Boekbespreking
I.M. Oderberg

 

Temple of the Cosmos: The Ancient Egyptian Experience of the Sacred [Tempel van de kosmos: de oude Egyptische ervaring van het heilige], Jeremy Naydler, Inner Traditions International, Rochester, VT, 1996; 310 blz., isbn 0-89281-555-8, paperback.



Dit boek gunt ons een blik op de oude Egyptische beschaving. Het roept niet alleen de atmosfeer van de mythen op, maar schept opnieuw de uitzonderlijke band die we daarmee hebben, waardoor we kunnen begrijpen wat het betekent om als heilige entiteiten onderdeel te zijn van steeds voortgaande kosmische processen. Naydler, een filosoof, beschikt voor zijn taak over een gedegen kennis van de egyptologie. Hij is het oneens met de opvatting dat het westen zijn cultuur te danken heeft aan twee bronnen – het oude Griekse en het monotheïstische erfgoed – en onderstreept dat er een ouder en diepzinniger erfgoed is dat teruggaat op de eraan voorafgaande cultuur van het oude Egypte.

Naydler ontleent zijn titel aan een passage in het Corpus Hermeticum, een Alexandrijnse verzameling van Griekse en Latijnse vertalingen van oude Egyptische teksten die ongeveer 2000 jaar geleden zijn gemaakt:

Egypte is een evenbeeld van de hemel of, om het nauwkeuriger uit te drukken, in Egypte zijn alle werkingen van de krachten die in de hemel heersen en actief zijn, overgebracht naar een lagergelegen plaats. Zelfs meer dan dat, als de hele waarheid zou worden verteld, is ons land de tempel van de hele kosmos.      – ‘Asclepius’ 3.29

Er volgt dan een profetie die verwijst naar een tijd dat ‘de tempel van de kosmos’ zal worden verwaarloosd. Naydler brengt dit in verband met onze tijd waarin een negatieve houding ten opzichte van de aldoordringende levenskracht reeds heeft geleid tot decimering van de regenwouden, verontreiniging van de wateren op aarde, en andere nadelige effecten. Verder suggereert hij dat de profetie een breder historisch proces aanduidt dat zich uitstrekt tot in de onmiddellijke toekomst: de bestemming van de westerse beschaving. Maar de profetie omvat nog een tweede deel:

Als dit alles heeft plaatsgevonden, . . . zal er een vernieuwing optreden van het menselijk bewustzijn van het heilige. Verwondering en eerbied zullen opnieuw het menselijk hart vervullen. Overal zal men zich opnieuw bewust worden van het goddelijke, . . . Dit zal een nieuwe geboorte van de kosmos betekenen, ‘een heilig en ontzagwekkend herstel van de hele natuur’.      – blz. viii

Volgens de auteur beschikken we over een sleutel om te begrijpen wat hier aan de hand is, als we kijken naar het land Egypte zelf, dat is verzadigd door de zon en door zonne-invloeden in het algemeen:

Het is alsof men hier, in deze unieke omgeving, dichter dan waar ook in de wereld nadert tot een ervaring van de universele krachten van leven en dood, die hun onderling vijandige maar ook elkaar aanvullende rollen spelen. Ze wedijveren met elkaar, ze strijden met elkaar, maar er is ook een soort harmonie in deze aanhoudende spanning en strijd van de een binnen de ander. Geen van beiden kan de ander uitdrijven, en dus bestaan ze in een toestand van dynamisch evenwicht.      – blz. 3

Dit proces wordt geïllustreerd in de mythe van de eeuwige touwtrekkerij tussen de neteru Set en Osiris. In veel vertalingen van de teksten is het Egyptische woord neter (meervoud neteru) vertaald met ‘god’ of ‘goden’ in de westerse betekenis. Ze waren echter de goddelijke ‘beginselen’ of intelligente uitdrukkingsvormen van de energieën van goddelijke wezens. Set werd gesymboliseerd door de schijnbare onvruchtbaarheid van de woestijn, terwijl Osiris, met een groen gezicht om de productieve vegetatie voor te stellen, werd geïdentificeerd met de Nijl als ‘maker’ van het land en aardse tegenhanger van de melkweg. Men dacht dat deze dualiteit universeel was, zodat mens en kosmos beide voldeden aan een of ander fundamenteel ontwerp, waarbij in de details aanzienlijke variaties mogelijk waren, voortgekomen uit de inherente kwaliteiten die in ieder wezen latent aanwezig zijn.

Dit houdt verband met een ander belangrijk onderwerp in deze voortreffelijke studie: ruimte. Maar al te vaak zijn we geneigd ruimte te zien als iets dat alleen maar dingen bevat, maar de Ouden hadden een heel andere opvatting. Voor de Egyptenaren was ruimte geen abstractie; daarbij speelde een innerlijke betekenis een rol en dacht men dat de manifestatie binnenin de ruimte kiemde, en daardoor kwamen uit het ‘hart’ ervan een enorm scala van wezens tevoorschijn waarvan mensen zich bewust werden toen hun eigen innerlijke geestelijke vermogens steeds meer tot bloei begonnen te komen.

Zoals Naydler aangeeft, staat de mensheid op de culturele drempel van een nieuwe ‘beschaving’ die een hergroepering inhoudt, in het leven geroepen door tot nu toe sluimerende menselijke vermogens. De vraag die aan ieder van ons wordt gesteld is of we gereed zijn onszelf aan te passen aan een nieuw wereldbeeld. In zijn naschrift stelt Naydler:

In het bijzonder twee valkuilen moet men vermijden. De ene is dat we ons overgeven aan een nostalgisch verlangen naar een voorbij tijdperk en een wijze van gewaarzijn die voor ons vandaag de dag niet meer geschikt is. Terwijl we misschien ons uiterste best moeten doen om voedsel te geven aan het ons bewust worden van de spirituele vermogens of neters, doen we de meest belangrijke verworvenheden van de westerse historische reis teniet als deze hernieuwde bewustwording ten koste gaat van de vrijheid en psychische1 autonomie, en dus van de morele verantwoordelijkheid, die het moderne zelfgevoel bepaalt. De tegenovergestelde valkuil is dat we onze eigen cultuur zozeer overwaarderen dat we òf onze moderne vooronderstellingen op de mensen uit de oudheid projecteren, en aannemen dat ze bijna net zo dachten en voelden als wij, òf anders de antieke cultuur met een wantrouwende blik beschouwen en die verwerpen als doortrokken van primitief geloof en bijgeloof dat wij allang te boven zijn gekomen.      – blz. 282

Naydler beveelt ons niet aan ons te begeven in het formele aspect van het oude Egypte, maar wijst erop dat er veel te leren valt van de opvatting dat universeel leven een voortgaand proces is waarmee we nog steeds nauw zijn verbonden.

Het belang van het oude Egypte voor deze tijd ligt daarin dat het ons eraan herinnert dat onze cultuur diepere wortels heeft dan we misschien dachten, dieper niet alleen in historische maar ook in spirituele zin. Door deze wortels aan te boren, begeven we ons naar een diepzinnige bron van inspiratie en leiding. Maar tegelijk moeten we ons realiseren dat de herstelde tempel niet de zelfde vorm zal hebben als de tempel die was verwaarloosd.      – blz. ix

Naydler raadt ons aan in dialoog te gaan met de Egyptische ervaring van de levende kosmos, die vol wezens is die zich in verschillende stadia bevinden van het van binnenuit ontvouwen van hun kwaliteiten. Als we de noodzaak van zo’n dialoog zouden inzien, zouden we onze geestelijke basis herkennen. En, zoals hij opmerkt: ‘Als men deze basis herkent, bestaat de werkelijke uitdaging uit het bouwen aan de toekomst’.

 

Noot

  1. In de betekenis van het Griekse woord psyche, ziel. –IMO  
 
Oude culturen/beschavingen: Egypte
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency