Van onze lezers

 

Oregon, 28 januari 1999
     Mijn leven lang heb ik verwarring ervaren en voelde ik me in verlegenheid gebracht wanneer mij werd gevraagd, ‘Ben je gelukkig?’ Nooit heb ik eraan gedacht dat ik gelukkig zou moeten zijn. Ik ben ongelukkig geweest, maar geluk moet veel meer inhouden dan alleen het je niet ongelukkig voelen. Tevredenheid heb ik gekend, en ik beschouw die als karakteristiek voor mijn normale toestand. Maar het is mijn goede geluk niet te worden opgeslokt door en ook niet mezelf te verliezen in ‘het najagen van geluk’ zoals bij zoveel anderen het geval schijnt te zijn.
     Van tijd tot tijd ervaarde mijn vrouw wat ze de ‘paarse pluisjes’ noemt, wanneer ze het gevoel had dat ze werd overspoeld door liefde: alle dingen van binnen en van buiten veranderden dan in roze-paars en alles werd stil en vredig in haar omgeving. Ze zocht deze ervaringen niet op en ook dacht ze niet dat zij die op een of andere manier veroorzaakte. ‘Ze gebeuren gewoon’, zou ze zeggen. Bij aandringen ging ze zover dat ze toegaf dat ‘het in ieder geval erop lijkt dat ik niet iets doe om ze te voorkomen – zo kort als ze duren en zo zelden als ze voorkomen’.
     Toegegeven – mensen kunnen geluk ervaren en dat gebeurt ook. Maar meestal klinken de woorden ‘Ben je gelukkig?’ meer als een geloofsverklaring die vraagt om bevestiging – ja deze bijna eist. Het geloofsartikel luidt dat een toestand van geluk door gewone mensen, die geheel in beslag worden genomen door het huidige rumoerige leven, niet alleen kan worden verworven maar kan worden vastgehouden. Mijn problemen hiermee komen voort uit mijn eigen opvatting:

Men zou geluk niet moeten nastreven.
Als geluk wordt nagestreefd, kan het niet worden verkregen.
Als geluk is verkregen, kan het niet worden vastgehouden.

     Waar kwam al dit uitzinnig streven naar geluk vandaan? Ik denk dat de grondleggers van ons land veel te maken hebben met het voeden van een vanzelfsprekende menselijke neiging tot een allesverterende nationale bezigheid. Op 4 juli 1776 verklaarden ze voor de Verenigde Staten van Amerika de politieke onafhankelijkheid van Groot-Brittannië, en stelden dat mensen ‘gelijkwaardig zijn geschapen, dat ze door hun Schepper zijn begiftigd met zekere onvervreemdbare rechten, en dat leven, vrijheid en het nastreven van geluk daartoe behoren’.
     Deze nationale grondleggers namen hun toevlucht tot een gewapende strijd om hun verklaring te ondersteunen en slaagden na verloop van tijd erin de door hen nagestreefde afscheiding te bereiken. Toen gingen ze aan de slag met het opstellen van de organisatie van instellingen en wettelijke procedures in de Constitutie, waarvan ze dachten dat de burgers van deze nieuwe staat bereid zouden zijn ze aan te nemen en te ondersteunen – overeenkomsten en procedures die waren ontwikkeld om de rechten van de mens op leven, vrijheid en het nastreven van geluk te beschermen.
     Mijn vrouw schijnt momenten van geluk te hebben gekend. Als we bij haar te rade waren gegaan, hadden we kunnen vragen, ‘Wat streefde je dan na als het geen geluk was?’ Haar antwoord zou ondubbelzinnig luiden, ‘Ik zocht alleen waarheid’.
     Ik beschouw onze grondleggers voornamelijk als waarheidszoekers en doorgevers van waarheid, en vraag me af waarom ze niet soortgelijke eigenschappen toekenden aan hun medeburgers. Wat nu als ze in plaats daarvan hadden verklaard dat de essentiële onvervreemdbare mensenrechten ‘leven, vrijheid en het nastreven van waarheid’ zijn?
     De onvervreemdbare rechten zoals deze door onze grondleggers zijn genoemd zijn rechten van en voor het zelf. ‘Het najagen van geluk’ hield geen zorg in voor het geluk van anderen. Het feit dat deze zelfzuchtige menselijke eigenschap in 1776 werd erkend en er rekening mee werd gehouden, wordt nu niet alleen gebruikt als excuus maar ook als een wettelijke goedkeuring van de algemeen heersende en ongecontroleerde zelfzucht in onze tijd. Stel dat de huidige mensen waarheid zouden nastreven met dezelfde energie en intensiteit waarmee ze zelfzuchtig geluk nastreven, wat dan?      – Hugh Harrison

 

Californië, 25 juni 1999
     Ik zend hierbij twee pas vrijgegeven foto’s gemaakt met de Hubble Ruimtetelescoop1 (HRT) uit het wetenschapskatern van de New York Times van 8 juni, onder het hoofd ‘Leven en dood van sterren’, en ‘Een stoffig huis van sterren’. De eerste legt verschillende fasen van de levenscyclus van sterren in één enkele foto vast! De tweede is een sleutelproject van HRT over de buitengalactische afstandsschaal.


     Soms kunnen bij plotselinge openbaringen de woorden een beetje verward en dwaas uit onze mond komen, maar toen ik deze ‘ontzag’-wekkende afbeeldingen zag, flapte ik niettemin eruit, ‘Kijk eens naar deze fantastische foto’s – het zijn foto’s van onszelf!’ Ik zeg dit met volledige overtuiging omdat ik het eeuwenoude gezegde uit de bouwkunst – ‘Zo boven, zo beneden’ – ter harte neem en verbind met de opbouwende en inspirerende uitspraak van de 20ste eeuwse sterrenkundige Harlow Shapley: ‘De mensheid is gemaakt van sterrenstof, en wordt geleid door universele wetten’. Is het dan verwonderlijk dat kenners van zen met dezelfde stelligheid kunnen zeggen, ‘Het vuur dat we zoeken is onze eigen [galactische] lantaarn’, of dat het Dhammapada ons zegt: ‘Kijk naar binnen – U bent Boeddha’.
     Het opvallend mooie van deze universele en boeddhistische uitspraken over de ‘uitzonderlijke lichtverschijnselen’ aan ons hemelgewelf is dat wij mensen als het ware een kopie ervan regelrecht in ons eigen borstgewelf dragen – de volledige cyclische show – van het voedingrijke en vruchtbare sterrenstof, tot ‘proplyds’ (sterrenknoppen), tot stralende zonnebloesems en hun planeetzaden die eeuwig terugkeren. Sterrenstof is de klei van de mystieke ‘vuurnevel’ – het ‘concreet geworden licht’ waaruit wij zijn gemaakt. Zo komt het dat we zelf een melkwegstelsel op kleinere schaal zijn; we zijn de galactische ‘samenklonteringen’ of ‘menigten’; we zijn een supercluster van moleculaire melkwegstelsels op relatieve grootte, die tot de ‘Grote Aantrekker’, ons innerlijk of goddelijk zelf, worden aangetrokken en daaromheen draaien. Ik weet zeker dat alle mythische supermensen, en zelfs wetenschappers zoals Einstein, deze wijsheid kenden en er hun voordeel mee deden.
     Bekijk ook van de 17de eeuwse sterrenkundige/theoloog Pater Riccioli deze gegrafeerde titelplaat uit zijn werk Almagestum novum:
Aan de rechterkant staat de gevleugelde figuur Astraea, versierd met sterren; zij vertegenwoordigt de sterrenkunde. Aan de andere kant, tegenover haar, staat de mythologische figuur Argus met de honderd ogen; hij vertegenwoordigt de sterrenkundige op zoek naar goddelijke waarheid.
     De Verbeelder in mij ziet Argus als een levende interferometer – een instrument dat is ontwikkeld om verre sterren in een hoge resolutie waar te nemen (en wie weet, misschien zelfs ideeën die nog ver weg zijn) door twee of meer telescopen (ogen) met elkaar te verbinden en te laten functioneren als één instrument, waarbij het binnenkomende licht (of de gedachtestraal) wordt uitgesplitst en weer samengebracht om interferentiegolven of verschijnselen teweeg te brengen, en zo gegevens vast te leggen die kunnen worden berekend en afgebeeld. Het boeiende is dat zo’n honderd jaar na Riccioli, de Engelse ziener en dichter Samuel Taylor Coleridge in een van zijn aantekenboekjes schreef: ‘Hij keek naar zijn eigen ziel met een telescoop. Wat allemaal ongeordend [interferentiegolven?] leek, zag hij als prachtige constellaties [afbeeldingen?] en toonde dat aan; en hij verrijkte het bewustzijn met verborgen werelden binnen werelden.’ Eureka! Des te meer indirect bewijs dat de hemelse oceaan van geschiedenis zijn door de sterren getransformeerde Mensen kent.
     Het is tenslotte bekend dat Albert Einstein H.P. Blavatsky’s De Geheime Leer op zijn bureau had liggen. Ik ben er zeker van dat het lezen van haar 19de eeuwse her-introductie van ‘kosmisch’ en ‘menselijk’ leven hem tot denken stemde om zijn openbaring onder woorden te brengen toen hij intuïtief concludeerde: ‘Het kosmische religieuze gevoel is een diepgaande overtuiging van de rationaliteit van het heelal. Het is de belangrijkste functie van kunst en wetenschap om dit gevoel wakker te roepen.’
     ‘Wakker te roepen’, ja inderdaad! Met deze bewijzen van gezegden, kunst, mythen, enz., benadrukt door de moeilijk te doorgronden beelden van de Hubble Ruimtetelescoop, kunnen we beginnen te zien, zoals Argus, in honderdvoud door de vele licht-verzamelende ogen van onze ‘interferometer’-zelven.      – Wynn Wolfe


PS: Ik kwam net dit voorbeeld tegen van ‘vlekken-interferometrie’ van het Kitt Peak Observatorium: het beeld van een ster wordt opnieuw samengesteld nadat het sterrenlicht door de atmosfeer van de aarde is gebroken. De inzetfoto (linksboven) van de dubbelster Capella toont vele miniscuul kleine individuele beelden, die het grote vage object dat we normaal gesproken zien, vormen. Er werden een groot aantal opnamen met een heel korte belichtingstijd gemaakt, die de ster bij het twinkelen bevriezen in de tijd. De uiteindelijke door de computer verwerkte afbeelding laat de meest heldere G5-reuzenster in het midden zien, waarbij zijn G0-metgezel tweemaal, aan elke kant één keer, verschijnt. Eén is echt en de andere is een ‘dubbelbeeld’.
     Is dit proces van het scherp in beeld brengen van sterren niet analoog aan het proces van schepping wanneer de mens zich concentreert? Een helder denkbeeld of idee zweeft in het hemelgewelf van ons bewustzijn, en verschijnt eerst nogal vaag. Vervolgens kunnen we, door middel van de ‘Argus’ van onszelf, een groot aantal opnamen maken met een korte belichtingstijd, die het licht van ons heldere idee bevriezen wanneer het twinkelt in de tijd en de uitkomst wordt van onze creatieve inspanning. Ik zeg nog eens, ‘Kijk eens naar dit prachtige beeld – ook dit is een beeld van onszelf!’

 

Verwijzing:

  1. Internetpagina: http://oposite.stsci.edu/pubinfo

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 2000

© 2000 Theosophical University Press Agency