Naar permanente vrede
Katherine Tingley

 

Verkort uit De Goden wachten op ons, hfst. 2.


 

De wereld van nu verlangt naar universele idealen. Als nooit tevoren moeten we begrijpen dat we niet alleen verantwoordelijk zijn voor onszelf, niet alleen voor ons eigen land, maar voor de hele mensenfamilie. Grondgebied en handel kunnen veel betekenen, nationale eer kan veel betekenen, maar de algehele verlossing van de menselijke samenleving, hier in deze wereld — dat betekent alles.

Wat ieder volk op aarde het meest nodig heeft is blijvende vrede, en om blijvende vrede te verwezenlijken moeten we een internationale geest of wereldpatriotisme ontwikkelen en handhaven, die zal voortkomen uit de erkenning dat wat het ene volk treft, alle treft; dat zover als één opklimt naar de top van kennis en welzijn, zover zullen alle anderen volgen; en zo diep als één kan zinken in nationale zelfzucht en zijn idealen ontrouw wordt, zo diep, of nog dieper, zullen natuurlijk ook anderen omlaag worden getrokken; elk volk moet deelhebben aan het goede en slechte karma van allen.

In een land dat zijn bestaan geheel baseerde op het beginsel en de geest van menselijke broederschap, zou vaderlandsliefde in alle opzichten een edele zaak zijn en het doel ervan zou niet zijn de harten te doen kloppen op het ritme van tromgeroffel, maar alle zielen in te wijden in een ruimere opvatting over de zin van het leven. Als ieder volk een dergelijke vaderlandsliefde en nationale trouw zou ontwikkelen, dan zou de wereld al snel in een universeel weldadig stelsel zijn verenigd.

De hoogste wet van ons bestaan eist dat we onze naties bouwen op de rots van die blijvende wijsheid die de goddelijke ziel van de mens toebehoort, en dat we onze kinderen in die geest opvoeden opdat zij en hun nageslacht niet de ellende zullen kennen die wij hebben gekend, maar op de rijke resultaten van onze inspanningen het fundament kunnen bouwen van de grote republiek van de ziel — die innerlijke republiek waarvan alle zielen burgers zijn — opdat die gevestigd moge zijn ‘op aarde zoals in de hemel’.

Maar om alleen en vanuit een bekrompen standpunt partij te kiezen voor zijn eigen land is een zelfvernietigend substituut voor vaderlandsliefde. Het vergiftigt tenslotte het doel waarop ze zou zijn gericht, want het betekent dat we het leven en de geestelijke gezondheid van de wereld, waarvan het leven en de geestelijke gezondheid van ieder volk afhangen, tegenwerken. We kunnen ons niet van de mensheid afscheiden.

De vloek van onze volkeren is afgescheidenheid. We zijn van elkaar gescheiden door de denkbeeldige belangen van het dagelijks leven en een te ver doorgevoerde competitie luidt de doodsklok van onze beschaving. Geld is zo’n macht geworden dat de mens daardoor zijn ziel en geweten uit het oog verliest, en vergeet dat hij een deel is van het universele leven. Onze halve belangstelling voor onszelf — toewijding aan het uiterlijke zelf en het negeren van het innerlijke en werkelijke — sluit voor ons de deur tot die diepere lagen van het denken waar waarheid heerst, en verbergt voor ons het bestaan van de ware en schitterende godheid die in ieder van ons latent aanwezig is. Iemand van wie het denken in beslag wordt genomen door pogingen anderen de baas te zijn zodat het publiek hem ziet als iemand die sterk en succesvol is — zo iemand is, gezien vanuit het standpunt van zijn ziel, in een doodsstrijd verwikkeld.

We vergeten dat ons een toekomst wacht — waarlijk, de goden wachten op ons — en dat er meer levens te leven zijn dan dit ene. We negeren de geestelijke wil in de mens en dat goddelijke deel in onze eigen natuur dat nu meer dan ooit actief zou moeten zijn, want dit is het begin van een cyclus, een cruciaal moment in de geschiedenis van de mens. Ieder tijdperk heeft zijn eigen grondtoon: we hebben een periode van politiek en religieus despotisme achter de rug; het huidige tijdperk is er een van onderzoek, groei en twijfel. Hoe meer we nu de waarheid gaan begrijpen, des te meer zal al het kwaad waar de wereld door wordt gekweld in de loop van de cyclus worden uitgewist. We bouwen aan de beschaving van de toekomst en het is de eerste plicht van de mensen van nu erop toe te zien dat dit bouwen op edele wijze geschiedt.

Vredesparlement Commissie, Vredestempel, Point Loma, 1923

Zittend (van links naar rechts): Fred Dick, Herbert Coryn, H.T. Edge, E.A. Neresheimer, Clark Thurston, Katherine Tingley, Elizabeth Spalding, Elizabeth Whitney, Reginald Machell, H.T. Patterson, J.H. Fussell, George F. Mohn. Staand: Kurt Reinemann, Charles Hungerford, Lars Eek, Frank Bardesly. Osvald Sirén, Lucien B. Copeland, Leonard Lester, E.W. Lambert, Frank M. Pierce, Samuel Shephard, Charles J. Ryan, Kenneth Morris, H.A. Fussell, J.T. Folsom, Axel Fick, Gottfried de Purucker, Oluf Tyberg, Nathan B. Acheson, Emil A. Gyllenberg, John Koppitz, J. Frank Knoche, T.E. Pool, John Morgan, Vaclav T. Barborka, Walter Forbes, W. Bolles, E.J. Dadd.

Wat is de bedoeling van al deze verraderlijke propaganda, die bij ons tracht aan te dringen op gewapende vrede en voorbereiding op oorlog, dit voortdurend hameren op de misvatting dat de mens, om zich te handhaven, bereid moet zijn zijn medemensen weerstand te bieden door middel van geweld? Voor mij is het een van de verschrikkelijkste dingen ter wereld te horen verklaren dat er uit een slachting iets goeds kan voortkomen, of dat het mogelijk is de toestand in de wereld te verbeteren door de mensenrechten te schenden.

Hebben we niet gezien hoe snel de psychologische invloed van het kwaad en van zelfzucht zich over een heel continent verspreidt, hoe gemakkelijk de geest van een volk van het goede pad naar het verkeerde kan worden afgeleid? Het zou beter zijn voor de volkeren van de aarde in slaap te verzinken en de zon nooit meer te zien opkomen, dan een nieuwe oorlog toe te laten zoals die we pas hebben meegemaakt. Haat wekt haat op en wreedheid brengt wreedheid teweeg; en al beschikten we over een kolossaal intellect en alle rijkdommen van de wereld, we zouden de goddelijke wetten van de natuur niet naar onze hand kunnen zetten.

Vrees en angst voor oorlog worden een chronische ziekte onder alle zogenaamd beschaafde volkeren: een oude kwaal die voortwoekert en nooit zal genezen totdat de wereld het geheim van ware vaderlandsliefde ontdekt. Er is niets edels in vrees. Ze is iets dat geheel voortkomt uit de gebieden van al wat persoonlijk, klein en zelfzuchtig is, en heeft absoluut niets te maken met het hogere zelf dat de held in de mens is. Geen mens en geen volk kan ook maar de geringste geestelijke vooruitgang boeken voordat angst uit hun wezen is verbannen. Want de grote kracht van het goddelijke heelal bevindt zich in het hart van ieder mens, zelfs in dat van de meest armzalige en ongelukkige, en de mens hoeft er geen leven over te doen, hoeft er geen jaar over te doen om de god in zichzelf te ontdekken. Als hij de moed bezit de problemen onder ogen te zien, kan hij hem in een oogwenk ontdekken.

Als we het eeuwige in het vergankelijke uit het oog verliezen, slagen we er niet in de betekenis van het leven te vinden. Als de mens zijn ware menselijkheid had ontdekt, zou hij weten dat brute kracht nooit, hoe dan ook, onder welke omstandigheden ook, één werkelijke overwinning kan behalen of ook maar iets nuttigs kan opleveren. Als we daardoor winnen, verliezen we; deze overwinningen zijn onze grootste nederlagen. Vooral de onwetendheid en angst van deze tijd staan ons in de weg, en beide vinden hun oorsprong in overerving en de vele generaties uit het verleden. Ieder mens en ieder volk is een belichaming van de hele mensheid en het rampzalige geloof in afgescheidenheid bewijst dat onze blik geheel is afgewend van de werkelijkheid en gericht op het objectieve bestaansgebied.

Er is maar één echt en rechtmatig slagveld: het denken van de mens, waar de dualiteit van onze natuur ons voortdurend in de enige rechtvaardige oorlog houdt die er is — de oorlog van de god in ons tegen het lagere zelf. Het koninkrijk der hemelen is in ons en niemand staat zover van het licht en de waarheid dat hij niet morgen kan omkeren en het kan vinden.

We hebben teveel de nadruk gelegd op onze uiterlijke en wereldse belangen en hebben dat natuurlijke, menselijke evenwicht verloren, waardoor we ongestoord in de geestelijke kant van onze natuur zouden kunnen leven, ons denken ondergeschikt kunnen maken aan ons ware zelf en het gebruiken als een middel om te dienen en te groeien. Want het idee nationale geschillen te beslechten door bruut geweld zouden we moeten zien als een belediging van de waardigheid van het geestelijk menszijn. We moeten inzien dat de mannen die we opleiden om oorlog te voeren — en die we, of wij of zij dat weten of niet, vernederen door die opleiding — in plaats daarvan prachtig kunnen worden opgeleid voor de vrede: om staatslieden en leraren te zijn, doelmatige beschermers van de vrede van hun volk.

We zouden niet langer ernaar moeten streven, zoals we eeuwenlang hebben gedaan, ons tegen onze buren te bewapenen. Onze enige zorg zou moeten zijn onze buren tegen ons eigen lagere zelf te beschermen. Als men angst kweekt voor een invasie, beweegt men zich veraf van rechtvaardigheid, veraf van zijn plicht. Zij tegen wie we onze propaganda van haat richten en die morgen tot onze vijand kunnen worden gemaakt, zijn onze broeders, en er is een manier om hen te bereiken — en dat is niet door kracht of bedreiging of belediging of de psychologische suggestie die wordt gecreëerd door de bewapening op te voeren. We hebben onze bedachte plannen, onze kanonnen, schepen en forten, we hebben onze jeugd die is getraind voor de strijd en die rusteloos is onder de omstandigheden van gedwongen inactiviteit, en dat alles komt neer op het tarten en uitdagen van andere landen. We lokken hen uit en sporen hen aan ons te komen beproeven; we verkondigen hen onze mening dat wijzelf even blind zijn als zij.

De ziel van een volk — de levende essentie van zijn wezen — bestaat uit het totaal van zijn gedachten, gevoelens, daden en idealen, gesteund door de verheven kwaliteit van de god binnenin ons. Hoe meer het volk van een land zijn nationale ziel voedt met zulke geestelijke en goddelijke gedachten, des te meer wordt zijn land beschermd, wordt het onneembaar, buiten bereik van geweld. Als u in uw denken en uw hart de verachtelijke misvatting koestert dat morele overwinningen met geweld kunnen worden behaald dan blijft u het slachtoffer van dwaasheid en schept u ellende voor uzelf door het zaad van oorlog te zaaien.

Volk tegen volk, broeder tegen broeder en gezin tegen gezin, we blijven altijd in strijd verwikkeld zolang we erop vertrouwen dat onze lagere natuur — fysieke kracht of zelfzuchtige belangen — de dingen regelt die alleen door de geestelijke kant van de menselijke natuur kunnen worden geregeld . Eeuw na eeuw heeft de mens in onwetendheid geleefd, het gelaat afgewend van het universele levensplan, dat broederschap is — een ideaal, zou men denken, dat we zouden moeten hooghouden met op zijn minst de helft van de belangstelling die we aan de dag leggen voor bekrompen nationalisme en oorlogsbemoeienissen. De invloed van het verleden ligt als een donkere schaduw over het heden. Eeuwenlang heeft de mensheid zich gewend aan onbroederlijkheid, zelfzucht en onrecht en zijn mensen niet naar elkaar toe, maar verder uit elkaar gegroeid.

Dit geldt voor iedereen, zodat wanneer een oorlog uitbreekt, we niet het recht hebben deze of gene persoon of natie de schuld te geven. We moeten ophouden met oordelen over onze medemensen als we het goddelijke licht in onszelf willen vinden. We kunnen geen beroep doen op de ziel in ons eigen volk, we kunnen haar niet steunen of wakker roepen zolang we ons zo druk bezighouden met de veronderstelde gebreken en tekortkomingen van een ander volk. Zij die het onderscheid hebben geleerd tussen het sterfelijke en onsterfelijke in zichzelf zijn de meest vergevensgezinde mensen op aarde: zij weten hoe gemakkelijk iemand die onbekend is met zijn eigen goddelijke natuur, in de verkeerde richting kan afdrijven.

Zelfonderzoek zou ons tot onuitputtelijk mededogen moeten brengen. We zouden er altijd aan moeten denken dat ieder levend wezen een uitdrukking van het oneindige is, wat de uiterlijke kenmerken ervan ook mogen zijn. Onze veronderstelde vijanden, of de mensen of volkeren die we iets verwijten, hebben evenals wij geleerd om het leven geheel van de buitenkant te bekijken. Dat is ons allen ingeprent, van generatie op generatie, totdat ons bloed en ons wezen is besmet met de gedachte dat overwinnen door geweld soms mogelijk en gewettigd is. En nu hebben we de geestelijke krachten volledig uit het oog verloren, en alleen die kunnen tot succes leiden.

Is het dan verwonderlijk dat we zo vatbaar zijn voor oorlogskoorts en dat deze grove neigingen ons zo gemakkelijk overrompelen dat we niet weten hoe we onze rechten anders moeten beschermen of onze geschillen moeten regelen — misschien het gevolg van een klein, verstandelijk, ruzieachtig meningsverschil — dan door chaos en strijd waarbij aan duizenden levens in een oogwenk een einde wordt gemaakt? En intussen bidden beide kanten tegen elkaar in, en proberen beiden de almacht en de oneindigheid tot hun medeplichtige te maken aan de verschrikking en elke vorm van geweld.

We zouden inzicht kunnen krijgen in het eeuwige bestaan, als we voorbij het denken doordrongen tot het ware zelf in ons, en daar de bewuste kracht vonden die ons wegvoert van het zintuiglijk leven en over de hoge muur van het denken brengt. Geen van de grote wereldproblemen kan alleen door knapheid worden opgelost. Op verstandelijk gebied zijn onze vermogens altijd en noodzakelijkerwijs beperkt. Dat is niet het deel van ons dat onsterfelijk of zonder grenzen is. Daarom kan aan oorlogen geen einde worden gemaakt met argumenten of politieke intriges of manipulaties, maar alleen door bij onze internationale problemen de instinctieve en inspirerende invloeden te betrekken van die godheid die zich nu op de achtergrond van het menselijk bewustzijn bevindt en wacht op de roep van een mensheid die zich tenslotte bewust is geworden van de verheven waardigheid mens te zijn.

De goddelijke wetten zijn grootser dan menselijke wetten. Ze zijn blijvend en eeuwig en veranderen niet: door politieke stelsels worden ze niet beroerd en sektarische invloeden tasten ze niet aan. Juist denken en handelen kunnen ons altijd, tijdelijk, doen opstijgen naar het gebied van de ziel en als we ons daar bevinden, verheffen we de hele mensheid naar het niveau van zijn rechten en mogelijkheden en van zijn geestelijke erfdeel. Als we zo gemakkelijk kunnen worden meegesleept door deze oorlogskoorts en psychologische golven van verwarring, waarom zouden we ons dan niet laten verheffen door een tegengestelde soort kracht, naar hoogten van helder onderscheidingsvermogen, en waarom zouden we, in plaats van zwakheden te zoeken in andere landen en ons op oorlog met hen voor te bereiden, niet zelf de tuinen van het leven van ons eigen land van onkruid ontdoen?

Niemand kan een stap vooruit doen naar het doel van menselijke volmaking zonder zich ervan bewust te worden dat er honderden onderweg zijn die vóór hem begonnen en hem nu vooruit zijn. Hij kan hen niet zien met zijn ogen, maar is zich bewust van hun gezelschap. Het licht dat iedere gouden eeuw van het verleden deed schitteren is nog te vinden; voor zowel mensen als volkeren kan iedere dag na deze een nieuwe dag betekenen, een koninklijke dag van overwinningen, en het begin van een vooruitgang die geen einde kent.

De verborgen waarheid omtrent onszelf is dat we wèl onze naaste liefhebben gelijk onszelf, al hebben we nog niet de manier gevonden uitdrukking te geven aan die liefde waarvan we niet eens weten dat ze bestaat. Maar ze is er: de liefde voor onze medemensen sluimert latent in ons hart bij de godheid die daar waakt. Al zijn we ons er in het geheel niet van bewust, ons menszijn houdt in dat ze bestaat. Ze is in de diepste diepten van de natuur van zelfs de wreedste en laagste mens: in ons en ook in hen die we misschien morgen als onze vijanden zien, die we zouden doden, en graag zouden doden als de oorlog zou worden verklaard. Want overal waar menselijk leven is, probeert de godheid zich tot uitdrukking te brengen. Naarmate ze zich een weg baant door ons denken en in ons leven, zullen we het licht ervan in de wereld steeds helderder en helderder zien worden, totdat ook wij de geest van haar grootsheid doen weerklinken en ons hullen in de glorie van hen die ons op het pad zijn voorgegaan.

 
Andere artikelen over oorlog en vrede
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency