Besef van het bovenzinnelijke*
Václav Havel


*Verkorte versie van een toespraak gehouden op 29 maart 1995 voor de National Press Club, Canberra, Australië, opgenomen in een nieuwe bundel van zijn essays, The Art of the Impossible: Politics as Morality in Practice [De kunst van het onmogelijke: Politiek als praktische ethiek] (Eng. vert. Paul Wilson, Alfred A. Knopf, New York, 1997); ook opgenomen in Cross Currents, herfst 1997. Václav Havel is een internationaal geroemde essayist en toneelschrijver, en president van de Republiek Tsjechië. Met toestemming overgenomen.


Praktisch mijn hele leven was het me verboden mijn land uit te gaan. Naarmate de lange decennia verstreken, raakte ik zo gewend aan die absurde situatie dat ik zonder meer aannam nooit andere delen van de wereld te zullen zien. Ik hoef u niet te vertellen dat een bezoek aan een zo verafgelegen continent als Australië, zo dacht ik, volstrekt onmogelijk was. Australië behoorde tot die fabelachtige werelden die buiten je bereik lagen, werelden waar je niet kunt komen, zoals je evenmin op een verafstaande ster kunt landen of een andere eeuw kunt binnenstappen.
     Een paar jaar geleden is alles veranderd. De wereld ging voor ons allen open, en ik begon – als staatshoofd – over de hele aarde te reizen. Het belangrijkste wat ik van die plotselinge vrijheid heb geleerd was hoe klein onze planeet werkelijk is, en hoeveel dichter de plaatsen bij elkaar liggen dan ik vroeger dacht. Daarom vond ik het des te verbazingwekkender dat de mensen die op deze kleine planeet wonen niet samen kunnen leven, dat ze steeds maar oorlog voeren en ontelbare conflicten beramen. Soms duurt het maar een paar minuten om over een gebied te vliegen dat eeuwenlang onderwerp van strijd is geweest. Ik begin de ervaring van ruimtevaarders te begrijpen, voor wie alle conflicten op aarde maar onbeduidend lijken – onbegrijpelijk, onbetekenend en onzinnig – wanneer ze vanuit de kosmische ruimte op onze planeet neerkijken.
     Na deze opmerking wil ik graag bepaalde gedachten met u delen die bij me opkomen als ik me afvraag waarom de mensen zich zo slecht gedragen, en waar ik hoopvolle tekens kan vinden dat ze zich in de toekomst misschien beter gaan gedragen.
     Duizenden jaren hebben mensen in tamelijk zelfstandige groepen in verschillende delen van de aarde geleefd en zich ontwikkeld. Culturen en hele beschavingen zijn verschenen en verdwenen, culturen die, vanuit een hedendaags perspectief gezien, geïsoleerd van elkaar bleven. In die tijd waren er maar weinig of geen gebeurtenissen in de wereld van de mensen die een wezenlijke en rechtstreekse invloed op de wereld als geheel konden hebben.
     Tegenwoordig staan de zaken heel anders. Binnen een vrij kort tijdsbestek – niet meer dan een fractie van de geschiedenis van de mensheid – is een wereldbeschaving totstandgekomen die zich over de hele aarde heeft verspreid, de verschillende delen met elkaar heeft verbonden en culturen of beschavingssferen in zich heeft opgenomen die zich lange tijd als autonome eenheden hadden ontwikkeld, en ze heeft gedwongen zich aan te passen. Heel veel problemen in onze wereld van vandaag kunnen volgens mij aan deze nieuwe werkelijkheid worden toegeschreven. Ze kunnen worden verklaard als een worsteling van verschillende culturele identiteiten, niet met deze wereldbeschaving, maar in zichzelf, om te overleven of om te benadrukken wat ze zijn en waarin ze van elkaar verschillen – worstelingen om wat ze schijnen te verliezen. Sommigen zeggen dat we in een tijd leven waarin ieder dal onafhankelijk wil zijn. Dit verlangen naar onafhankelijkheid is een begrijpelijke reactie op de druk die onze beschaving uitoefent om te integreren en zich te verenigen. Cultureel zelfstandige groepen die zijn gevormd in een geschiedenis van duizenden jaren bieden daar weerstand aan, uit angst dat ze misschien binnen enkele jaren helemaal oplossen in een culturele eenvormigheid van de hele aarde. Als we alle kleuren mengen, krijgen we grijs. Culturen met verschillende kleur worstelen kennelijk tegen het gevaar grijs te worden op het onmenselijke palet van één enkele beschaving.
     Hoe kunnen we deze tegenstelling overbruggen? Waarheen kunnen we ons wenden voor hoop? De oplossing ligt beslist niet in het zich blindelings verlaten op de in wezen atheïstische technologische beschaving van tegenwoordig. We moeten niet op de hypothese vertrouwen dat deze beschaving, waarvan men veronderstelt dat ze meer vooruitgang betekent dan alle culturen en beschavingen in het verleden, waardevoller is dan die vroegere, of dat het gerechtvaardigd is in haar naam tradities te onderdrukken en te vernietigen, eenvoudig omdat men denkt dat ze de zegevierende voortgang van de geschiedenis vertragen. De mens is ook het eigen verleden van de mens; het verleden verzwijgen zou een oorlogsverklaring aan de mensheid zelf betekenen. Aan de andere kant is het afwijzen van de tegenwoordige beschaving, het opgeven van alle goede dingen die ze heeft gebracht, en het proberen terug te keren tot het vroegere leven in stamverband ook geen oplossing.
     De enige verstandige koers is de meest veeleisende: we moeten beginnen met onze beschaving systematisch om te zetten in een echt multiculturele beschaving, één die aan iedereen gelegenheid geeft zichzelf te zijn en niemand de mogelijkheden onthoudt die ze biedt, één die streeft naar een tolerante coëxistentie van verschillende culturele identiteiten, één waarin de dingen die ons verbinden helder tot uitdrukking worden gebracht, factoren die zich tot een verzameling gemeenschappelijke waarden en normen zouden kunnen ontwikkelen waardoor we samen een creatief leven kunnen leiden.
     De belangrijkste vraag is deze: waar moeten we zoeken naar de bronnen van een gemeenschappelijke basis die als raamwerk kan dienen voor het tolerant en vreedzaam samenleven van verschillende culturen binnen een enkele beschaving? Het is niet voldoende de verzameling verplichtingen, beginselen of regels te nemen die door de Euro-Amerikaanse wereld is voortgebracht en die automatisch voor allen bindend te verklaren. Als de mensen deze beginselen aanvaarden, zich ermee vereenzelvigen en ernaar handelen, dan moeten die beginselen in hen een beroep doen op iets dat al eerder in hen aanwezig was, op sommige van hun innerlijke kwaliteiten. Van elkaar verschillende culturen of beschavingssferen kunnen alleen delen in wat ze als echte punten van overeenkomst zien, niet in die dingen die door maar enkelen aan anderen worden aangeboden of zelfs opgedrongen. De beginselen van coëxistentie van de mensen in deze wereld kunnen alleen standhouden als ze voortkomen uit de meest diepgaande ervaring van iedereen, niet van slechts enkelen van ons. Ze moeten zo worden geformuleerd dat ze in harmonie zijn met wat de mens – als mens, niet als lid van een bepaalde groep – heeft geleerd, heeft ervaren, heeft ondergaan.
     Het zal iemand die onbevooroordeeld is geen moeite kosten te weten waar hij moet zoeken. Als we de oudste ethische normen onder de loep nemen, de geboden die behoorlijk menselijk gedrag en de regels voor coëxistentie van mensen voorschrijven, treffen we daaronder talrijke essentiële punten van overeenkomst aan. Vaak is het verrassend te ontdekken dat praktisch identieke ethische normen op verschillende plaatsen en in verschillende tijden verschijnen, en in hoge mate onafhankelijk van elkaar. Een ander belangrijk punt is dat de zedelijke grondslagen waarop verschillende beschavingen of culturen zijn gebouwd, altijd een bovenzinnelijke of metafysische achtergrond hebben gehad. Het is nauwelijks mogelijk een cultuur te vinden die niet voortkomt uit de overtuiging dat er een hogere, mysterieuze wereldorde buiten ons bereik bestaat, een hogere bedoeling die de bron van alle dingen is, een hoger geheugen dat alles registreert, een hoger gezag waaraan we allen op een of andere manier verantwoording zijn verschuldigd. Die orde heeft duizend gezichten gehad; de geschiedenis van de mens kent een enorme verzameling goden en godheden, religieuze en geestelijke geloofsvormen, rituelen en liturgieën. Toch is de sleutel tot het bestaan van de mens, de natuur en het heelal, en ook de sleutel tot wat er op het gebied van de verantwoordelijkheid van de mens nodig is, sinds onheuglijke tijden altijd gevonden in wat boven de mensheid uitstijgt, in wat daarboven staat. Wil de wereld overleven dan moet de mensheid dit eerbiedigen. Dat uitgangspunt was aanwezig in al onze oeroude begrippen en in onze lang gekoesterde instinctieve kennis, ondanks de duidelijke vervreemding van deze waarden die met de moderne beschaving is gekomen. Maar al neemt onze eerbied voor de mysteries van de wereld af, we kunnen zelf telkens weer zien dat het ontbreken van die eerbied tot ondergang leidt. Dit alles wijst er duidelijk op waar we moeten zoeken naar wat ons verenigt: in een besef van het bovenzinnelijke.
