De scheppende kracht
I.M. Oderberg

 

Het heelal strekt zich onmetelijk in alle richtingen van ruimte en tijd uit, en gaat het vermogen van het beperkte verstand om dit volledig te begrijpen te boven. Hoewel het denken de logische noodzaak van oneindigheid kan inzien, kan het het grenzeloze niet begrijpen; het kan het zich alleen voorstellen als een volheid van alle mogelijke variaties van entiteiten, van de kleinst denkbare onderdelen van deeltjes, en door hun samenvoeging tot entiteiten die tot steeds grotere wezens worden samengesteld, die zelfs niet ophouden bij enorme superclusters van melkwegen van sterren. Gemeenschappelijke eigenschappen werken als het ‘cement’ van hun universum; toch zou het niet juist zijn om te veronderstellen dat Ruimte slechts een vergaarbak is. Vroegere beschavingen beschouwden ‘Ruimte’ als de ‘altijd vruchtbare moeder van alle wezens’.
     We zien op aarde stenen bestaande uit verschillende delfstoffen, en ook planten, dieren en mensen. Daar voorbij – en binnenin – bevindt zich het niet te omschrijven vermogen dat door de mens voor het eerst uit het potentiële denkvermogen tot uitdrukking werd gebracht, dat in het begin uitvloeide in de ‘kiem’vorm van zelf-bewustzijn en dat zich later met toenemende energie en vaardigheid ontwikkelde tot de bloei van de geestelijke eigenschappen. Deze ontvouwden zich uit de meest innerlijke essentie van de mens en maken het ons mogelijk een wereld van kracht en schoonheid te weven uit de draden van het dagelijkse leven.
     Sommige wetenschappers gebruiken hun denken om ‘een allesomvattende theorie’ uit te werken, maar nemen daarin slechts een beperkt spectrum van substanties en energieën op en laten in hun vergelijkingen dat ene element – het intuïtieve aspect van het denken, de nous van Plato’s filosofie – dat het mogelijk maakt zulke vergelijkingen nauwkeurig op te stellen, buiten beschouwing.
     Zo is ook de ‘allesomvattend theorie’ (theory of everything, TOE) ontstaan, een naam voor een ‘grote integrale veldtheorie’ (grand unified field theory, GUT) waar in de natuurkunde naar wordt gezocht om de theorie van de ‘sterke nucleaire kracht’ met die van de ‘zwakke nucleaire’ en elektromagnetische kracht te combineren. Aan dit alles wordt ‘zwaartekracht’ toegevoegd, die niet als een scheppende kracht van verschijnselen wordt beschouwd maar als het resultaat van elektromagnetische activiteit.
     Maar het universele leven berust op een innerlijke essentie die voorbij de grenzen van mechanische redeneringen ligt. Er zijn twee manieren om ons heelal en onze relatie daarmee te bekijken – ze kunnen verwijzen naar een samenhangende zienswijze: het materiële aspect en de innerlijke natuur ervan. Dat wil zeggen de ‘werkingen’ van de energieën en substanties van de natuur, en de impuls die uit de kern ervan voortkomt. Hierbij speelt een rol dat men inziet dat het kosmische ‘hart’ door zijn eigen spectrum van substantie werkt. In bijvoorbeeld de Bhagavad-Gita, een van de hindoeklassieken, vraagt Arjuna (ieder mens) Krishna (de ‘essentie’ van het heelal die wordt vertegenwoordigd door een ‘vonk’ in hemzelf) om de kosmische uitgestrektheid van zijn werkelijke aard te onthullen. De ervaring brengt Arjuna van zijn stuk en hij vraagt om die te laten ophouden. De complexheid van de mechanische onderlinge verbanden, de werkingen van de ‘raderen die raderen aandrijven’ en waaruit het fysieke heelal is opgebouwd waren veel te overweldigend!
     In de oude ‘mysteriën’ – heilige gebeurtenissen die een hoogtepunt kenden in de training die in de mysteriescholen van Griekenland mogelijk waren – beschouwde men de ontmoeting van aangezicht tot aangezicht met de eigen meest innerlijke essentie, het hogere zelf genoemd, als iets van ongeëvenaarde luister.
     In de Egyptische Pymander (een in Alexandrië gemaakte vertaling van een veel ouder werk) doet de verteller, Tat, ‘zoon’ van Thoth (Tehuti of wijsheid), verslag van zo’n beloning:

     Op een keer, toen ik was begonnen na te denken over de dingen die zijn, en mijn gedachten een hoge vlucht hadden genomen . . . dacht ik een tegenwoordigheid van onmetelijke grootsheid waar te nemen die mijn naam riep en tegen me zei: ‘Wat verlang je te horen en te zien, en te begrijpen en te leren kennen door overpeinzing?’ ‘Wie bent u?’ vroeg ik. ‘Ik,’ zei hij, ‘ben Poimandres, Nous [het denkvermogen] van de Heerschappij [of absolute macht].’ Ik zei: ‘Ik verlang te worden onderwezen in de dingen die zijn, en hun aard te begrijpen en God te kennen. . . .’ En hij antwoordde: ‘Ik weet waar je naar verlangt, want ik ben inderdaad overal met jou; houd alles dat je wenst te leren in gedachten, en ik zal je onderrichten.’
     Met deze woorden, veranderde hij van vorm, en plotseling werd alles in een flits voor mijn ogen geopend, en nam ik een grenzeloos spectrum waar, alles werd licht, een zacht en vreugdevol licht. En ik raakte bekoord door deze aanblik.1

     Vervolgens nam hij de duisternis van het ongemanifesteerde waar, het in beweging komen van de wateren van de substantie, de geboorte vanuit het binnenste van de Ruimte van energieën die de materie ertoe aanzetten om de werelden te maken. Dit verheven visioen veranderde de verteller zodanig van vorm en karakter dat hij de werkelijke ‘zoon’ van de bezielde wijsheid van de geestelijke kant van de natuur werd. Zijn vroegere dorre bestaan had hij ‘gelijk Osiris’ gemaakt met de groene loten van een nieuwe geboorte. Hij had zichZelf geschapen. Dit geestelijke bewustzijn, latent in ieder mens, vormt onze poort naar het grenzeloze universum en naar het grenzeloze in onszelf. Door de scheppende kracht ervan kunnen we alle gebieden van het Zijn, die de Ruimte vullen en vormen, ervaren en deze tenslotte worden.

 

Verwijzing:

  1. Samengesteld op basis van twee vertalingen: die van Hans Jonas in The Gnostic Religion (Beacon Press, 1958, blz.148), en die van Walter Scott in Hermetica (Dawson, Londen, herdruk 1968, 1:115).

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 1999

© 1999 Theosophical University Press Agency