Vanuit een theosofisch gezichtspunt is bewustzijn dat zich belichaamt
in uiteenlopende graden van expressie de fundamentele basis van het
universum. Leven zelf is het fundamentele aspect van deze expressie
waarmee we meer direct bekend zijn, want het is in onze omgeving duidelijk
waarneembaar, ook in onszelf. Ontstond het via ‘toevallige’
botsingen van deeltjes in een onpeilbaar ver verleden, zelfs nog vóór
of kort na de geboorte van het licht en andere energieën? Is licht
inderdaad een energie, een golf, een stroom van deeltjes die Einstein
‘fotonen’ noemde? Of is het leven zelf een ingeboren aspect
van ieder deeltje van de ‘materie’ die we denken te kennen,
is dat altijd zo geweest, en doordringt het het grenzeloze heelal?
Overal in Vladimir I. Vernadsky’s opmerkelijke studie van de
planeet aarde als The Biosphere1
speelt het idee dat levensvonken altijd aanwezig zijn geweest. Daarmee
wordt de deur geopend voor bespiegelingen over het zonnestelsel waar
onze planeet toe behoort, en nog verder tot de melkweg van sterren,
de cluster van melkwegstelsels, enzovoort tot in het oneindige.
Hoewel het in 1926 in het Russisch werd gepubliceerd, heeft The
Biosphere tot 1998 moeten wachten op een Engelse vertaling en commentaar
door moderne geologen, geofysici en geochemici. Vernadsky’s experimenten
en samenvattingen – die hun tijd ver vooruit waren – trokken
heel wat aandacht, maar de communistische revolutie wierp een lijkkleed
over zijn onderzoekingen en conclusies. De Engelstalige uitgave van
1998 bevat ook de gezichtspunten van verschillende bekende moderne wetenschappers
uit verwante gebieden van onderzoek die zijn stelling ondersteunen.2
Zij begroeten zijn tekst als een ‘ontdekking’ die licht
werpt op veel problemen die tegenwoordig naar voren komen en die hedendaagse
wetenschappers tot verdere ontdekkingen brengt.
De stelling van Vernadsky wordt samengevat in zijn gebruik van het
woord biosfeer, want hij dacht dat leven is ingeboren in ieder
deeltje waaruit de planeet – en in ruimere zin, de hele kosmos
– is opgebouwd. Het was niet iets dat was toegevoegd aan of voortkwam
uit de wisselwerking tussen stoffelijke componenten van de aarde. Zoals
hij zei:
Het leven blijft in zijn essentiële kenmerken
door alle geologische tijden heen onveranderlijk, en verandert alleen
van vorm. Alle levende weefsels (plankton en die op en in de bodem)
en alle concentraties van leven (langs de kust, de sargassische en
die van het zoete water) hebben altijd bestaan. Hun onderlinge relaties
en de hoeveelheden materiaal die erin omgingen hebben van tijd tot
tijd veranderingen ondergaan; maar deze aanpassingen kunnen niet erg
omvangrijk zijn geweest, want de energie-input van de zon is door
de geologische tijden heen constant gebleven, of bijna constant, en
de distributie van deze energie in de levende weefsels en de concentraties
van leven kan alleen door levende materie zijn bepaald – het
fundamentele deel, en het enige variabele deel van het thermodynamische
veld van de biosfeer.
Maar levende materie is geen toevallige creatie.
Zonne-energie wordt erin weerspiegeld, zoals in alle aardse concentraties.
– blz. 149
Vernadsky’s gezichtspunten worden in het voorwoord van de Engelstalige
uitgave als volgt weergegeven:
- Leven komt voor op een bolvormige planeet. Vernadsky
is de eerste persoon in de geschiedenis die zich serieus bezighoudt
met de werkelijke implicaties van het feit dat de aarde een op zichzelf
staande bol is.
- Het leven maakt de geologie. Het leven is niet alleen
maar een geologische kracht, het is de geologische
kracht. Feitelijk worden alle geologische eigenschappen aan het aardoppervlak
beïnvloed door het leven, en zijn dus deel van wat Vernadsky
de biosfeer noemt.
- De planetaire invloed van levende materie neemt
met de tijd toe. Het aantal en de snelheid van de getransformeerde
chemische elementen en het spectrum van chemische reacties teweeggebracht
door levende materie nemen toe, zodat steeds meer delen van de aarde
tot de biosfeer gaan behoren. Vernadsky had als doel een natuurkunde
van de levende materie te beschrijven. Leven was, zoals hij het zag,
een kosmisch verschijnsel dat men dient te begrijpen binnen het kader
van dezelfde universele wetten die van toepassing zijn op zulke constanten
als de zwaartekracht en de snelheid van het licht. Toch bleven Vernadsky
zelf en veel van zijn fundamentele opvattingen grotendeels onbekend.
– blz. 15
Vernadsky leert ons dat leven, waaronder menselijk
leven, terwijl het gebruikmaakt van de zichtbare lichtenergie van
de zon, onze planeet door de tijdperken heen heeft getransformeerd.
Hij belicht het verschil tussen een levenloze, mineralogische kijk
op de geschiedenis van de aarde, en het eindeloos dynamische beeld
van de aarde als het domein en product van het leven in een mate
die nog niet goed wordt begrepen. Nergens is er aanleiding om te
verwachten dat het leven zal ophouden. Wat Charles Darwin deed voor
alle leven door de tijd, deed Vernadsky voor alle leven door de
ruimte. Zoals wij in de tijd allemaal door evolutie met onze gemeenschappelijke
voorouders zijn verbonden, zo zijn we allen – door de atmosfeer,
lithosfeer, hydrosfeer en tegenwoordig zelfs de ionosfeer –
in de ruimte met elkaar verbonden. We zijn volgens Vernadsky verbonden
door de ruimte en volgens Darwin in de tijd. –
blz. 18-19
Ook al zijn Vernadsky’s gezichtspunten geavanceerd, in het bijzonder
die over de alomtegenwoordigheid van leven en de cruciale invloed ervan
op de aarde, toch bespreekt hij het leven nog in materiële termen.
Maar kunnen we leven scheiden van bewustzijn? We beseffen dat er een
intelligentie is die richting geeft aan bijvoorbeeld de werking van
de krachten van de cel tijdens het groeiproces van een embryo, en ongetwijfeld
speelt iets dergelijks een rol in de grotere arena van de planeet zelf.
We nemen de richtinggevende invloed die de ontwikkeling in onze eigen
omgeving stuurt niet direct waar, maar er is nog nooit een organisme
gevonden dat niet een of andere ‘organisator’ bleek te hebben.
In De Geheime Leer stelt H.P. Blavatsky de kosmische energie
voor als een ros met ‘gedachte’ als zijn ruiter, en dat
impliceert dat bewustzijn een functie is met universele toepassingen.
Zoals Einstein zei over ‘die precisie die ik vind in het functioneren
van de kosmos in ruime zin, de planeten en de zon, en verder daarbuiten
de melkwegstelsels en andere complexe structuren – moet ik zeggen
dat deze allemaal erop wijzen dat er een enorme intelligentie aan het
werk is’.
Omdat de samenstellende delen van ons mensen aan het kosmische milieu
worden ontleend, moet er voor de aarde en de kosmos meer zijn dan alleen
het materiële aspect ervan. In plaats van leven, bewustzijn en
materie als drie afzonderlijke verschijnselen (of twee ervan als bijproducten
van de derde) te beschouwen, is het misschien beter te spreken van leven-bewustzijn-substantie
als een eenheid van slechts schijnbaar gescheiden elementen –
onderling afhankelijke, onderling samenhangende verschijningsvormen
die zijn afgeleid van één achterliggende werkelijkheid
die buiten onze waarneming ligt.
De sleutel tot de oorsprong van het leven ligt dan in het onzichtbare,
niet-stoffelijke aspect van het heelal. Geen individueel wezen, of het
nu een persoon of een planeet betreft, staat ooit werkelijk ‘op
zichzelf’ omdat ieder zowel stoffelijk als innerlijk nauw is verbonden
met ieder ander aspect van de kosmos. En terwijl de uiterlijke vormen
van de levende materie onbetwistbaar het onderwerp zijn van wetenschappelijk
te ontdekken ‘universele wetten’, kan het leven zelf evenmin
door een zuiver natuurkundige analyse volledig worden begrepen als dat
dit mogelijk is voor zogenaamd anorganische materie. Niettemin stellen
Vernadsky’s opvattingen uiterst boeiende punten aan de orde en
werpen een nieuw licht op de huidige wetenschappelijk discussie.
Noten
- Uitgegeven door Copernicus, Springer-Verlag, New York;
192 blz., geïllustreerd, index, isbn 0-387-98268-x, gebonden.
- Deze wetenschappers zijn onder andere Lynn Margulis,
Mauro Ceruti, Stjepko Golubic, Ricardo Guerrero, Nubuo Ikeda, Natsuki
Ikezawa, Wolfgang E. Krumbein, Andrei Lapo, Antonio Lazcano, David
Suzuki, Crispin Tickell, Malcolm Walter, en Peter Westbroek.