Grotere dingen dan deze . . .
Elsa-Brita Titchenell

 

Is het niet verbazingwekkend hoezeer we aan een idee vasthouden als het zich eenmaal heeft gevestigd, zelfs als we eraan beginnen te twijfelen? Ruim een eeuw is verstreken sinds de mening werd verkondigd dat de mens het hoogste voortbrengsel van het dierenrijk zou zijn. Er zit natuurlijk een schijn van troost in de gedachte dat als we ons slecht gedragen, dit komt omdat we feitelijk dieren zijn met een dun laagje ‘beschaving’, en dat het eigenlijk niet onze schuld is! Maar, gezien de menselijke eigenschappen die we wel bezitten, is dit excuus misplaatst. De slechtste dienst die de mens is bewezen is hem ervan te willen overtuigen dat hij niet meer is dan een hoger dier dat op een of andere manier handen en voeten heeft gekregen, een spraakvermogen, en een zekere mate van intelligentie als gevolg van een naar verhouding groter hersenvolume.
     De oppervlakkige gelijkenis tussen de mensen en de hogere apen is op sommige momenten misschien zelfs meer uitgesproken geweest dan nu, maar ondanks de uiterlijke schijn is er een gapende kloof tussen de hoogste vormen van dierlijk en de laagste vorm van menselijk leven, want hoewel het juist is dat de mens dierlijke kenmerken bezit, gaat het omgekeerde niet op. De redeloze dierenwereld bezit geen typisch menselijke kenmerken. Om dit duidelijk te maken moeten we bekijken welke eigenschappen verwijzen naar de menselijke en welke naar de dierlijke natuur. Er is veel ophef gemaakt over de intelligentie van dolfijnen, honden, vogels en chimpansees, maar we zitten nog steeds te wachten op de originele en nuttige ideeën en uitvindingen afkomstig van deze sympathieke, maar ongetwijfeld minder ontwikkelde wezens. Veel van de prestaties die ze leveren zijn bedacht door menselijke hersenen en hun intelligentie is vaak beperkt tot het uitvoeren van lichamelijke prestaties volgens aanwijzingen van de mens. Als een dier in staat is een oorspronkelijk toestel uit te denken en te construeren, een filosofie op te stellen, of een tekst op te stellen vol schoonheid en diepgang, dan pas kunnen we spreken van een dierlijk intellect vergelijkbaar met dat van de mens.
     Zonder twijfel zal worden tegengeworpen dat dieren een hogere eigenschap hebben in hun instinct, dat handelingen dicteert die wijs en geschikt zijn om te kunnen overleven. Maar we moeten er wel aan denken dat de mens dit doeltreffende werktuig tot overleven voor een groot deel heeft verspeeld ten gunste van kennis en de mogelijkheid tot kiezen. Terwijl de dieren instinctief de wetten gehoorzamen van hun soort, heeft de mens niet alleen het voorrecht maar ook de plicht om logisch te denken, en zo goed hij kan zijn juiste koers uit te zetten. Aan dit vermogen voegt hij de wijsheid van ervaring toe en hij verzamelt herinneringen in de vorm van een geweten. Doordat hij zelfbewust is, kan hij bepalen hoe hij zich zal gedragen ten opzichte van zijn omgeving. Lichamelijk mag hij dan zijn opgesloten in een omhulsel van gelijke soort als in de dierenwereld wordt gebruikt, maar wie zou een dier taken opleggen die de wonderen, tot stand gebracht door het denkvermogen van de mens, kunnen evenaren?
     Veel verwarring is ontstaan door de gewoonte om wezens in de eerste plaats te zien als lichamen — al of niet bezield. Praktisch gezien wordt de feitelijke ervaring van het leven gedragen door het bewustzijn dat kennis neemt van zijn omgeving en daarop reageert, terwijl het lichaam het fysieke contact verschaft met de omgeving. Het bewustzijn in de mens verschilt van dat van het dierenrijk zoals het laatstgenoemde verschilt van het plantenrijk en dit van het delfstoffenrijk. Elk hoger natuurrijk brengt meer kennis, herinnering, en wil met zich mee — samen met een toenemende vrijheid — dan het voorafgaande terwijl het bewustzijn voortgaat, en er meer ervaring wordt verzameld en opgeslagen om te dienen als grondslag voor toekomstige levens.
     Groei is daarom niet zozeer het gaan van lagere naar hogere vormen, als dat het een uitbreiding is van een beperkter naar een minder beperkt bewustzijn. Een entiteit die leeft in het delfstoffenrijk zou daarom slechts een rudimentair bewustzijn hebben — tenminste gezien vanuit ons standpunt — terwijl een uit het plantenrijk ditzelfde zou bezitten plus een ruimer eigen bewustzijn, en het dier heeft een nog ruimere gewaarwording. De mens omvat binnen zijn bewustzijn al de fijnere eigenschappen van de lagere rijken plus die welke hij heeft ontwikkeld tijdens zijn verblijf in een menselijke vorm. Als we evolutie bezien vanuit het standpunt van innerlijk bewustzijn, dan blijkt de fysieke mutatie van vormen eerder een gevolg dan een oorzaak te zijn. Weliswaar vinden veranderingen plaats door aanpassingen aan de omgeving, maar overgangen van de ene soort naar de andere kunnen niet volledig worden begrepen, tenzij we inzien dat het inwonende bewustzijn zich gereedmaakt om een hogere vorm te benutten en, als het zover is, zich daarin te belichamen.
     De opvattingen lopen in deze tijd ver uiteen: enerzijds tracht men het beestachtige gedrag van mensen te rechtvaardigen en tegelijk de niet-stoffelijke kant van de mens te verkennen. Het ruime gebied van het menselijke bewustzijn omvat geestelijke impulsen, een zin voor schoonheid en mededogen, edele filosofische denkbeelden, zowel als de twijfelachtige verschijnselen van buitenzintuiglijke waarneming en dergelijke, en de dwaze, zelfs afschuwelijke diepten van ontaarding. Maar ook veronachtzamen we de verheffende en grootsere delen van onze natuur en laten het grotere potentieel van het menselijke bestaan grotendeels onverkend.
     De evolutiedrang is een sterke drijfveer in alle leven, niet in het minst in dat van de mensheid, waar het accent valt op andere wegen dan lichamelijke mutaties, want voor de menselijke evolutie staan wegen open die voor andere natuurrijken gesloten zijn. De geschiedenis vermeldt voorbeelden van mensen die waarlijk mens zijn geworden — volkomen menselijk — en die hebben de grote stroom van de zich ontwikkelende mensen tekenen gegeven om te worden zoals zij, op te klimmen naar hoogten van zelfbewustzijn, kortom de bestemming van evolutionaire groei te bereiken. Ik betwijfel of Christus of Boeddha lichamelijk waarneembaar verschilden van de overige mensen waarmee ze in contact kwamen. Niets wijst daarop. Maar wie kan eraan twijfelen dat deze en andere wijzen in de voorhoede van de evolutie, met kop en schouders boven ons uitstaken, en verder waren dan de enge bandbreedte van bewustzijn waarmee de meesten van ons zich tevredenstellen. Aan alle grote figuren worden wonderen toegeschreven, maar wie kan zeggen welke ‘wonderen’ tot stand kunnen worden gebracht door een geoefend denkvermogen dat zich heeft verenigd met zijn geestelijke centrum en dat zich onbaatzuchtig inzet voor de ontwikkeling van zielen. Laten we nooit deze woorden vergeten: ‘en grotere dingen dan deze zult gij doen’.
     Er wordt overmatig veel nadruk gelegd op het schijnbaar wonderbaarlijke, het spectaculaire, waarnaar, of het nu echt is of namaak, altijd onderzoek mogelijk moet zijn. Veel belangrijker is een kritische geest die keuzes toelaat en deze dagelijks maakt — waardoor deze zich uitbreidt of vernauwt. Groei in bewustzijn gaat onvermijdelijk samen met ruimhartige, liefhebbende, edelmoedige neigingen, terwijl zelfzucht de ziel doet inkrimpen tot uiteindelijk een verdwijnpunt wordt bereikt. Welke verheven hoogten van het zijn kunnen er juist buiten ons huidige bereik liggen, en die in het vooruitzicht liggen van de mensheid in zijn worsteling met de dagelijkse verwarring, waar grootsheid en begrip bestaan, en bewustzijn, de innerlijke essentie van ons allen, universeel is.

 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency