Een nalatenschap van mededogen
Grace F. Knoche

 

Vorig jaar nam de wereld binnen een week afscheid van twee bijzondere vrouwen, de Engelse Prinses Diana, die door haar zorg en praktische steun voor de armen en behoeftigen bij zovelen zeer geliefd was, en Moeder Theresa, ‘Heilige van de armenwijken’ van Calcutta, een Albanese non die sinds 1950 de ‘armsten van de armen’ had verzorgd opdat ze ‘waardig en met liefde’ zouden kunnen sterven.
     Toen ik nadacht over het merkwaardige samenvallen van hun dood, viel mijn oog op de subtitel van het laatste boek van Elisabeth Kübler-Ross, The Wheel of Life: ‘Memoir of Living and Dying’ (Het wiel van het leven: verslag over leven en sterven). Na een halve eeuw te hebben gewerkt als arts en psychiater, schrijft ze:

     Ik heb geleerd dat er geen geluk is zonder lijden. Er is geen vreugde zonder pijn. . . . Als er geen dood was, zouden we het leven dan wel waarderen? Als er geen haat was, zouden we dan weten dat het uiteindelijke doel liefde is?

     Dr. Kübler-Ross maakt haar lezers openlijk deelgenoot van de kern van haar levenslange strijd om de medische wetenschap ontvankelijk te maken voor de niet-uitgesproken behoeften van hun patiënten, en om meer aandacht te geven aan wat men kan leren van hen die de grens nabij zijn. Vaak willen de stervenden aan een welwillende luisteraar graag iets vertellen over wat ze meemaken wanneer de sluiers van het bestaan dunner worden en ze zich ervan bewust worden dat ze aan een nieuwe geboorte beginnen. Vooral door kinderen werd dit diepgaand gevoeld, ‘die ons meer leren dan de ouderen’. Ze vraagt ons onze benadering van de dood te veranderen, en deze te zien als de heiligste en mooiste ervaring van het leven: het laatste hoofdstuk vóór ons binnengaan in het licht.
     Helaas mijden de meeste artsen en verplegers nog steeds het gevreesde woord dood, waarbij ze oprecht denken dat ze de stervenden helpen door de schijn te bewaren dat ze snel zullen herstellen. Een radicale verandering van houding had allang moeten plaatsvinden. Ze moeten ook beseffen dat hoewel het lichaam misschien niet meer reageert, het bewustzijn zich vaak scherp bewust is. Toen een vriend van mij 15 jaar was, verkeerde hij schijnbaar in een coma, en de dokters en verplegers bespraken zijn geval in zijn bijzijn. ‘Deze jongen gaat ons verlaten, maar geef hem rust tot het einde’ – ironisch genoeg bleek dit het medicijn dat hij nodig had. Op dat moment besloot hij te leven. Hij herstelde, en stierf pas onlangs toen hij een stuk in de tachtig was na een lang en vruchtbaar leven, geliefd door kinderen en kleinkinderen.
     Hoe diepgaand Kübler-Ross de beoefening van de geneeskunst en de verpleging heeft beïnvloed door haar brede humanitaire benadering kan niet worden gemeten. Haar revolutionaire houding om met liefde en respect te luisteren naar de stervenden, waarbij ze vriendelijk en openlijk met hen spreekt over hun gevoelens, hun angsten en verdriet, is een gave van onschatbare waarde. Als we maar gevoelig genoeg zijn om aandacht te schenken aan hun onuitgesproken wens, zullen velen vertellen over de ontsluierende ervaringen die ze in de laatste stadia van hun leven hebben gehad.
     Ja, om de dood als een vriend te herkennen en niet als een vijand geeft zowel jong als oud de waardevolle kans om verborgen angsten weg te nemen en te komen tot een rustige aanvaarding van en voorbereiding op de grote verandering. Dr. Ross laat ons op welsprekende wijze delen in haar overtuiging dat we naar de aarde komen om te leren, en dan ‘mogen we overgaan. We mogen ons lichaam afwerpen, dat onze ziel gevangen houdt zoals een cocon de toekomstige vlinder omhult, en wanneer het juiste moment aanbreekt kunnen we het loslaten . . . vrij als een prachtige vlinder . . .’
     Elk leven en sterven heeft een goddelijk doel, en of we veel of weinig jaren hebben geleefd is van minder belang dan de strekking en kwaliteit van onze diepste aspiraties. Er zijn nauwelijks twee meer tegengestelde personen te vinden dan Prinses Diana en Moeder Theresa, maar ongetwijfeld waren ze vrienden van het hart en van de geest, verbonden door zich liefdevol één te voelen met de verworpenen en de hulpelozen, de zieken en de stervenden. Mededogen kent geen grenzen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency