Katherine Tingley licht haar werk en haar plannen toe: een interview
Gertrude Stevenson

 

Oorspronkelijk gepubliceerd in The Boston Herald, 21 september 1913, als ‘Newburyport Girl Evolves Amazing New Educational System: Katherine Tingley Here Explains Life Work and Aims.’


 

Wat één mens kan bereiken als hij een visie heeft over wat de wereld kan en moet zijn maar niet is, en over genoeg kracht en leidinggevende kwaliteiten beschikt om die visie tot werkelijkheid te maken, blijkt uit wat Katherine Tingley in haar leven tot stand heeft gebracht.

Iedereen die de kranten leest heeft veel over Katherine Tingley gelezen . . . . Tussen de feiten zijn veel verzinsels gevlochten. Kritiek en veroordeling zijn gepaard gegaan met karige lof. Terwijl ze enerzijds werd erkend als de grootste leider die de theosofen ooit hebben gehad, is ze ook gekenschetst als een charlatan en hypocriete hervormer. Als de resulaten van iemands inspanningen als criterium mogen dienen voor zijn bekwaamheid en oprechtheid, is alleen al de raja-yoga-academie het enige monument dat Katherine Tingley nodig heeft. Als het oordeel van iemand die haar heeft opgezocht en met haar heeft gesproken van enige waarde is, dan is zij niet enkel een opmerkelijke vrouw, maar bovenal oprecht.

Tijdens een interview met Mw. Tingley in haar flat aan het Copley-Plaza waarin het hoofdkwartier in Point Loma en de raja-yoga-school het voornaamste onderwerp van gesprek waren, . . . . werd ik me plotseling ervan bewust dat ik het onverwachte voorrecht had dat Katherine Tingley me een schets gaf van haar leven en werk vanaf de tijd dat ze een kind was in Newburyport tot aan vandaag, nu ze pas is teruggekomen van een prachtige reis door Zweden en op het punt staat naar haar hoofdkwartier in Californië terug te gaan.

Klaslokaal in Point Loma, rond 1900

‘Ik geloof dat ik in de eerste plaats als maatschappijhervormer moet zijn geboren’, zei ze. ‘In de tweede plaats heb ik genoeg persoonlijk leed en verdriet gehad om voldoende menslievende kwaliteiten te ontwikkelen indien die aanvankelijk ontbraken. Toen ik in Newburyport een klein meisje was, zag ik in mijn kinderlijke verbeelding de scholen die ik later in Point Loma zou oprichten. Toen ik iets ouder dan vijf was, had ik de gewoonte met mijn blokken de plattegrond te construeren van de gebouwen die nu deel uitmaken van de theosofische vestiging in Californië. Elk gebouw was achthoekig van vorm. In ieder stond een piano. Ieder stond onder leiding van een vrouw die zowel een moeder als een leraar was. Aldus bouwde ik in latere jaren in Point Loma achthoekige gebouwen met in elk een piano, en een huismoeder aan het hoofd. Net als toen ik een kind was en eiste dat muziek deel uitmaakte van die wankele scholen gebouwd met speelgoedblokken, zo besef ik als vrouw en leider dat de kracht en waarde van muziek in het dagelijks leven nooit genoeg waren gewaardeerd of op de juiste manier benut.’

De vrouw in de stoel tegenover me maakte op mij de indruk in veel opzichten ongewoon te zijn — ze was in de eerste plaats een imponerende verschijning, opmerkelijk in haar opvatting over dienstbaarheid en in haar kijk op het leven, haar inzicht in de noden ervan, maar bovenal wegens haar grote begrip voor de mensen. . . . Haar ogen stralen even enthousiast als die van een meisje van 20, met de toegevoegde waarde van al de diepte van begrip die alleen de jaren — vele, vele jaren van leven en ervaring — kan brengen. Om haar zilverkleurige haar draagt ze een brede platte band van rijkgeborduurd oosters materiaal, maar dat versterkt eerder de sfeer van een uitzonderlijke individualiteit dan dat het de oorzaak ervan is. Ook haar kleding wijkt af van die van andere vrouwen, zowel wat het onbetwistbare comfort ervan betreft als uiterlijk. Over een witte jurk, een tikje versierd door een soort Perzisch borduursel, draagt ze bij wijze van rok een erg lang wit kledingstuk. Ze is een levende ontkenning van het gezegde dat alleen slanke vrouwen het met succes zonder korset kunnen doen.

‘Ik kan me herinneren dat ik zelfs als kind rusteloos was en geen belangstelling had voor de activiteiten van andere kinderen’, gaat de stem met een vol timbre verder. In tegenstelling tot al het andere heeft de stem van Katherine Tingley nog alle kenmerken van de jeugd. ‘Ik bracht gewoonlijk veel tijd in de bossen door en droomde onder de bomen over een land waar de bloemen het hele jaar door bloeiden in een eeuwige zomer. Toen ik tenslotte mijn school stichtte, heb ik die gebouwd in een klimaat waar mijn jeugddromen geheel in vervulling gingen, zo niet werden overtroffen. . . .

‘Omdat ik een beschut leven leidde in een welgesteld gezin, wist ik niets van de armoede en ellende van het leven tot ik de Ierse immigrantengezinnen zag die in Newburyport kwamen werken en wonen. Zelfs nu nog kan ik de hoogst onaangename huivering voelen die door me heenging toen ik me ervan bewust werd dat het leven niet zo vol comfort en geluk was als ik het altijd had gekend. Mijn ziel kwam in opstand tegen zulke toestanden. Waarom kon niet iedereen het prettig hebben en gezond en gelukkig zijn? Waarom zou iemand in de wereld gebrek moeten hebben aan de juiste dingen om te eten en de gemakken van het leven missen? Die vragen bestormden steeds weer mijn bewustzijn. Zelfs als jong meisje voelde ik de drang om die omstandigheden te veranderen — om blijdschap en harmonie en welstand aan de wereld en de mensen te brengen en zonde en leed en zorgen uit de weg te ruimen.

‘Terwijl ik nu terugzie ben ik me ervan bewust dat ik drie heel verschillende interesses in het leven had — mensen, bouwkunst en muziek. Die drie interesses zijn nu nog steeds overheersend — mensen, architectuur en muziek — de eerste kenmerkt mijn streven om maatschappijhervormer te zijn, de andere twee geven mijn liefde voor het schone in het leven weer.

‘Na verloop van tijd werd ik op de gebruikelijke en algemeen aanvaarde manier naar school gestuurd en liep ik groot gevaar door het leven te worden gedreven volgens de denkbeelden en overtuigingen van andere mensen in plaats van door wat mijn eigen individualiteit me voorschrijft. Dat is de tragedie van zoveel levens. Het leven en de opvoeding is als een rond gat — de vierkante pennen moeten er op een of andere manier doorheen worden gedreven, zelfs al worden er zodoende enkele belangrijke en karakteristieke hoeken van afgeslagen. Mogelijk was ik een van de vierkante pennen die weigerden dat de hoeken ervan werden afgehakt, en de wereld vergeeft zulke opstandigheid niet gauw.

‘In ieder geval zag ik overal om me heen leed en het loon van de zonde. Ik was me er steeds van bewust dat er met de menselijke maatschappij iets wezenlijk mis was — met onze maatschappelijke regels, onze aanpak, onze liefdadigheidsinstellingen. In de schaduw van de kerken zag ik verdorvenheid, leed en gebrek. Overal zag ik mensen rustig hun gang gaan, zalig onbewust of openlijk onverschillig voor dit alles. Nooit kon ik me erbij neerleggen om die zaken poeslief te accepteren. Ik moest op zijn minst proberen de omstandigheden te verbeteren.

‘Tenslotte kwam ik in New York terecht. Ik had in mijn persoonlijke leven al genoeg verdriet en leed gekend, zodat ik me nauwer betrokken kon voelen met de mensen en omstandigheden. Ik richtte wat ik de Vereniging tot Hulp in Noodsituaties noemde op.’

Een vluchtige glimlach verscheen toen Mw. Tingley de herinnering ophaalde aan de vereniging met de prozaïsche naam uit de vroegere jaren. ‘Het was lang voordat iemand ook maar had gedacht aan maatschappelijk werk of buurthuizen, maar ik opende het huis in East Side, midden in het centrum van die grote massa opeengepakte mensen die leefden, werkten en worstelden, en die in die tijd veel meer dan tegenwoordig, onbekend waren bij en buiten beschouwing werden gelaten door de mensen die zo gelukkig of ongelukkig waren om ten westen van Fourteenth Street te wonen.

‘Dag in dag uit liep ik rond in de huizen van die mensen. Ik zag de meelijwekkende vrouw met de dronken echtgenoot, en soms begreep ik waarom de echtgenoot dronk. Dan zag ik ook de hardwerkende echtgenoot met de onwaardige slonzige vrouw. Ik zag ontbering als gevolg van ondeugd, en ondeugd als uitvloeisel van ontbering. Ik werd me ervan bewust dat al onze methoden van hulpverlening volkomen dubieus waren. We hielden ons toen meer bezig met de gevolgen dan met de oorzaken, en de meeste mensen doen dat nog steeds. Als de schade is aangericht, proberen we die te herstellen. Ik zag een beeld waarin de grondoorzaken worden aangepakt, waarbij men het kind laat beginnen zoals het hoort en het geschikt maakt om de eisen van het leven het hoofd te bieden met de mogelijkheid om meester over de dingen te blijven en vast te houden aan oorspronkelijkheid, zuiverheid en idealen. Ik wilde proberen te verhinderen dat de schade zou worden aangericht. De wereld was goed voorzien van toevluchtsoorden voor de nietsnutten en verdorvenen. Ik wilde een instelling opzetten om de mensen aan te pakken voordat ze waren geveld in de strijd om het bestaan.

‘Honderden en honderden mensen kwamen naar mijn hoofdkwartier voor noodsituaties. Zodra iemand de deur binnenkwam kon ik zeggen of hij een oplichter was. Sommige mensen schreven mijn doorzien van die mensen en hun karakter toe aan een psychisch vermogen. Maar zoiets was het niet. Het was slechts het gevolg van gezond verstand en een lange ervaring met allerlei soorten mannen en vrouwen.

‘Tenslotte hoorde William Q. Judge, toen het hoofd van de Theosophical Society en nauw verbonden met Mw. Blavatsky, over mij en mijn werk. Zonder dat ik het wist volgde hij mijn voortgang. Op zekere dag kwam hij naar het hoofdkwartier. Ik kan het me nog goed herinneren alsof het gisteren was. . . . Vanaf die tijd kwam ik nauwer in contact met de theosofie. . . .

‘Ik wist dat New York verre van een ideale plaats was voor het hoofdkwartier van de Theosophical Society en toen ik Point Loma in San Diego ontdekte, wist ik dat de plek voor mijn ideaal was gevonden. Het is nu een echt natuurparadijs. De academie heb ik raja-yoga genoemd, want dat betekent de koninklijke eenmaking van mentale, geestelijke en lichamelijke ontwikkeling; ze streeft naar het zuivere ideaal van de Griekse eenvoud. Veel is er gezegd en geschreven over mijn ‘eigenaardige methoden’ en er zijn alle mogelijke pogingen gedaan om van mijn werk en mijn opvoedingssysteem een mysterie te maken. Juist door de eenvoud van dit alles wordt het gewone verstand verbijsterd. De ideeën zijn zo oud als de wereld. Ik pas ze alleen maar toe. De Grieken beseften dat het lichaam de tempel van de ziel is en dat een gezond en uitstekend lichaam van essentieel belang is voor een gezond en uitstekend denkvermogen. Ik heb dogma’s en alle willekeurige normen voor leven en opvoeding afgewezen. Ik heb de kluisters van de vanouds gebruikelijke verplichtingen afgeworpen. In Point Loma wordt een kind als een kostbaar en prachtig wezen beschouwd, en zo wordt het tot ontwikkeling gebracht. Elk kind wordt bekeken en voor ieder kind is er begrip. Waarschijnlijk zijn er geen twee kinderen gelijk; daarom heeft in Point Loma geen leraar meer dan een paar kinderen tegelijk om onderwijs aan te geven. Het tegenwoordige systeem en de overwerkte leraren zijn voor het nationale welzijn slecht en fataal.

‘Onze kinderen hebben voor elk studievak verschillende opleiders. Nadat een onderwijzeres een lesuur heeft gehad, neemt ze een recreatiepauze. Ze gaat naar buiten, dichtbij de natuur in. Ze krijgt gelegenheid haar eigen stabiliteit en geestelijk evenwicht te herstellen. Hoe kan een onderwijzeres die iedere ochtend en middag onafgebroken voor de klas staat iets van wezenlijk belang in het kinderleven brengen, vooral als ze, zoals bijna iedere onderwijzeres van een openbare school, verantwoordelijk is voor zo’n 30 tot 50 kinderen? Die kostbare leventjes, elk volkomen anders door erfelijke factoren, omgeving en de eigen aard, moeten een onderwijsprogramma volgen dat eist dat ze zoveel mogelijk als twee druppels water op elkaar lijken. Als dat niet het geval is worden ze zo gemaakt, en dan gaan we nog prat op onze prachtige openbare scholen! . . .

‘Het mooiste in de wereld is schoonheid van karakter. In Point Loma is deze schoonheid ons doel. Overal waar we heengingen toen we in het buitenland waren, maakten de leerlingen die me vergezelden indruk op het gehoor door hun rustige manier van doen en volkomen gemoedsrust. Zij kennen zichzelf. Dat is het grote geheim van het leven. Ik kweek geen engelen in Point Loma. Dat is niet mijn opdracht, maar ik weet wel dat onze leerlingen iets hebben dat andere studenten meestal niet hebben. Ze zijn in harmonie met zichzelf en de wereld en alleen dat leidt tot schitterende concentratie en zelfbeheersing.

‘Muziek is daarginds een erg belangrijk deel van ons leven en ik schrijf het succes in de muziek van zoveel leerlingen van ons toe aan het feit dat hun opvoeding goed gevarieerd is. Hoe kan een componist een zuivere melodie componeren als zijn ziel vol haat en disharmonie zit? Hoe kan een musicus de muziek van anderen vertolken als er geen zuiverheid in zijn eigen leven en hart woont?’

Ik vroeg Mw. Tingley me te vertellen hoe haar opvoedingssysteem zich precies onderscheidt van de gebruikelijke methoden.

‘Ik zal u een voorbeeld geven waaruit blijkt hoe we te werk gaan’, antwoordde ze. ‘Neem bijvoorbeeld het vak geschiedenis. In de meeste scholen en universiteiten wordt aan de student een aanvaard geschiedverhaal gegeven dat hij domweg uit het hoofd moet leren en waarvan hij de inhoud als volstrekt waar moet accepteren. Maar we weten dat elke geschiedschrijving die ooit is gedaan, werd beïnvloed door het karakter, geloof en de vooroordelen van de man die ze opschreef. Wij nemen ook de aanvaarde geschiedenisboeken en studeren erin; tegelijk bestuderen we de mensen die ze schreven. We zoeken uit wat voor soort man iedere historicus was — welke invloeden er om hem heen waren — welke druk er op hem werd uitgeoefend. Dan nemen we wat hij heeft geproduceerd, beoordelen het dienovereenkomstig en vormen onze opvatting over de geschiedenis van het land naast de opvatting van de historicus.

‘Theosofie is een te veelomvattend onderwerp om het met één woord, één zin of één alinea af te doen, maar je zou dit kunnen zeggen: theosofie kan nooit een abstracte studie zijn. Men moet theosofie in zijn leven tot uitdrukking brengen en praktisch toepassen op het leven van alle dag — op iedere gedachte, daad en handeling. Theosofie is iets dat je niet door een middagje lezen kan begrijpen. Veel mensen die je vertellen dat er niets van klopt, zijn de soort mensen die een boek van Mw. Blavatsky oppakken, het haastig doorbladeren, er niets in vinden en dan de gevolgtrekking maken dat er niets in staat. Je kan net zo goed een boek in het Grieks nemen en omdat je nooit Grieks hebt gestudeerd of alles wat je vroeger had geleerd bent vergeten, dan maar de uitspraak doen: ‘Er staat niets in.’’

 
Andere artikelen over Katherine Tingley
 
Themanummer Sunrise over Katherine Tingley
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency