Zeven juwelen van wijsheid
Raymond Rugland

 

Een mens zit alleen en denkt na. Het tafereel dat hij ziet is vertrouwd: het huis, de aarde. Maar het denken heeft vleugels! Het voert ons naar het heelal van het atoom en naar het heelal van de kosmos. We zien onszelf als een heelal dat zich halverwege bevindt. Als we op zoek gaan naar gesloten deuren, vinden we ze nergens. Overal waar we kijken, zien we beweging, richting, wil en intelligentie – dus leven.

De denker vraagt zich af: Waarom ben ik hier? Een deel van hemzelf antwoordt: Waar zou je beter kunnen functioneren? Denk eens aan alle levensvormen op aarde: Zou je liever een arend willen zijn? een leeuw? een vlinder? of een amoebe? Lach niet, mijnheer de denker. Wat geeft je het recht te veronderstellen dat je voor ‘God’ belangrijker bent dan een van deze? Ieder schepsel op aarde vat zijn rol ernstig op en doet zijn werk zo goed als het kan: van het spinnen van een web tot het bouwen van een nest. Maar je zou toch niet met een van die lagere schepsels willen ruilen, is het wel?

Laten we eerlijk zijn en aannemen dat wij zijn wat we zijn – niet door een bijzondere gunst van de schepper, maar omdat wij het recht hebben verworven mens te zijn. Verworven? Waar begint dat? We kunnen zeggen ‘aan het begin’. Dat betekent alleen dat we er helemaal niets van weten! Een zandkorrel zou ons in evolutie wel vóór kunnen zijn! Als dat strookt met ons rechtvaardigheidsgevoel, zullen we moeten toegeven dat het proces wel enkele miljarden jaren in beslag kan nemen. Waarom niet? We zouden het probleem van de tijd aan het andere uiteinde niet willen accepteren: vanuit ons huidige menszijn de weg nog enkele kilometers vervolgen, en juist als we vat beginnen te krijgen op onze problemen en uitzien naar de volledige ontplooiing van onze mogelijkheden, iemand horen zeggen dat de weg vlak achter de volgende bocht eindigt. Als we geen einde wensen aan onze toekomst, kunnen we ook niet aannemen dat ons verleden een begin heeft!

Natuurlijk zou het nogal een dwaas gezicht zijn als wij, met ons lichaam, een web probeerden te spinnen; daarom nemen wij aan dat we het juiste instrument zouden hebben om het karwei te klaren. We verwachten ook niet dat een spin op de piano Chopin speelt. Laten we zeggen dat we het spel op de goede manier, als mens, spelen en dat tot een goed einde brengen. Waar gaan wij dan heen? De sluiers vallen weg voor onze ogen – ook nu weer door eigen inspanning – en we worden ons bewust van onze grotere verantwoordelijkheid om met de natuur mee te werken. Deze planeet zal niet eeuwig ons thuis zijn. Waarom zou de natuur een onderbreking toestaan in een eindeloze reeks intelligente wezens van hoog tot laag? Dat is de reden waarom de waarheid, een deel van de oneindige toren van denken, met milde hand aan allen wordt geschonken die de plicht op zich kunnen nemen alle anderen te dienen. Alleen in het westen is de gedachte gangbaar dat we bij het opdoen van kennis met een schone lei beginnen. In het oosten is het licht van de kosmos en van de mens er voor allen – behalve in die gebieden van de oneindigheid waar de kracht van het menselijk denken niet kan doordringen. Het goddelijke is niet ontoegankelijk – maar iets wat daarachter ligt!

De eeuwenlange ervaringen van onze oudere broeders – onze meest nabije schakel op de intellectuele en geestelijke klimmende schaal van wezens – hebben een schat van zeven juwelen opgeleverd, sleutels om de geheime deuren van de natuur te openen, die de mens naar het hart van het heelal leiden.

Het eerste hebben we al overwogen: wedergeboorte. De erkenning dat onze onsterfelijkheid ligt in het Zelf van ons wezen dat een vonk is van het goddelijke denkvermogen – een zaad, zo u wilt, vol goddelijke mogelijkheden. Dat is het zaad van onszelf dat door elke levensfase moet gaan, totdat de mens de teugels voor zijn eigen groei grijpt en vanaf dat moment zijn eigen evolutie leidt. Als mens doet hij de eerste bewuste stappen naar het goddelijke en naar zelfbewustzijn. Daar het ‘denken’ in hem is ontwaakt, heeft hij het vermogen om logisch te redeneren en te kiezen.

Het tweede van de zeven juwelen is karma, de wet van oorzaak en gevolg. Men heeft er de naam wet van gevolgen aan gegeven. Karma is een Sanskrietwoord dat is afgeleid van de wortel kri die ‘doen’ betekent. Het is eenvoudig een feit dat wanneer een wezen dat met begeerte, wil en verstand is begiftigd iets doet, datgene wat hij doet niet kan worden gedaan zonder andere levens te treffen die zelf met begeerte, wil en intelligentie zijn begiftigd. Dan is er dus een verstoring, een reactie, zo u wilt. De reactie die mensen ervaren noemen we vreugde of pijn, beloning of straf, goed of kwaad. Karma blijkt niet langer een hinderpaal te zijn wanneer we leren in harmonie met de goddelijke wil te werken.

Het heelal waarmee we vertrouwd zijn is dat wat wij met onze zintuigen waarnemen, de stoffelijke wereld. In zekere zin is het ook de wereld van gevolgen, van resultaten. De oorzaken zijn voor het oog verborgen. Een feit dat we maar al te goed kennen. Van wat wij zijn is aan de buitenkant niet veel te zien! Dat geldt ook voor de natuur. Ze heeft haar innerlijke kant. Hogere wezens zijn heel reëel en wij hebben er geen idee van wat ze doen en wat we aan hen te danken hebben. Omdat de vonk van het goddelijk denkvermogen in alle dingen bestaat, hebben alle dingen een gemeenschappelijke afkomst. Het is daarom geen dichterlijke verbeelding als we zeggen dat broederschap een feit in de natuur is. De als Gautama bekende boeddha heeft gezegd: ‘Aan alle bestaansverschijnselen gaat het denken vooraf, het denken is hun hoogste leider en ze zijn gevormd uit het denken.’

Het derde juweel is hiërarchieën; dit woord houdt in dat de kosmos op ieder niveau van de zichtbare en onzichtbare werelden uit eindeloze levens en bewustzijnspunten bestaat. Overal is orde en alles heeft een doel. Als we het heelal vergelijken met een reusachtig ‘web’ – waarvan alle delen gespannen en verbonden zijn – kunnen we gemakkelijk inzien dat de geringste beweging van één draad door alle draden wordt gevoeld.

Het vierde juweel is svabhava – ‘zelfzijn’ en ‘zelfwording’ – dat te maken heeft met dat deel in ons dat wij graag als uniek beschouwen, onze onsterfelijke individualiteit. Noem het een monade (een ‘één’), een zaad, een vonk, of een ziel. Noem het een onsterfelijk ego. Wanneer we in staat zijn volledig tot uitdrukking te brengen wat in dit zaad is opgeslagen, worden we universeel. Dan worden we buddha, ‘verlicht’.

Het vijfde juweel heeft te maken met de gelijktijdig bestaande, complementaire, tweevoudige processen waardoor de levens vooruitgaan. Tussen de polen van de natuur – geest en stof – vindt een voortdurende uitwisseling plaats. De evolutie bestaat uit het verheffen van de lagere elementen door de hogere. Involutie is het omgekeerde proces, waardoor de geestelijke elementen die ervaring zoeken in de stoffelijke rijken zich als het ware in de stof ‘inwikkelen’. Alleen door een dergelijke ervaring wordt het goddelijke verworven.

Het zesde juweel heeft betrekking op het ‘moment van keuze’ voor pas ontloken goden in menselijke vorm. Wanneer de mens eenmaal de top van menselijke volmaking heeft bereikt, verwerft hij het recht voort te gaan naar hoogten van onuitsprekelijke gelukzaligheid. De keuze wordt dan: Nu hij het recht heeft verworven op kosmische vrede en geluk – zal hij deze voor zichzelf aanvaarden? Of zal hij omkeren, zich die beloning ontzeggen en als baken dienen voor al die mensen die nog voortzwoegen op het duistere en kronkelige pad en er tot het laatste ogenblik niet zeker van zijn of ze het doel kunnen bereiken?

Het laatste juweel van wijsheid, dat alleen genoemd maar niet verklaard kan worden, gaat over het hoogste mysterie: hoe het gemanifesteerde heelal door een gouden draad is verbonden met de oneindigheid; hoe het Ene zich uitbreidt tot het vele zonder zelf te verminderen.

Er is gezegd dat alle kennis in deze zeven juwelen van wijsheid kan worden samengevat. Dat we deze kennis niet in ons hebben opgenomen – en waarschijnlijk zullen we dit nog eeuwenlang niet kunnen – wil niet zeggen dat ze er niet is. Ware kennis kan slechts worden opgedaan wanneer de zoeker naar waarheid wordt wat hij zoekt. Als waarheid betekent de dingen kennen zoals ze innerlijk zijn, dan moeten we het feit onder ogen zien dat waarheid wezens betekent, niet abstractie. Zij die deze leringen – deze geheime leer – eonenlang hebben beschermd, zijn altijd bereid geweest ze mee te delen aan hen die hun leven wilden wijden aan de verheffing van de mensheid.

De denker peinst: we hoeven deze leringen alleen maar zelf te bestuderen en erover na te denken, want de wijsheid omtrent de mens en de kosmos ligt besloten in het universum dat de mens is.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 1999

© 1999 Theosophical University Press Agency