     Ik heb geen speciale aanbevelingen over hoe we dit besef weer tot leven kunnen brengen, een besef dat de hele mensheid eens heeft gehad, hoe het terug te halen uit de diepten waarin het is weggezakt, of hoe dit te doen op een manier die bij deze tijd past en tegelijk universeel en voor iedereen aanvaardbaar is. Maar telkens wanneer ik erover nadenk, ongeacht de context, moet ik wel concluderen dat juist dit het punt is waar ons zoeken naar een middel voor vreedzaam samenleven in deze wereld moet beginnen, en naar een middel om de mensheid te behoeden voor de vele gevaren bij het overleven die onze beschaving met zich meebrengt. We moeten nieuwe wegen zoeken teneinde het vermogen te herstellen om gevoelig te zijn voor wat het menselijke te boven gaat, voor wat zin geeft aan zowel de wereld om ons heen als het leven van de mens zelf.
     Dostojevski heeft geschreven dat als er geen God was, alles zou zijn toegestaan. Eenvoudig gezegd komt het me voor dat onze tegenwoordige beschaving, die het besef is kwijtgeraakt dat de wereld een geest heeft, denkt dat alles is geoorloofd. De enige geest die we erkennen is die van onszelf.
     Hoe ongelijk de wegen die verschillende beschavingen volgen ook zijn, we kunnen de hele geschiedenis door in de kern van de meeste religies en culturen dezelfde fundamentele boodschap vinden: de mensen behoren God te eren als een verschijnsel dat hen te boven gaat; ze zouden elkaar moeten respecteren; en ze behoren hun medemens geen kwaad te doen. Volgens mij is nadenken over deze boodschap de enige weg uit de crisis waarin de wereld zich nu bevindt. Natuurlijk moet dat nadenken niet door vooroordelen worden gehinderd, en het moet kritisch zijn, wie ook het doelwit van die kritiek blijkt te zijn.
     Sta me toe een specifieke illustratie van dit algemene idee te geven. De tegenwoordige Euro-Amerikaanse wereld heeft een vrij consequent waardestelsel voor het menselijk bestaan ontwikkeld, dat nu ook is geaccepteerd als de grondslag voor de internationale coëxistentie. Tot die waarden behoren onder andere de opvatting over mensenrechten en vrijheden die voortkomen uit het respect voor de individuele mens en voor zijn of haar waardigheid. Ze omvatten de democratie die berust op scheiding van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht, op politiek pluralisme en vrije verkiezingen. En ze omvatten eveneens respect voor het particuliere eigendom van onroerend goed en voor de regels van de markteconomie. Ik onderschrijf dit waardestelsel onvoorwaardelijk en dat doet ook de Republiek Tsjechië.
     En toch worden vanuit verschillende delen van de wereld, waaronder het gebied van de Stille Oceaan, vraagtekens gezet bij deze waarden; men voert aan dat men door één enkele cultuur is voortgebracht en niet zomaar massaal naar een andere cultuur kan worden overgeplaatst. Natuurlijk vindt men in het westen veel waarop iets is aan te merken, waarmee men wil aantonen dat deze waarden zwakke plekken hebben of ongeschikt zijn. Een typisch argument is dat de westerse democratie wordt gekenmerkt door een ernstige gezagscrisis en dat de samenleving zonder respect voor een autoriteit als middel om wet en orde te garanderen, is gedoemd uiteen te vallen.
