Boekbespreking

Het levensweb: Levende organismen en systemen: verbluffend nieuw inzicht in de grote samenhang, door Fritjof Capra, Kosmos-Z&K Uitgevers, Utrecht/Antwerpen, 1996; appendix, noten, register, geïllustreerd, 320 blz., isbn 90 215 29939, paperback.

 

Dit boek richt zich op de biologische aspecten van Capra’s steeds terugkerende stelling over de onderlinge verbondenheid van de aarde en al haar bewoners. Zijn eerdere boeken deden dit op het gebied van natuurkunde, filosofie en maatschappij. Hier verwijst hij naar een ‘nieuw paradigma, waarin de wereld wordt gezien als een geïntegreerd geheel in plaats van een losse verzameling onderdelen [en dat] we een holistisch wereldbeeld zouden kunnen noemen. We kunnen het ook als ecologische visie aanduiden, tenminste wanneer we het woord ‘ecologisch’ hanteren in een veel bredere en diepere betekenis dan gebruikelijk is’ (blz. 18). Hij maakt een onderscheid tussen ‘oppervlakkige’ en ‘diepe’ ecologie en beschrijft oppervlakkige ecologie als ‘antropocentrisch, of mens-gericht. Het ziet mensen als wezens die boven of buiten de natuur staan, als de bron van alle waarden, en het schrijft aan de natuur alleen instrumentele of ‘gebruiks’-waarde toe’. De diepe ecologie daarentegen zet de mensheid niet apart van de natuur: ‘Het ziet de wereld niet als een verzameling geïsoleerde objecten, maar als een netwerk van verschijnselen die onderling afhankelijk en fundamenteel verbonden zijn.’ De diepe ecologie erkent de intrinsieke waarde van alle levende wezens en ziet de mensheid ‘als slechts één draad in het levensweb’. Bovendien ‘is diep-ecologisch bewustzijn uiteindelijk een vorm van spiritueel of religieus bewustzijn’ (blz. 19).
     Capra vervolgt met de bewering dat:

Door het nieuwe wereldbeeld dat ontstaat ‘ecologisch’ in de zin van de diepe ecologie te noemen, benadrukken we dat het leven er centraal in staat. Voor de wetenschap is dat een belangrijk punt omdat in het oude paradigma de natuurkunde model stond voor de andere vakken en de bron vormde van hun metaforen. ‘De gehele filosofie is als een boom’, schreef Descartes. ‘De wortels zijn de metafysica, de stam is de natuurkunde en de takken zijn alle andere wetenschappen.’
     De diepe ecologie heeft deze cartesiaanse metafoor achter zich gelaten. . . . de natuurkunde [is] niet langer de wetenschap die de meest fundamentele beschrijving van de werkelijkheid geeft. Dat wordt echter nog steeds niet algemeen erkend. . . . De huidige paradigmaverschuiving in de wetenschap is, in de grond van de zaak, een verschuiving van de natuurkunde naar de levenswetenschappen.      – blz. 24

     Spectaculaire ontdekkingen in de astrofysica en de theorieën van sommige natuurkundigen die wijzen op de universaliteit van bewustzijn, lijken een tegenwicht te vormen tegen Capra’s opmerkingen. Bovendien zou er geen competitie moeten zijn tussen de verschillende wetenschappelijke disciplines. Terwijl de levenswetenschappen zeker belangrijk zijn, hebben de natuurwetenschappen – en ook niet-wetenschappelijke gebieden – evenveel bij te dragen aan het inzicht van de mens.
     Capra onderzoekt de gezichtspunten van wetenschappers zoals Maturana, Varela, Lovelock, Prigogine, Eigen en Margulis. Hij neemt diverse levende systemen onder de loep – waaronder regenwouden en het menselijk lichaam met zijn cellen – die de wetenschappers slechts als ‘mechanismen’ zouden beschouwen. Maar kunnen we een organisme hebben zonder een organisator van een of ander type om het functioneren en samenwerken in een breder verband te zien? Iedere component zou op zichzelf als een organisme moeten worden beschouwd. Evenmin kan worden bewezen dat een organisme dat uit vele elementen is samengesteld het product is van een toevallige verzameling van allerlei eenheden.
     Een van de implicaties van dit boek is het omverwerpen van de uitspraak van Descartes dat de geest synoniem is met redeneren. Capra beweert dat in de opkomende theorie betreffende levende systemen de geest niet een ding is, maar een proces. Hij is cognitie, het proces van het kennen, en wordt gelijkgesteld met het levensproces zelf. Aldus zegt hij:

Een bacterie of een plant heeft geen hersenen, maar wel een geest. Het eenvoudigste organisme is in staat om waar te nemen, en dus om te kennen. Ze zien niet, maar ze nemen desalniettemin wel veranderingen in hun omgeving waar, verschillen tussen licht en schaduw, warm en koud, hogere en lagere concentraties van een bepaalde stof, enz.      – blz. 176

     De reacties die Capra opsomt, suggereren dat er een aangeboren bewustzijn is dat bij alle kinderen van de natuur kan worden gevonden, ongeacht het stadium van evolutie waarin ze verkeren.
     Een andere benadering van het leven en zijn processen die waard is in beschouwing te worden genomen is die van hindoedenkers van duizenden jaren geleden. Ze beschouwden het leven (jiva) als iets dat alomtegenwoordig en universeel is en dat tot uitdrukking wordt gebracht in afzonderlijke eenheden. Ze erkenden ook de ‘essentie van het denkvermogen’ als iets universeels en noemden het mahat. Ze noemden de menselijke manifestatie van dit universele denkvermogen manas, en waren van mening dat de ontwikkeling van het menselijke denkvermogen een uitdrukking was van het aangeboren potentieel als een in toenemende mate vervolmaakt aspect van het universele denkvermogen.
     Het levensweb vat het recente biologische denken samen en stelt het tegenover de mechanistische en Darwinistische modellen; de schrijver wijst op de sterke kanten van deze vlijmscherpe gezichtspunten betreffende de levenswetenschappen, terwijl lezers voor het herkennen van de beperkingen ervan grotendeels op zichzelf zijn aangewezen.      – I.M. Oderberg

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency