Verkorte versie van een lezing gehouden bij de openingsplechtigheid
van The Global Peace University, ‘De Lawei’, Drachten, 29
april 1997.
Ecologie is de wetenschap van relaties – relaties tussen levende
wezens onderling, en tussen levende wezens en hun milieu. In de westerse
wetenschappelijke benadering is ecologie de studie van materiële
relaties, zoals eten en gegeten worden, voedselkringlopen, enz. Ik zou
het begrip ecologie willen uitbreiden tot alle aspecten van de natuur,
niet alleen de materiële. We zouden ook de bijdragen aan onze gedachtevorming
over dit onderwerp van alle culturen die hierover iets te zeggen hebben
in beschouwing moeten nemen.
Levende wezens zijn veel méér dan stoffelijke lichamen
die worden gedreven door een zelfzuchtig verlangen naar overleving;
dit aspect is slechts van secundair belang. Een levend wezen is in de
eerste plaats een bewustzijnscentrum, gekleed in een voertuig dat het
van binnenuit heeft opgebouwd om zijn mogelijkheden tot uitdrukking
te brengen en dat geschikt is voor een bestaan op aarde. Het is een
evoluerend bewustzijn, dat zijn inherente kwaliteiten van binnenuit
naar buiten brengt, daarbij geholpen door zijn omgeving. Ik ben tot
de overtuiging gekomen, zowel door nauwkeurige waarneming van de natuur
als door studie van niet-westerse culturen, dat de werkelijke drijvende
kracht achter de evolutie niet overleving is – wat louter een
psychologische houding is om individuele bestaansvormen of groepen te
beschermen tegen gevaar – maar veeleer het opwaartse streven van
het bewustzijn zelf door eindeloze cycli van bestaan heen.
De eerste uitbreiding die ik zou willen geven aan de ecologie is dat
levende wezens worden beschouwd in hun totale geaardheid. De
traditionele westerse biologie classificeert hen op basis van fysieke
kenmerken en gedragspatronen, zoals de onderverdeling in vleeseters
en planteneters. Maar een levend wezen is een complex samenstel van
gewaarwordingen, gevoelens, indrukken en verlangens die alle deel zijn
van zijn fundamentele karakter: de bijzondere gerichtheid van evolutionaire
uitdrukking en de vorm van bewustzijn. Is het niet van meer belang zich
af te vragen waar het bewustzijn van een wezen op is gericht, en welke
functie het heeft en welk bijzondere doel het in het leven nastreeft?
Als we een willekeurige plant of dier als soort of als individu onder
de loep nemen, en we doen dat met een onbevooroordeelde geest en met
de sympathie die men van nature voelt voor een medepelgrim, kunnen we
iets aanvoelen van de kwaliteit van bewustzijn die in ieder van hen
van nature aanwezig is. We kunnen zien welke eigenschappen hij heeft
ontwikkeld en welke wisselwerking er is met de omgeving, en ook welke
bijzondere functie of taak het individu of de soort vervult binnen de
heelheid van het ecosysteem waartoe hij behoort en welk element het
sterkst tot uitdrukking komt.
Het bewustzijn van een mier reikt misschien niet verder dan een centimeter
vooruit, en gaat in de tijd misschien niet verder terug dan een seconde;
niettemin is haar gewaarzijn intens. Het is uniek en verschilt van dat
van ieder ander schepsel. Voortdurend worden indrukken op zijn gevoelige
bewustzijn afgedrukt. Ieder wezen is een voelende entiteit
die zich ervan bewust is een zelf te zijn en zich bewust is van de invloeden
van buiten, en die gevoelens van geluk en ongeluk ervaart – zeker
in het dieren- en mensenrijk. Ook planten hebben een bewustzijn, zelfs
mineralen hebben dat. Dat is wat de jains uit India en de Amerikaanse
indianen ons leren; en ieder die zijn hart opent voor zijn jongere broeders
weet dat ook.
Verder bezit ieder levend wezen een vorm van intelligentie –
niet noodzakelijk in de vorm van een zelfbewust bespiegelend denkvermogen
zoals wij mensen dat hebben, maar het heeft de mogelijkheid om indrukken
te ontvangen en te verwerken tot ervaringen die voor altijd deel blijven
van zijn wezen, omdat ze door zijn innerlijke ziel worden herkend. Op
deze wijze evolueert een ziel en wordt alles wat wij als mensen zijn
– waaronder ons lichaam, onze verlangens, ons denkvermogen en
onze intuïtie van het geestelijke en goddelijke – van binnenuit
voortgebracht. Op die manier ontvouwt ieder wezen zijn inherente vermogens
en brengt ze tot uitdrukking.
Tegelijkertijd is het individu – neem de mier als voorbeeld –
deel van een groter bewustzijn, in dit geval dat van het mierenvolk
waar ze toe behoort. Het lijkt niet waarschijnlijk dat er ooit een individuele
mier heeft geleefd die intelligent genoeg was om de technische en sociale
organisatie van het hele mierennest te overzien. Toch moet er om zo’n
structuur mogelijk te maken een grotere intelligentie zijn, die voortbouwt
op de gemeenschappelijke ervaring van alle mieren door de eeuwen heen.
Zonder dat zelf te weten is ieder individu deel van dat grotere bewustzijn.
Vooral biologen zouden zich kunnen afvragen wat het specifieke ervaringsgebied,
het specifieke veld van gewaarwording is waar hun studie op is gericht.
Als ze gevoelig worden voor de kwaliteit, de intensiteit en de vreugde
van de levens die zij willen begrijpen zullen ze zich bewust worden
van de broederschap van alle levende wezens – niet alleen theoretisch,
maar daadwerkelijk. Dat zal niet alleen hun begrip vergroten van waarom
de dingen zijn zoals ze zijn, maar het zal hen ook een andere benadering
bieden die fundamenteel verschilt van die van het darwinisme. De grondslagen
van het negentiende- en twintigste-eeuwse evolutionaire denken waren
materialisme en egoïsme, competitie, ieder voor zich, zonder rekening
te houden met het welzijn van anderen. Maar de evolutionisten van de
laatste tientallen jaren hebben er grote moeite mee de complexiteiten
van samenwerking, co-evolutie, holisme in de zin van de Gaia-theorie,
het waarom van de schoonheid in klank, kleur en vorm en de eindeloze
variatie van uitdrukkingswijzen in de natuur te verklaren. Als we bewustzijn
als een fundamentele kracht in de natuur beschouwen, kunnen we door
analogie onszelf beter begrijpen; en door het waarnemen en bestuderen
van de veelheid aan mogelijkheden, uitdrukkingsvormen en de creativiteit
van ons eigen bewustzijn, kunnen we de sleutel vinden tot een werkelijk
begrip van de ecologie van de natuur. We leven in een tijdperk waarin
een spirituele, niet-westerse benadering deel begint te worden van een
wereldcultuur. Er is niet langer een rechtvaardiging voor een materialistische
en zelfzuchtige verklaring van de processen van de natuur; en velen
zijn bereid om bewustzijn, met mededogen als de hoogste kwaliteit daarvan,
als een alomtegenwoordige kracht achter de verschijnselen van de natuur
te accepteren. Is er één gedachte die het hart meer vrede
kan verschaffen?
Nauw verbonden met de alomtegenwoordigheid van bewustzijn is de alomtegenwoordigheid
van denken. Het denken is niet een product van de menselijke of dierlijke
hersencellen, maar een vermogen dat in ieder levend wezen inherent is.
In feite zijn veel filosofen in verschillende culturen tot de conclusie
gekomen dat het denken eerder bestond dan de lichamen. Voordat er enig
menselijk, dierlijk of ander wezen bestond, was er al het kosmische
denkvermogen – mahat in het Sanskriet. In weer andere
culturen vinden we een scheppende god of een menigte intelligente scheppende
wezens voordat de vormen van de natuur totstandkwamen. Als we om ons
heen kijken, zien we dat creatieve processen voortdurend plaatsvinden
omdat de evolutie altijd bezig is meer perfecte uitdrukkingsvormen te
ontwikkelen. De organisatiestructuur van een mierenhoop kan niet worden
afgeleid van de individuele redenerende denkvermogens van de mieren
zelf. Intelligente aanpassing heeft men zelfs gevonden in de groeipatronen
van bacteriekolonies en er zijn aanwijzingen dat intelligente oplossingen
genetisch kunnen worden opgetekend en doorgegeven. Ik verwacht dat er
een doorbraak zal plaatsvinden in de wetenschappelijke visie, waarbij
men het denken als universeel beginsel zal accepteren als het leidende
principe in de ecologie: een ecologie van de geest in plaats van een
ecologie van de materie.
Denkvermogen werkt met gedachten. Gedachten kunnen vanuit één
zienswijze worden beschouwd als levende wezens die samenwerken en invloed
op elkaar uitoefenen. Geen enkel wezen op aarde bestaat uit alleen materie.
Ieder wezen is samengesteld: het heeft bewustzijn, waarnemingsvermogen,
verlangen, tenminste potentiële intelligentie en alle nemen onbewust
– of bewust – deel in de hogere geestelijke aspecten van
de natuur, zoals schoonheid, mededogen en wijsheid. Bij mensen –
heel verantwoordelijke deelnemers aan het ecosysteem van de aarde –
is het denkvermogen het belangrijkste aspect waarmee het ego zich verbindt.
De evolutie van het denkvermogen is het meest fundamentele kenmerk van
de menselijke ontwikkeling en het is te hopen dat de menselijke geest
zich meer zal verenigen met schoonheid, mededogen en wijsheid. Het is
de menselijke geest die culturen maakt. In zijn hoogste vorm betekent
dit prachtige hoogtepunten van kunst, filosofie, materiële voorzieningen
en een psychologie die sociaal en individueel geluk voortbrengt, en
een houding van hulpvaardigheid ten gunste van alle levende wezens;
helaas brengt de schaduwkant daarvan het tegendeel voort.
We leven in een heel opmerkelijke episode van de geschiedenis, waarin
het erfgoed aan gedachten van vele culturen samenkomt. In boekwinkels
vinden we meesterwerken die zijn voortgebracht door het denken en door
heilige inspiratie: uit India, Tibet, China; van de tradities van Amerikaanse
indianen, joden, christenen en moslims, en van oude culturen zoals de
Egyptische, Griekse en Perzische, naast moderne theosofische literatuur.
Er staat diepe wijsheid opgetekend in deze boeken, voor zover wijsheid
kan worden opgeschreven, en er staan vele aanwijzingen in die de onbevooroordeelde
lezer kunnen helpen innerlijke, hogere intuïtieve vermogens te
ontwikkelen, die hem dan helpen veel meer te begrijpen dan men in eerste
instantie op grond van de dode letter van die boeken mogelijk zou achten.
Deze werken kunnen volledig worden begrepen als we de sleutels ertoe
hebben, maar naar die sleutels moet worden gezocht.
Materiële kennis leidt tot een opeenstapeling van feiten en onvolmaakte
tijdelijke theorieën. Spirituele kennis leidt tot wijsheid. Wijsheid
leidt tot herkenning van de inherente eenheid en onafscheidelijkheid
van alle leven en daardoor tot erkenning van de broederschap van alle
wezens. Erkenning van broederschap wekt mededogen op, en mededogen is
de meest weldadige kracht voor het verbeteren en het welzijn van de
hele natuur. Om deze reden zou het goed zijn als de studie van de ecologie
werd uitgebreid met kennis van wat niet-westerse culturen te zeggen
hebben over de natuur, over het leven en over de houding die we ten
opzichte van levende wezens kunnen hebben. Een ecologie van de geest
– de beste geest van alle culturen – kan veel bereiken:
op de schouders van de rijke erfenis van de mensheid wordt een nieuwe
grootse en spirituele cultuur geboren.
Vele grote leraren hebben verklaard dat de hogere krachten van de natuur
meedogend en hulpvaardig zijn. Vele geschriften geven direct of in symbolische
vorm aan dat de evolutie een geestelijk doel heeft, namelijk het bereiken
van de hoogste staat van verlicht bewustzijn die voor ieder individu
en voor iedere vorm van leven mogelijk is. Daarom kunnen egoïsme
en competitie nooit de werkelijke drijvende krachten van de
natuur zijn. Bij mensen echter kunnen dit wel tijdelijk de leidende
krachten zijn voor hen die het diepst zijn gedompeld in het illusionaire
geloof in een afgescheiden zelf. Het zou veel edeler zijn als we alle
wezens konden zien als deelnemers aan universele samenwerking en hulpvaardigheid.
Dan zou duidelijk worden waarom er schoonheid, intelligentie en vreugde
in de natuur zijn, en ook zoveel vrijgevigheid: het plantenrijk als
geheel, bijvoorbeeld, spant zich in om de voorwaarden te scheppen die
het bestaan van dieren en mensen op aarde mogelijk maken. Alle wezens
scheppen het milieu voor alle andere. Ze ontmoeten elkaar in hun bewustzijn,
leren van elkaar en worden door elkaar getraind. We zouden dit ‘interactieve
co-evolutie’ kunnen noemen.
Als we de interactie van alle levende wezens in de natuur
willen bestuderen en recht willen doen aan wat de verschillende culturen
in de loop van duizenden jaren hebben onderwezen, dan zouden we ook
serieuze aandacht moeten geven aan de vele onzichtbare wezens die naar
velen zeggen de aarde, de lucht en andere werelden bewonen. Door iemand
die in de westerse cultuur is opgegroeid worden zulke wezens, zoals
die zijn beschreven door jains, hindoes, Grieken, indianen, Scandinaviërs
en christenen gewoonlijk gezien als bijgeloof of, op zijn best, niet
echt als zaken voor serieuze overweging. Maar kent de wetenschap dan
geen onzichtbare krachten? Elektriciteit, zwaartekracht en radiogolven
zijn onzichtbaar, en voor de meeste mensen zijn onze gedachten eveneens
onzichtbaar. Tot nu toe is er geen instrument uitgevonden dat gedachten
kan waarnemen; niettemin neemt ons brein ze voortdurend waar en werkt
ermee.
Wat voor filosofisch onderzoek zouden we kunnen doen dat ertoe kan
leiden meer in harmonie met onszelf en de natuur te geraken? We zouden
bijvoorbeeld een vergelijkende en gedetailleerde studie kunnen doen
naar de oude en moderne denkstelsels die zich bezighouden met basisbegrippen
van de biologie en andere wetenschappen en ons richten op vragen zoals:
wat is leven en wat zijn levende wezens werkelijk (dit zou in feite
de eerste en belangrijkste vraag van de biologie moeten zijn); hoe zijn
levende wezens ontstaan; wat is het doel van hun bestaan; wat is de
specifieke leefruimte van individuen en groepen binnen het geheel van
de bewuste natuur; welke rol spelen denken en intelligentie in verschillende
organisatieniveaus van de natuur; wat is de speciale rol van de mensheid
in de evolutie van de aarde; en welke alternatieve classificatiesystemen
kunnen we bedenken. We zouden ook opnieuw kunnen nadenken over wat de
mensheid, gezien vanuit een meedogend en geestelijk perspectief, het
beste kan ondernemen voor het welzijn van alle schepselen in de natuur,
om aldus de basis te leggen voor een meer universele filosofische benadering
van wat we in onze tijd de ‘milieuproblematiek’ noemen.
Van daaruit kunnen we wellicht onze ideeën over natuurbehoud en
-beheer en onderzoekskeuzen heroverwegen. Dit alles zou bijdragen aan
een meer rechtvaardige en vreedzame relatie tussen alle wezens.
Serieuze studie van de ecologie volgens deze beginselen zou onthullen
dat sommige van de onzichtbare levende wezens de krachten van de natuur
zijn, levende krachten, en dat andere – aan de andere
kant van de schaal – wezens zijn van een hogere evolutie, intelligentie
en wijsheid dan die van onszelf. Samen vormen ze de onzichtbare hiërarchieën
van de natuur, die in voortdurende wisselwerking staan met de stoffelijke,
emotionele en mentale processen binnen de wereld van het zichtbare.
De krachten van de natuur zijn daarom nooit blind, maar worden geleid
door intelligente uitvoerders van de wet van oorzaak en gevolg. Als
we proberen door te dringen tot de werkelijke betekenis van deze hiërarchieën,
ontdekken we misschien niet alleen dat oude culturen al eeuwenlang wisten
wat we in de moderne wereld nog maar net beginnen te begrijpen, maar
we kunnen ons ook ervan bewust worden dat er nog heel veel te ontdekken
valt. Op zijn minst leren we beter het grootse panorama van ons universele
ecosysteem te zien.