvormen – cellen, bacteriën,
atomen – en die hebben ons nodig. Deze symbiose werkt naast de
druk uit de fysieke omgeving, die een element is in de selectie van
beter aangepaste organismen. In de natuur komt strijd wel voor, maar
vooral harmonie. Als we naar een ongerepte plaats gaan – een strand,
berg of woestijn – dan voelen we een rust, een orde, die zelfs
nog boven de natuurlijke schoonheid uitgaat. Hoe kan dat allemaal? Is
het een onthulling van het oorzakelijke mysterie van bewustzijn, van
een zielenleven en van een hogere geestelijke orde? En welke plaats
nemen wij in dit alles in?
De overleveringen en mythen van de wereld geven een beeld
van een eindeloze ontvouwing waarin we onze plaats kunnen vinden; een
wereld waar ieder deeltje in zijn kern goddelijk is, waar er niet zoiets
als levenloze materie is. Ze beschrijven het ontstaan en de ondergang
van werelden en heelallen, met goden die de aanzet geven tot de modellen
voor evolutie en groei en die de levenszaden afwerpen in nieuwe cyclussen.
De goddelijke essenties worden verspreid door alle rijken van de natuur,
die samen één levend organisch geheel zijn. Dit is in
grote lijnen de grondslag van geestelijke ecologie, terwijl de ecologie
als wetenschap zich beperkt tot onderlinge stoffelijke relaties tussen
de levende dingen. Geestelijke ecologie onthult dat er geen wezenlijke
afgescheidenheid is tussen de vele niveaus van het bestaande, behalve
in hun illusoire materiële verschijningsvorm. Het stoffelijke weerspiegelt
ook enigszins de hogere, intelligente werkingen, die hun oorsprong hebben
in het Ene dat het vele wordt – een wonderbaarlijk levend universum
dat op allerlei manieren, zowel tijdens het leven als na de dood, voor
ontelbare menigten nakomelingen zorgt.
Wat is dan onze plaats in deze universele goddelijke ecologie?
Er zijn ontelbare wezens die vele werelden en gebieden bewonen waarvan
de meeste voor ons niet zichtbaar zijn. Ze bestaan in andere trillingsfrequenties
en hun leefwerelden kunnen nu, in dezelfde ruimte, door die van ons
heengaan en misschien kan toch geen ervan ooit rechtstreeks met de andere
in wisselwerking staan. We zijn ons eenvoudig niet van hen bewust en
zij niet van ons. Al die gebieden en werelden zijn in wezen
met alles in de natuur verbonden, al zullen we misschien de verbanden
nooit waarnemen, vooral niet met onze fysieke zintuigen. Toch worden
we beïnvloed door deze onderlinge verbindingen en wij oefenen er
ook invloed op uit.
Geestelijke ecologie is onderdeel van een enorm ontvouwingsprogramma.
Uit de ene goddelijke homogeniteit ontspringen talloos veel wezens.
Differentiatie brengt tweepoligheid mee, waarbij geest en stof samenwerken
en als twee aspecten van één bewustzijn in elkaar overgaan.
W.Q. Judge geeft hiervan een beknopt overzicht en spreekt over ‘‘de
wezenlijke eenheid van alle leven en bestaan’. De manifestatie
van het leven is differentiatie van deze eenheid, het doel van differentiatie
is evolutie, en de bestemming van evolutie is de terugkeer van al het
gemanifesteerde tot zijn bron en oorspronkelijke eenheid.’ (Echoes
of the Orient 1: 165)
Dit proces houdt de cyclische activiteiten van wezens
in die in en uit het stoffelijke bestaan komen. Deze cyclussen betekenen
een eindeloze ontwikkeling, voortdurend groeien en worden. Het betreft
de afdaling van een godsvonk in de gebieden van de stof, waar ze haar
voertuigen opbouwt. Wanneer het heelal zijn meest materiële punt
bereikt, gaat ze door de gebieden en rijken van de natuur weer omhoog
en ontvouwt zo haar ingeboren geestelijke bewustzijn. Als de godsvonk
het mensstadium ingaat, verwerft ze zelfbewustzijn en tenslotte goddelijkheid.
Alle wezens bewegen zich voortdurend spiraalsgewijs naar hogere stadia
van evolutie, gaan samen vooruit, steunen elkaar in het ene universele
leven. Ze kunnen niet anders.
Wat zit er achter deze activiteit die zo intelligent wordt
geordend en uitgevoerd? Karma, de mysterieuze wet van oorzaken en gevolgen.
Geen enkel wezen is vrij van karma. De werkingen van het heelal vinden
in het algemeen plaats onder de automatische leiding van de goden, door
ingewortelde harmonische methoden. De goden belichamen gezamenlijk de
activiteit van de kosmische ideeënvorming. Ze zijn de beschermers
van het leven en herstellen het karmische evenwicht. Deze godheden functioneren
door de hoogste oersubstantie, die kan worden gezien als een collectief
geheugen dat de goddelijke vitaliteit, wil en intelligentie overdraagt.
Alle geestelijke gebieden, sferen van denkvermogen en oorzakelijkheid,
hebben vorm, een plan, polariteit en herstellingsvermogen. Het goddelijke
denkvermogen moet door middel van een reeks omvormers werken om het
stoffelijke te bereiken. Drie basisaspecten – geest, ziel en lichaam
– zijn hoofdbestanddelen, maar vormen samen één
verstrengeld geheel.
Monaden zijn goddelijke bewustzijnscentra. Ze komen voort
uit goden die hun geestelijke ziel als een omhulsel projecteren en toch
volledig bewust op hun eigen vlak blijven en ongeveer als een fijn afgestemd
zenuwstelsel met ogenblikkelijk contact buiten onze tijd en ruimte functioneren
door de hele uitgestrekte kosmos. Voorts handelt iedere entiteit vanuit
zichzelf en heeft haar eigen mate van vrije wil en intelligentie, die
worden weerspiegeld in daden die op hun beurt een lotsbestemming scheppen.
Een entiteit ondergaat verandering en groei. Dit wordingsproces blijft
karmisch in evenwicht en wordt in zichzelf vastgelegd als deel van de
inherente harmonieën van het heelal. Om ervaring op te doen ontwikkelt
ieder wezen zich langs rondgaande banen in allerlei lichamelijke vormen.
De reis leidt naar steeds uitgestrektere spiraalvormige groeipatronen
en voert uiteindelijk terug naar de goddelijke bron.
Voor de ervaringen van de ziel zijn veel uiteenlopende
lagen van bewustzijn en stoffelijke voertuigen nodig. Elke entiteit
is een geestelijk ecosysteem dat uit kleinere levende wezens is samengesteld,
evenals ons lichaam uit talloze levende wezentjes bestaat – atomen,
cellen, organen – die in samenhang functioneren, en prachtig geordend
en in evenwicht worden gehouden. Het zijn werelden en heelallen die
op zich werkelijk en substantieel zijn, maar als zodanig voor het grootste
deel onopgemerkt blijven. Zoals atomen en cellen een deel van ons zijn,
zo horen wij bij de levende aarde, Gaea, die is opgenomen in een levend
zonnestelsel. Dit is een cel die weer een klein deeltje van een melkwegstelsel
is dat behoort tot superzwermen van sterrenstelsels, en zo eeuwig door.
Ons thuis is de aarde, maar we zijn ook geestelijke en
goddelijke wezens, d.w.z. solaire en kosmische entiteiten. Wat we om
ons heen zien is het buitenste product van een onzichtbaar scheppingsproces.
Ons fysieke lichaam, onze zintuigen en persoonlijkheid, verbergen het
innerlijke leven, ons ware zelf. De in wezen goddelijke bewustzijnsstroom
emaneert al die lagen als één uitstraling, tot ze het
lichaam en de persoonlijkheid doet bezinken, die de voertuigen zijn
voor haar leven op aarde. Bovendien verandert alles voortdurend vanuit
de grote adem, de goddelijke beweging, die wordt omgezet in activiteiten,
willen en harmonieën van goden, monaden en atomen die op iedere
schaal innerlijke en uiterlijke heelallen bouwen. De stuwkracht van
het bewustzijn is de eeuwige oorzaak van verandering en vernieuwing.
Alles is een onmetelijk netwerk van onderling verbonden wezens en voor
ieder is er een tijd, een doel en een geschikte periode.
Individualiteit heeft haar oorsprong in de goddelijke
monade. Monaden zijn de kroon van individualiteit, maar toch in essentie
één. Ze zijn als een holograaf van de kosmos met het oneindige
in de kern ervan; of als druppels in de oceaan van het bestaan, uniek
en tegelijkertijd toch één. Ze brengen energie over als
golven die breken op de kust van het gemanifesteerde bestaan –
maar de oceaan blijft altijd zichzelf.
De collectieve beweging van al die evoluerende monadische
entiteiten vertegenwoordigt de circulaties van het heelal – d.w.z.
de groepen entiteiten die we levensgolven noemen, of natuurrijken die
evolueren en vooruitgang boeken. We zijn maar net begonnen onszelf te
begrijpen, om niet te spreken over het zielenleven van de minuscule
atomaire wezens, mineralen, planten, insecten en ook dieren. Misschien
vormt de mensheid wel een denkende, zelfbewuste laag in Gaia’s
ziel en zijn alle rijken eveneens aspecten van haar bewustzijn en lichaam
in een verbazingwekkende uiting van intelligentie en geest.
De wijsheidstradities van de wereld vormen een belangrijke
gids om onze ware plaats in het heelal te ontdekken en in te nemen.
Ze vertellen ons over deze eindeloze goddelijke ecologie waarin we ontelbare
vormen en bewustzijnstoestanden hebben doorgemaakt. De monaden gaan
door de lagere rijken – elementalen, mineralen, planten, dieren
– om het mensstadium te bereiken. Al die rijken zijn in ons, maar
ook de klassen van goden die ons overschaduwen, zij die het denkvermogen
in ons hebben gewekt. Veel bronnen vermelden dat die goden behulpzaam
waren om zelfbewustzijn en vrije wil aan ons te geven. Vanaf die tijd
zijn de mensen het vermogen gaan ontwikkelen om hogere en diepere werkelijkheden
van het bestaan te ervaren, om alle soorten gedachten tot uitdrukking
te brengen, om ons eigen lot te scheppen en te evolueren door keuzen
te maken.
In onze huidige ontwikkelingsfase lijkt er eerder een
gevoel van afgescheidenheid dan van heelheid in het denken van de mens
te overheersen; en zo helpen we elkaar en Gaia de vernieling in. Er
is echter een groeiende bewustheid van onze eenheid met het leven. Niet
alleen bestaan er tegenwoordig culturen die meer op het spirituele zijn
gericht dan de onze, maar ook meer geëvolueerde mensen die rechtstreeks
de geestelijke werelden in solaire en kosmische omvang hebben leren
kennen.
Veel indiaanse volkeren in Amerika, bijvoorbeeld, leren
dat alles wat leeft onderling afhankelijk is. Ze hebben een ethiek die
is gebaseerd op de heiligheid van het leven. Ze zien het als een deel
van de plicht van de mensheid om een kosmisch evenwicht te helpen bewaren,
als een essentieel aspect van het bestaan dat door de goddelijke kracht
van de Grote Geest is verschaft. Ze voelen dat elke oorlog, ziekte of
tegenspoed op een of andere wijze is toe te schrijven aan een verloren
gaan van dat evenwicht en proberen het door hun ceremoniën en in
hun dagelijks leven gedeeltelijk te herstellen.
Sinds het ontwaken van zelfbewust denken in de mens is
Gaia nooit meer dezelfde geweest. Denk eens aan de macht en kracht van
zoveel mensen die gedachten verspreiden, van spiritueel tot zelfzuchtig.
Die moeten wel een dynamische invloed hebben, niet alleen op de andere
natuurrijken en onszelf, maar zelfs op de goden. Gedachten zijn elementale
entiteiten, die rondgaan door de natuurrijken en aan dieren en planten
bepaalde eigenschappen geven, hetzij edele òf giftige en agressieve
neigingen. Het spreekt vanzelf dat die psychische, mentale en andere
uitstromingen leiden tot een opeenhoping, vooral als de mensheid niet
in harmonie met Gaia is. Verandering is in de evolutie onvermijdelijk,
zodat ze van tijd tot tijd schoon schip maakt en ernstige wereldrampen
ondergaat om het evenwicht te herstellen. Dit hele proces wordt in gang
gezet door het goddelijke bewustzijn dat nieuwe en fijnere uitingsvormen
van zijn gemanifesteerde leven zoekt. Veel overleveringen erkennen dat
we vier eerdere wereldrampen hebben doorgemaakt, die corresponderen
met de vier vroegere grote mensenrassen, en dat er voor onze tegenwoordige
mensheid, de vijfde, over vele duizenden jaren opnieuw zo’n wereldwijde
omwenteling zal komen. Het is onvermijdelijk dat de werkingen van karma
het evenwicht gaan herstellen. Er zijn altijd krachten van het bewustzijn
die op elkaar inwerken als tegengestelde polen; sommige zijn gericht
op het spirituele, andere op de materie; ze houden een dynamisch evenwicht
in stand.
In de kern van alles is het goddelijke Zelf, dat de drang
verschaft om onze beperkingen te overwinnen en naar de lichtzijde van
de geest te groeien. Voor het algemeen welzijn moeten we proberen onze
geestelijke krachten, ons zelfbewuste denkvermogen en onze talenten
verstandig te gebruiken. Ons ware zelf vertelt ons voortdurend om de
wijsheid in onszelf te zoeken en met het innerlijke ontvankelijke oor
te luisteren. We hebben allemaal, iedere entiteit, een herinnering aan
alles wat we eonen geleden waren, en een voorgevoel van wat we eonen
in de toekomst zullen zijn. Het enige wat we moeten doen is haar te
herkennen – haar terug te roepen, haar in ons alledaagse bewustzijn
te brengen. Maar dat is geen geringe opgave!
We moeten medewerkers van de natuur worden en alle wezens
deelgenoot maken van een grote onpersoonlijke liefde en sympathie, want
ware ethiek kan alleen worden gebaseerd op spirituele eenheid en universele
broederschap. Albert Einstein heeft een paar prachtige gedachten geschreven
over het persoonlijke zelf en onze bevrijding:
Het moet onze taak zijn ons te bevrijden
uit de gevangenis door onze kring van mededogen uit te breiden om
alle levende schepsels en de hele natuur en haar schoonheid te omvatten.
Niemand kan dit volledig doen, maar elk streven naar succes maakt
op zichzelf deel uit van de bevrijding en is de grondslag voor innerlijke
geborgenheid.
Door een groter bewust inzicht in onze goddelijkheid te
verkrijgen kunnen we ontvankelijk worden voor de grootse innerlijke
stromingen van het leven en voor de betekenis ervan, en onze ware plaats
in de geestelijke ecologie van het leven leren kennen. Dit leidt ertoe
dat we onzelfzuchtig gaan leven voor het welzijn van alle wezens.