     Het vreemde is dat degenen die dat zeggen zowel gelijk als ongelijk hebben. Ze hebben zeker gelijk als ze zeggen dat de westerse wereld aan een gezagscrisis lijdt. Maar is die gezagscrisis een rechtstreeks gevolg van democratie? En als dat zo zou zijn, volgt daar dan uit dat een autoritair regime, een dictatuur of een totalitair stelsel boven een democratie is te prefereren? Dat is zeker niet het geval.
     De tegenwoordige gezagscrisis is maar een van vele gevolgen van de algemene geestelijke crisis in de wereld van vandaag. Nu de mensheid haar eerbied voor een hogere, bovenaardse autoriteit heeft verloren, raakt ze noodzakelijk ook het ontzag kwijt voor alle aardse autoriteit. Daardoor verliezen de mensen tevens het respect voor hun medemensen en uiteindelijk voor zichzelf. Zo’n verlies aan bovenzinnelijk perspectief, waarmee alles op deze aarde verband houdt, leidt onvermijdelijk ook tot de ondergang van aardse waardestelsels. De mensheid is het zicht kwijtgeraakt op wat ik ooit de absolute horizon heb genoemd; als gevolg daarvan is alles in het leven betrekkelijk geworden. Alle verantwoordelijkheidsgevoel brokkelt af, waaronder verantwoordelijkheid tegenover de menselijke gemeenschap en haar autoriteiten. Dat is een filosofisch, niet een politiek probleem. Maar zelfs een democratisch gezag dat in verval is of afneemt, is duizendmaal beter dan het door en door fictieve gezag van een dictator dat wordt opgelegd door middel van geweld of hersenspoeling.
     De kansen voor een geslaagde existentiële revolutie – zoals ik de bewustwording van een diepergaande menselijke verantwoordelijkheid eens figuurlijk heb omschreven – zijn veel beter onder vrijheid en democratie dan onder een dictatuur, waar de enige ruimte die iemand wordt geboden die verantwoordelijkheid wil dragen een gevangeniscel is.
     De westerse wereld kan niet worden bekritiseerd omdat ze vasthoudt aan democratie. Waar het westen wel op kan worden bekritiseerd is zijn mislukking om die fantastische verworvenheden naar waarde te schatten en veilig te stellen. Omdat het verlamd is door een algemene morele crisis heeft het niet alle mogelijkheden van deze grootse vinding kunnen verwezenlijken, of een betekenisvolle inhoud kunnen geven aan de ruimte die erdoor is ontstaan. Door deze tekortkomingen is het gekken steeds weer gelukt de democratie te vernietigen en in de wereld een veelheid van verschrikkingen te ontketenen.
     Welke conclusie moeten we hieruit trekken? Dat er geen reden is om bang te zijn voor democratie; of haar te zien als een stelsel dat gezag noodzakelijk afbreekt en alles overhoop haalt. Een andere weg staat open voor wie deze afbraak willen voorkomen: ze kunnen de uitdaging aannemen om hun eigen verantwoordelijkheid te tonen en de ziel en de essentie naar voren brengen – of liever herstellen – die de democratie had toen ze pas was ontstaan. Dat is een bovenmenselijke taak, maar een die binnen het open systeem van de democratie kan worden volbracht.
     In culturen waar de democratische wortels nog ondiep zitten of waar de democratie tot dusver helemaal geen wortel heeft geschoten en waar een vrij individu praktisch niets betekent en de leider almachtig is, doen de leiders vaak een beroep op de eeuwenoude tradities van autoriteit in hun gebied en proberen hun dictatoriaal bewind te legitimeren door te beweren deze tradities voort te zetten.
     Ook hier hebben ze zowel gelijk als ongelijk. Ze hebben ongelijk omdat wat ze voorstellen als de voortzetting van oude tradities in feite de ontkenning ervan is. Hoewel ze het natuurlijke gezag in herinnering brengen dat leiders kunnen hebben in hun cultuur, vervangen ze het door een onnatuurlijke autoriteit. In plaats van op charisma gebaseerd gezag, gezag als een innerlijk waargenomen en algemeen geaccepteerde hogere roeping, gezag dat wordt gekenmerkt door een hoge mate van verantwoordelijkheid voor hun zelfopgelegde taak – in plaats daarvan, vestigen ze de puur uiterlijke autoriteit van de zweep.
     Dus – eenvoudig gezegd – als het oosten de democratie en de daaraan verbonden waarden van het westen kan overnemen als een kader waarbinnen door een heroplevend gevoel voor het bovenzinnelijke het gezag kan worden hersteld, dan kan het westen van het oosten leren wat echt gezag is, waar het uit ontstaat en hoe het zich gedraagt. Het kan zich dan verspreiden over de hele regio waarin het voor de mens vrijheid heeft gecreëerd. In dit verband denk ik aan Confucius, die zo goed heeft beschreven wat het betekent echt gezag uit te oefenen. Zijn normen hebben erg weinig gemeen met de denkbeelden van de mensen van nu met de zweep. Voor hem is gezag – hetzij van een gezinshoofd of van een staatshoofd – een metafysisch verankerde gave die haar kracht ontleent aan de toegenomen verantwoordelijkheid van degene die haar bezit, en niet aan de kracht van de machtsmiddelen die hij of zij hanteert. Maar charisma gaat verloren wanneer iemand verraad pleegt tegenover die verantwoordelijkheid.
     Al zien veel mensen ze als tegenpolen, in zekere zin zijn zowel het oosten als het westen in hetzelfde probleem verstrikt: ze plegen beide verraad tegenover hun eigen diepste spirituele wortels. Als ze eens terug zouden kijken en aan die wortels meer van hun levenschenkende energie zouden onttrekken, zou elk het niet alleen zelf beter doen, maar onmiddellijk de ander beter gaan begrijpen dan nu.
     Dit is een klein voorbeeld van wat het westen aan het oosten kan geven, en omgekeerd, en het kan misschien duidelijk maken dat het zoeken naar gemeenschappelijke beginselen en doelstellingen voor iedereen nuttig kan zijn en dat dit kan worden nagestreefd zonder dat iemand daarbij zijn identiteit verliest. Het laat ook zien dat dit zoeken ondenkbaar zou zijn als we geen contact maakten met de oorspronkelijke, langvergeten bovenzinnelijke wortels van onze cultuur. In de ethische opvattingen van de oudheid, het jodendom en het christendom – en zonder deze zou het westen nauwelijks tot democratie zijn gekomen – kunnen we meer punten van overeenstemming met Confucius vinden dan we hadden verwacht, en meer dan zij beseffen die zich op de confucianistische traditie beroepen om de westerse democratie te veroordelen.
     Ik hoop dat u heeft begrepen wat ik heb willen zeggen, ondanks mijn Tsjechische accent en de vereenvoudigde wijze waarop ik in een paar zinnen heb geprobeerd om enkele van mijn gedachten over de wereld van vandaag samen te vatten. Volgens mij heeft de tegenwoordige beschaving alleen een kans als ze zich helder bewust is van haar multiculturele karakter, en ze haar innerlijke ziel radicaal versterkt en een eensgezinde inspanning levert om de gezamenlijke geestelijke wortels van alle culturen te zoeken, want die kunnen alle mensen verenigen. We zouden de normen en ons handelen op deze grondslag opnieuw moeten formuleren waardoor we in vrede kunnen samenleven zonder dat we onze identiteit hoeven op te geven. We hebben nu de gelegenheid een geheel nieuw tijdperk van wederzijdse inspiratie in te gaan. De eerste voorwaarden daarvoor zijn oprechte openheid, de wil om elkaar te begrijpen en het vermogen om over de grenzen van onze eigen gewoonten en vooroordelen heen te stappen. Identiteit is geen gevangenis; het is een uitgangspunt voor een dialoog met anderen.
     U bent allen hartelijk welkom in de Republiek Tsjechië, een klein land dat midden in Europa ligt. Daarbij hoop ik dat u onderweg niet over slagvelden hoeft te reizen en dat u zult ervaren wat ik ondervind als ik reis: dat onze planeet klein is en een tamelijk aardige plek om te wonen, en dat het de grootste dwaasheid zou zijn als degenen die bestemd zijn er samen op te leven daar niet in zouden slagen, terwijl toch liefde voor de medemens het voornaamste gebod is in al onze met elkaar wedijverende culturen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency