Het is onmogelijk in een kort overzicht een afgerond beeld te schilderen
van een wereldfiguur die met haar veelzijdige natuur zowel loyale medestanders
als wrede lasteraars aantrok. Deze begaafde vrouw was autocratisch,
en toch meedogend als er fouten werden gemaakt, ze was een organisator,
opvoeder, redenaar, weldoener van gevangenen en de vergeten armen, en
streefde er als Leader van de theosofische beweging drieëndertig
jaar consequent naar om aan een ontmoedigde mensheid ‘waarheid,
licht en bevrijding’ te brengen.
Catharine Augusta Westcott werd op 6 juli 1847 in Newbury, Massachusetts
geboren en volgde onderwijs in de scholen van Newburyport en bij privéleraren;
ze studeerde ook piano, zang en harp. Maar, zei ze,
Ik had altijd het gevoel dat mijn werkelijke leraar,
als hij een leraar kan worden genoemd, zich in mezelf bevond. Zelfs
als kind sprak ik altijd op die manier, waardoor mijn vader bang was
dat ik tegen de tijd dat ik eenentwintig was enigszins gestoord zou
zijn! Niettemin was de overtuiging dat mijn werkelijke leraar zich
in me bevond heel sterk. Toen ik vier of vijf jaar was, bracht ik
mijn familie vaak in verwarring door ze te vertellen dat ik de bomen
hoorde zingen en veel van dat soort zaken, die voor mensen in die
tijd in New England heel griezelig waren, waar de macht van dogmatisme
en conventies zeer sterk was. Dus leidde ik tijdens mijn gehele jeugd
een erg geïsoleerd leven, afgezien van het inspirerende gezelschap
van mijn grootvader.
. . . Wanneer de anderen naar de kerk gingen, ging
ik vaak weg, met mijn hond de bossen in. Daar leerde ik enkele van
de grote geheimen van het leven. . . . Daar vond ik mezelf; daar ontdekte
ik het beetje geestelijke kracht dat ik bezat. Daar had ik in zekere
zin het visioen dat het werkelijke leven verbazingwekkend en mooi
is, maar dat de mensheid als geheel in de vallei van de schaduwen
leefde omdat we als een volk nog niet een hogere positie hadden bereikt,
we onszelf nog niet vertrouwden, omdat we door de onjuiste leringen
van het verleden waren ingekapseld.
– The Splendor of the Soul,1
hfst. 1
Onder de grote eiken en pijnbomen die langs de Merrimack Rivier stonden,
droomde Catherine vaak over de Witte Stad die ze eens zou bouwen in
het gouden land van het westen. Maar het jonge meisje moest veel persoonlijk
verdriet ervaren en de wrede onverschilligheid van de menselijke natuur.
In haar vroege tienerjaren kwam ze voor het eerst in aanraking met ‘de
verschrikking en weerzinwekkende krankzinnigheid’ van de oorlog.
Als kapitein van een regiment verhuisde haar vader met zijn gezin in
1861 naar Virginia. Na de Zevendaagse Veldslag, zagen Catherine en haar
broer vanuit hun raam hoe soldaten terugzwierven naar hun kampement
vlakbij het huis van de Westcotts. ‘Plotseling kon ik het niet
langer uithouden; ik liet mijn ‘mammy’ . . . naar beneden
komen bij mij in de keuken en daar zochten we alles bij elkaar’
en gingen eropuit om de mannen te eten te geven en te verzorgen.2
Haar vader was ontsteld. Hij vreesde dat haar impulsieve, meedogende
natuur haar in ernstige problemen zou kunnen brengen, en hij schreef
haar al snel in bij het Villa Marie klooster in Montreal, Quebec –
tot ‘grote ergernis’ van haar grootvader. Tijdens haar verblijf
aldaar brak er een brand uit in Quebec en Catherine voerde haar klasgenoten
aan en vormde een ‘liefdadige organisatie om de slachtoffers van
de brand te helpen’.3
Nadat ze het klooster had verlaten, volgden twee weinig succesvolle
huwelijken, beide zonder kinderen. Terwijl ze in New York woonde, drukte
de benarde situatie van de gevangenen en de armzalige omstandigheden
van de East Side zwaar op haar. In 1887 vormde ze de ‘Ladies Society
of Mercy’ om ziekenhuizen en gevangenissen te bezoeken. De volgende
lente huwde ze Philo B. Tingley, employé op een stoomschip en
uitvinder, en vanuit hun huis startte ze de ene liefdadigheid na de
andere voor hen die ‘in de strijd om het bestaan waren verslagen’.
In 1893 begon ze in een van de ergste krottenwijken een hulpverleningsdienst
om hete soep en brood te verschaffen aan de nooddruftigen. Op een ochtend
tijdens een sneeuwstorm arriveerde ze vroeg, enkel om honderden gezinnen
aan te treffen die wachtten op voedsel. Terwijl ze aandrong op geduld
tot de soep klaar was, merkte ze in de verte een heer op die haar gadesloeg.
Omdat ze dacht dat ook hij hulp nodig had, wendde ze zich tot een assistent
om hem te benaderen. Maar toen ze weer keek, was hij verdwenen. Na enkele
dagen gaf hij zijn kaartje af bij haar huis: William Q. Judge, vice-president
van de Theosophical Society en hoofd van de Amerikaanse Afdeling ervan.
Hij was het die mij voor het eerst iets liet zien
van de kracht van het denken en me deed beseffen hoe deze het lot
van een mens ten goede of ten kwade kan bepalen. En tegelijk wees
hij me erop dat in de theosofie de oplossing is te vinden voor alle
problemen die me zo hadden gekweld: dat ze de weg wijst naar de juiste
behandeling van de onderdrukten en verschoppelingen van de mensheid,
en naar de juiste middelen tegen armoede, immoreel gedrag en misdaad.
Het eerste wat de theosofie hierover zegt is: hij die het pad dat
naar waarheid voert wil betreden, moet de mislukkingen en de fouten
van zijn medemensen op een andere manier interpreteren. Hij moet de
wet van eeuwige rechtvaardigheid – karma – leren begrijpen,
dat ‘wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten’ –
en hij moet leren inzien dat een onoverwinnelijk mededogen daarom
noodzakelijk is, want zij die falen en tekortschieten doen dat altijd
uit onwetendheid. Misdaad is altijd het gevolg van onwetendheid, en
bestrijding daarvan is onmogelijk als dit niet wordt ingezien.
– De
Goden wachten op ons, blz. 73-4
Katherine Tingley was diep geroerd: dit bevestigde haar sterke gevoel
dat hoe verdorven iemand ook is geworden, of hoe ernstig gehandicapt
— fysiek, emotioneel, zelfs spiritueel — mensen een onbeperkt
vermogen hebben tot verbetering.
Die
ontmoeting bleek een keerpunt te zijn — voor haar, voor Judge,
en voor de Theosophical Society. Hier was de filosofie waarnaar ze had
verlangd en een organisatie waarvan de hoge doeleinden wanneer ze in
het dagelijks leven werden toegepast, als een geestelijk tegengif konden
worden gebruikt tegen de ingesleten opvattingen die de mensheid eeuwen
tegenover religie, onderwijs, de behandeling van gevangenen, tegenover
een ieder die ‘aan de verkeerde kant’ van het leven werd
geboren, heeft gehuldigd, en tevens kon dienen als middel tegen het
barbaarse idee dat oorlogen onvermijdelijk zijn omdat ze het enige middel
zouden zijn om conflicten – burgerlijk, nationaal, raciaal of
godsdienstig — op te lossen.
Katherine Tingley werd lid van de Theosophical Society op 13 oktober
1894, en veertien dagen later accepteerde Judge haar in de Esoterische
Sectie. Ze werkte nauw met hem samen. Maar Judge zou nog amper elf maanden
leven nadat de afgevaardigden die tijdens de conventie op 28 april 1895
bijna unaniem ‘de volledige autonomie’ voor de de Amerikaanse
Afdeling uitriepen en Judge verkozen tot ‘President voor het leven’,
en tegelijk ‘de langdurige en nuttige verdiensten’ van kolonel
H.S. Olcott als president-stichter erkenden.4
Judge stierf in New York op 21 maart 1896, kort vóór zijn
45ste verjaardag.
In sommige van zijn artikelen had Judge verwezen naar Mw. Tingley,
en kort na zijn dood werd ze door hen die het nauwst met hem hadden
samengewerkt als zijn opvolger erkend. Bijna onmiddellijk voelde ze
de dringende noodzaak om een nieuwe gedachtestroom op gang te brengen,
om opnieuw de grondtoon van broederschap aan te slaan, en het denken
en de houding van volkeren — en theosofen waar dan ook —
af te brengen van de onvermijdelijkheid van oorlog en tot de universele
afschaffing ervan te komen door hun wil en energie te richten op wereldvrede
en op het vreedzaam oplossen van geschillen. Als we morgen vrede willen,
zo dacht ze, moeten we beginnen met de kinderen van vandaag.
Ze zette stap na stap in de richting van die doelen. Op de tweede jaarlijkse
conventie in april 1896 werd het voornemen aangekondigd om een School
for the Revival of the Lost Mysteries of Antiquity (SRLMA) [school voor
het doen herleven van de verloren mysteriën van de oudheid] te
stichten. Bovendien werd een verklaring afgelegd van broederlijke goodwill
en een vriendelijk gevoel tegenover theosofen en theosofische organisaties
in de hele wereld. Vervolgens werd op 7 juni begonnen aan een tien maanden
durende Theosofische Wereldkruistocht met als doel om theosofische centra
te bezoeken, nieuwe afdelingen op te richten, en broederschapsmaaltijden
te organiseren voor de armen.5
Een tweede openbare bijeenkomst werd gehouden in Madison Square Garden
in New York op 12 juni. De dag daarop scheepten KT en haar gezelschap
zich in naar Engeland waarbij verschillende bijeenkomsten aan boord
werden gehouden voor eerste- en tweedeklaspassagiers, en voor tussendekspassagiers.
In Engeland begroetten ze eerst de oude leden aan het hoofdkwartier
in Londen, daarna gingen ze naar Liverpool. Hun eerste openbare bijeenkomst
aldaar zette de toon voor de Kruistocht door in het hart van de sloppenwijken
een broederschapsmaaltijd op te dienen voor meer dan 300 van ‘de
armsten der armen, die ieder persoonlijk waren uitgenodigd door de theosofen
uit Liverpool’. Overal in de grote steden van Groot-Brittannië
werden openbare bijeenkomsten gehouden en, waar over genoeg geld kon
worden beschikt, broederschapsmaaltijden; daarna ging het langs de Europese
steden, waarbij in Athene lang genoeg werd gestopt om honderden Armeense
vluchtelingen van voedsel te voorzien, en dan verder naar Egypte, dan
India waar een hulpprogramma tegen hongersnood op gang werd gebracht,
en naar Australië, Nieuw-Zeeland, en Samoa.
Aan het eind van haar wereldtournee arriveerde Katherine Tingley op
13 februari 1897 in Californië, het land van het visioen uit haar
jeugd. Tien dagen later had zij in Point Loma tijdens een indrukwekkende
ceremonie waarvan bijna duizend mensen getuige waren, de leiding bij
het leggen van de hoeksteen voor de School for the Revival of the Lost
Mysteries of Antiquity, en verklaarde dat ‘de school een internationaal
karakter zal hebben, . . . een tempel van levend licht zal zijn, dat
de donkere plaatsen van de aarde zal verlichten’.
Na haar terugkeer in New York vormde KT op 29 april de International
Brotherhood League om haar liefdadige activiteiten te bundelen en uit
te breiden. Het jaar daarop werd in januari de Universal Brotherhood
organisatie opgericht en een maand later werd op 18 februari de Theosophical
Society in America (TSA) met zijn eigen constitutie een wezenlijk deel
van deze nieuwe organisatie. Het belangrijkste doel van de TSA was om
‘literatuur uit te geven en te verspreiden die verband houdt met
theosofie, broederschap, oude en moderne religies, filosofieën,
wetenschappen en kunsten’, alsmede om ‘een grote bibliotheek
te vestigen en op te bouwen’ van oude en moderne bronnen die de
zaak van de universele broederschap steunen. Katherine Tingley werd
erkend als Leader en officieel hoofd van alle afdelingen van het werk
door de Universal Brotherhood and the Theosophical Society in America,
die later bekend zou zijn als de ‘Universal Brotherhood and Theosophical
Society’ (UB & TS).6
 |
| Raja-yoga-academie
en Vredestempel, Internationaal Theosofisch Hoofdkwartier, Point
Loma, Californië |
Het doel van KT was om bij theosofen de nadruk te verleggen naar de
filantropie in woord en daad. In 1899 riep ze in een poging om het hoofd
te bieden aan de groeiende angst in Europa voor een dreigende oorlog,
drie Universal Brotherhood congressen bijeen: in Point Loma op 13 april;
in Stockholm, Zweden, op 13 september, met een receptie die werd bijgewoond
door koning Oscar II en zijn gevolg; en in Brighton, Engeland, op 6
oktober.
Op 13 februari 1900 verplaatste KT het internationale hoofdkwartier
van de Society van New York naar Point Loma, Californië. Binnen
zes maanden en met vijf leerlingen stichtte ze de raja-yoga-school,
een afdeling van de School of Antiquity – die in 1914 een academie
en college werd, en in 1919 een theosofische universiteit. Het raja-yoga-stelsel
van onderwijs verschilde van de scholen uit die tijd door de evenwichtige
ontwikkeling van de gehele natuur, fysiek, mentaal, moreel en spiritueel,
waarbij niet één aspect werd ontwikkeld ten koste van
de andere.
 |
| Eerste
Griekse openluchttheater in Amerika, Point Loma Californië. Gebouwd
in 1901. |
Een ander element vormde het opnemen van muziek, toneel en de schone
kunsten als een vast onderdeel van het geregelde lesprogramma, dat begon
bij driejarigen – niet als een privilege voor de begaafden, want
alle leerlingen, met of zonder talent, leerden een instrument bespelen,
zongen in het koor, kregen les in tekenen en schilderen, en namen in
een of andere vorm deel aan het theaterwerk, waarbij ieder vroeg werd
blootgesteld aan de Griekse drama’s en die van Shakespeare die
werden opgevoerd onder de persoonlijke supervisie van Katherine Tingley
in het Griekse Openluchttheater dat door haar in 1901 was opgericht.
Op haar Wereldkruistocht had KT gelet op die leden die ze zou kunnen
uitnodigen om als leraren en instructeurs te dienen, niet alleen voor
de voorgeschreven lessen voor studenten, maar ook op het gebied van
muziek en visuele kunst. De raja-yoga-scholen stonden bol van de idealen
en doelstellingen van de SRLMA die ieder aspect van het leven en de
activiteiten in Point Loma doordrongen – filantropisch, dramatisch,
opvoedkundig, literair, muzikaal, of op het gebied van tuinbouw, die
alle dienden als een gids en stimulans voor theosofen overal in de wereld.
De activiteiten van de SRMLA omvatten privé theosofische bijeenkomsten
voor verschillende volwassen studenten, waarvan de transcripten wereldwijd
werden verspreid. KT liet bijvoorbeeld van 1924 tot en met 1927 door
G. de Purucker een reeks lezingen houden over H.P. Blavatsky’s
Geheime Leer, die later werden uitgegeven als Fundamentals
of the Esoteric Philosophy [Beginselen van de Esoterische Filosofie,
Theosophical University Press Agency, Den Haag, 1998].
Sinds Katherine Tingley een klein meisje was, was haar hart uitgegaan
naar alle mensen, waarbij ze zich bijzonder inleefde in de
situatie van de sociaal zwakken – ze zette haar liefdadigheden,
zowel persoonlijke als grootschalige, voort tot aan haar dood. In haar
internaten en dagscholen in Point Loma, San Diego, San Francisco, Cuba,
Zweden en Engeland werd het onderwijs in rekening gebracht, waarbij
men dient te begrijpen dat als de omstandigheden dat rechtvaardigden,
kinderen zonder betaling werden toegelaten. In Point Loma kregen honderden
kinderen gedurende kortere of langere perioden gratis onderwijs. Daarnaast
werden verschillende contingenten jongens en meisjes (waarvan velen
door de Spaans-Amerikaanse oorlog wezen waren geworden) naar Point Loma
gebracht en gratis opgevoed, zoals ook in Santiago del Cuba, Pinar del
Rio en Santa Clara, Cuba, waar raja-yoga-academies waren opgericht en
door theosofische vrijwilligers werden gerund.
Een andere opvallende activiteit was het produceren van theosofische
literatuur. Kort na de verhuizing van het internationale hoofdkwartier
van New York naar Point Loma werden de binderij en foto- en graveerafdelingen
ten zuiden van het Griekse Theater gevestigd. Daar publiceerde de Press
inleidende literatuur, brochures, verschillende maandelijkse tijdschriften
– sommige rijkelijk geïllustreerd – en ook theosofische
boeken van HPB, Judge en KT; ook van Kenneth Morris. Men hoeft slechts
Lauren R. Browns The Point Loma Theosophical Society: A List of
Publications 1898-19427 te raadplegen
om onder de indruk te raken van de kwantiteit van wat er werd geproduceerd
en van de kwaliteit van het vakwerk waarmee in 1914 een prijs werd gewonnen
op een boeken- en grafische beurs in Leipzig, Duitsland.
Naast haar opvoedkundige en filantropische successen dient men KT’s
consequente inspanningen voor wereldvrede te beschouwen, zowel vóór,
tijdens als na de Eerste Wereldoorlog. Terwijl ze de constructieve inspanningen
van de vredesconferenties in Den Haag en van genootschappen en conventies
erkende, vond ze dat onze maatschappij en gewoonten, onze psychologie,
moreel verwrongen was, en uit balans: we zijn ervan overtuigd dat periodieke
oorlogen onvermijdelijk zijn, en dus concentreren we ons erop om steeds
dodelijker wapens te maken. ‘Men zegt dat we ons in tijden van
vrede op oorlog moeten voorbereiden. Als we werkelijk geen angst hadden
en ook maar het geringste geestelijke inzicht bezaten, zouden we ons
in tijden van vrede alleen maar op een hogere soort vrede moeten voorbereiden.’8
Op 3 maart 1913 richtte ze het ‘Parlement van Vrede en Universele
Broederschap’ op. Tien dagen later kondigde ze aan dat ze tijdens
de midzomerweek een internationaal theosofisch vredescongres zou houden
op het eiland Visingsö in het Vätternmeer in Zweden. Kunstenaars
uit Lomaland droegen schilderijen van het terrein bij en ook werden
fotoalbums van de schoolactiviteiten in Point Loma gestuurd. Haar doel
was om in brede kring de regenererende ideeën te zaaien van broederschap,
vrede, vriendschap, en respect onder alle nationaliteiten. Ondanks tegenwerking
van de plaatselijke geestelijkheid, vond het vredescongres plaats van
22-29 juni en werd door ongeveer 2000 theosofen en bewonderaars van
Katherine Tingley’s menslievende werk bijgewoond, die van overal
in Zweden en uit theosofische centra in Europa kwamen.
KT had ook 24 raja-yoga-college-studenten uitgenodigd om haar te vergezellen
om te zingen, kamermuziek uit te voeren, en aan de zomerschool te onderwijzen
die ze van plan was in Visingsö te houden. Het raja-yoga-koor werd
uitgenodigd om op 18 augustus drie liederen te zingen (lyrische gedichten
van Kenneth Morris op muziek gecomponeerd in Visingsö door Rex
Dunn, raja-yoga-leerling), aan het einde van de eerste sessie van het
Twintigste Congres voor Wereldvrede dat in zitting was in de Ridderzaal
in Den Haag, Nederland.
Op 4 augustus 1914 bracht het noodlottige schot in Sarajevo Europa
in de Eerste Wereldoorlog. Hoewel ze hierdoor onvoorstelbaar was getroffen,
schreef KT onmiddellijk aan de Duitse leden en ook naar andere landen
waar theosofische centra waren, en drong er bij allen op aan om ‘internationaal
van geest’ te zijn en zichzelf dubbel verantwoordelijk te
beschouwen op dit cruciale moment. ‘Zij die aanvallen en zij die
worden aangevallen hebben onze meedogende aandacht nodig.’9
Op 26 augustus riep Katherine Tingley, als president van het Parlement
van Vrede en Universele Broederschap, op tot een Heilige Vredesdag voor
de Naties die in San Diego zou worden gehouden. Enkele dagen later telegrafeerde
ze een verzoek aan President Woodrow Wilson om een dag vast te stellen
waarop alle mensen van elke religie en van elk ras ‘elkaar konden
ontmoeten op basis van hun gemeenschappelijk menszijn, . . . en als
een liefdevol eerbetoon aan de zaak van Universele Vrede, en om een
boodschap van sympathie en aanmoediging te sturen aan de lijdende moeders
en echtgenotes en kinderen in Europa.’ Zij deed een beroep op
de sympathie en steun van de burgemeester en het raadsbestuur van San
Diego, de gouverneur van Californië, en gouverneurs en burgemeesters
in andere staten. Op 28 september leidde het US Marine Corps van Camp
Pendleton de vredesparade van kinderen, studenten en leden-bewoners
van Point Loma.
| |
Raja-yoga-college-fanfarekorps,
Vredesparade, Balboa Park, 28 september 1914
|
| |
|
Raja-yoga-koor,
Vredesparade, San Diego, 28 september 1914 |
Gedurende de jaren twintig zette KT haar opvoedkundige en filantropische
werk voort. Ze gaf lezingen in de VS en Europa, trok ten strijde tegen
oorlog, armoede, dogmatisme, en de slechte behandeling van gevangenen.
Voor haar hadden alle mannen en vrouwen een goddelijke essentie;
ongeacht hoe gruwelijk de misdaad was die ze misschien hadden gepleegd,
er was altijd een nieuwe kans om de dwalende ziel te verlossen. Alles
wat ze tijdens haar leiderschap deed, werd beïnvloed door haar
gelofte om in de ziel van kinderen en hun ouders een nieuw vertrouwen
op te wekken. Door de mensheid te bevrijden van de vloek van de ‘erfzonde’
en de beperking van de theorie van maar één leven, zou
de geestelijke waardigheid van de mensheid worden hersteld. Opvoeding
is de sleutel, het kind in een mooie omgeving grootbrengen met edele
idealen van dienstbetoon en mededogen, met naast het onderwijsprogramma,
muziek, kunst en toneel; waarbij intussen de onhandelbare zelfzuchtige
natuur werd verzacht en getraind om de hogere eigenschappen van de ziel
de kans te geven om het heft in handen te nemen.
Katherine Tingley stierf op 11 juli 1929, op 82-jarige leeftijd tijdens
een Europese lezingentournee. ‘Met elkaar in harmonie te leven
in ons hart en in ons denken’, was de bezielende visie van haar
levenswerk, want als broederschap en vrede de algemene regel zouden
zijn, zouden de bezoekingen van de mensheid enorm worden verminderd.
Achter de verbeelding en hoop en dromen uit
mijn kindertijd en de periode als volwassen vrouw, en dieper dan de
pijn die werd veroorzaakt door het contrast dat ik in het leven van
de mens heb waargenomen, ligt een bewustzijn van de liefde van God
en de geestelijke waardigheid van de mens. En juist dit bewustzijn
is nu nodig om de wereld te verbeteren, om de mens volledig zichzelf
te laten zijn, om hem de sleutel te geven tot de problemen van het
leven, zodat hij de moeilijkheden met begrip kan overwinnen, onrechtvaardigheid
te boven kan komen door kennis, en de vreugde van het leven kan beleven
in de meest waarachtige en edele zin. –
The Wine of Life, hfst. 10
Noten
- Een selectie van het materiaal uit The Voice of
the Soul en The Travail of the Soul, beschikbaar op
Theosophical
University Press Online.
- Raja-Yoga Messenger, september 1929, blz.
210.
- New York Tribune, 11 april 1897.
- Negende jaarlijkse conventie van de Amerikaanse
Afdeling van de TS, Boston, Massachusetts, 28-29 april 1895,
blz. 16-17.
- KT werd vergezeld door: E.T. Hargrove, Julia Keightley,
H.T. Patterson, F.M. Pierce, Claude Falls en Leoline Wright; Philo
B. Tingley voor korte periode als bijzondere correspondent voor de
pers, niet als deelnemer van de kruistocht. Alice Leighton Cleather
voegde zich in Rome bij het gezelschap en de eerw. W. Williams in
Caïro.
- Besluit, voorwoord en constitutie van de Universele
Broederschap; verklaring aan de leden van The Theosophical Society
in Amerika door Katherine A. Tingley; constitutie van de
Theosophical Society in Amerika – aangenomen door de conventie
gehouden in Chicago op 18 februari 1898.
- Uitgegeven door vrienden van de bibliotheek van UCSD,
University of California, San Diego, La Jolla, 1977, 132 blz.
- De Goden wachten op ons, blz. 41.
- Heilige Vredesdag voor de Naties, 28 september
1914.
|