Er is één episch onderwerp
dat eeuwenoud, onveranderlijk en universeel is – namelijk het
verhaal van de worsteling omhoog van de menselijke ziel, individueel
of collectief, uit de duisternis van zonde en dwaling, naar het licht
van wijsheid en waarheid. – Colin Still
Voorloper van ons tegenwoordige theater was de tempel
waar mythen in de vorm van een drama werden opgevoerd met deelname van
de toeschouwers, want allen die het bijwoonden doorleefden de rollen
die zich voor hun ogen ontvouwden. Deze wisselwerking tussen het individu
en de levenschenkende mythos had een zuiverende uitwerking op het karakter
en de zienswijze van de aanwezigen en bracht hen vaak ertoe hun toewijding
aan hoge idealen te versterken. Bij de Grieken kunnen we bijvoorbeeld
via de weinige bewaard gebleven delen van de drama’s van Aeschylus
flauwe schijnsels bespeuren van een oorspronkelijke wijsheidsleer over
de mens en het heelal. Epictetus, de stoïcijnse filosoof die ooit
slaaf was, verzoekt ons ‘niet te vergeten dat je een acteur bent
in een toneelstuk waarin de regisseur de leiding heeft’. Wie is
deze regisseur? Staat hij buiten ons of is hij onze eigen blijvende
essentie? Maar hoe gemakkelijk verwarren we de rollen die we spelen
en de kledij van onze acteur met het werkelijke Zelf dat ervaring opdoet
van het leven door middel van onze uiteenlopende persoonlijkheidsmaskers.
Over wat het laatste toneelstuk van Shakespeare zou zijn,
De Storm, zijn boekdelen volgeschreven waarin het onderwerp
ervan en de betekenis van de personages erin respectievelijk worden
behandeld als politiek, allegorieën en fantasie. De algemeen aanvaarde
opvatting is dat een beroemde schipbreuk bij de Bermuda’s in 1609,
waarbij de opvarenden ‘op wonderbaarlijke wijze werden gered’,
als inspiratie voor Shakespeare heeft gediend. Maar het is zinvol om
rekening te houden met een diepere betekenis in het stuk. Het is ongetwijfeld
meer dan een sprookje over een hertog, Prospero genaamd, die door zijn
eerzuchtige jongere broer was onterfd en naar een afgelegen eiland verbannen,
waar hij magische krachten uitoefent over de elementen. Het is ook niet
alleen maar een dramatisch verhaal over een vreemde schipbreuk die de
passagiers in zee onderdompelt en hen toch op een of andere manier droog
op het eiland neerzet; of een relaas dat hun al dan niet vermakelijke
avonturen navertelt, en vooral aandacht schenkt aan de beproevingen
van een van hen, Ferdinand, die uiteindelijk Miranda, de dochter van
Prospero, ontmoet; tenslotte bezegelt hun verloving de verzoening van
de broers. Nee, het gaat niet alleen om deze dingen, zelfs niet om het
opheffen van de eigenaardige eigenschappen van het eiland door de buitengewone
wilskracht van Prospero wanneer deze na lange tijd besluit naar zijn
geboorteland te vertrekken en daar zijn plichten te vervullen.
De Storm blijft boeien, zelfs in deze prozaïsche
tijd van geavanceerde technologie. Waardoor houdt het stuk ons zo sterk
en blijvend in zijn greep? Herkennen we misschien kanten van onszelf
in de uitgebeelde karakters? Jaren geleden kreeg ik een opmerkelijk
boek in handen: Shakespeare’s Mystery Play, A Study of ‘The
Tempest’ door Colin Still (1921). Het onlangs verschenen
werk van Harold Bloom, Shakespeare: The Invention of the Human
[De uitvinding van de mens], bracht het in mijn herinnering als tegenwicht
voor Blooms seculiere psychologische interpretatie en zijn niet aflatende
afwijzing van een geestelijke dimensie in de toneelstukken van Shakespeare,
en in het bijzonder in De Storm. De verhandeling van Still
brengt De Storm in verband met ‘heidens inwijdingsritueel’,
de ‘Mythe van het evangelie’ en de ‘Eleusinische kleine
inwijding’, allemaal variaties op hetzelfde thema. Men hoeft de
geloofwaardigheid beslist geen geweld aan te doen om een sterke overeenkomst
te zien tussen het stuk en wat we kunnen samenstellen uit klassieke
bronnen over de training die in de vroegere mysteriecentra werd ontvangen.
Kort gezegd bestonden de kleine mysteriën uit zuiveringsriten
en het uitbeelden in dramatische en symbolische vorm van wat de kandidaat
later, als hij had bewezen het waard te zijn, zou ondergaan in de grote
mysteriën. En al brengt Still De Storm in verband met
de ‘opgang, val en verlossing’ van de mens, hij gebruikt
deze woorden in veel ruimere zin dan de betekenis die ligt besloten
in de dogma’s van de Europese theologie. Want de mysterietraditie
beschouwde de mens als een wezen dat een god in zich bergt, die naar
het fysieke leven wordt aangetrokken om de verschillende krachten en
vermogens, opgesloten in de kern van zijn wezen, uit hun latente toestand
naar buiten te brengen. Deze gang van zaken werd gezien als een soort
verbetering van de kwaliteit, het wegbikken van zelfzuchtige korstvorming,
en zou leiden tot het geleidelijk blootleggen van het spirituele, waarbij
de mens aldus na verloop van tijd een bewuste uitdrukking van zijn goddelijke
staat wordt.
Is er in De Storm iets dat deze interpretatie
ondersteunt? Still verdeelt de bij de schipbreuk betrokken personages
in drie hoofdgroepen: Stephano en Trinculo, de Partij van het Hof, en
Ferdinand. Hij voert aan dat de ervaringen van Stephano en Trinculo
‘mislukking weergeven om inwijding te bereiken’; die van
de Partij van het Hof betekenen ‘de kleine inwijding’; de
avonturen en beproevingen van Ferdinand ‘vertegenwoordigen de
grote inwijding’. Ter ondersteuning hiervan brengt hij enkele
interessante punten naar voren. In het eerste bedrijf, tweede toneel,
merkt Gonzalo van de Partij van het Hof niet minder dan vier keer op
dat zijn kleding droog is, hoewel hij en de anderen na de schipbreuk
enige tijd in het water hebben gelegen. Het is inderdaad opmerkelijk
dat er op de kleren, zoals de geest Ariel tegen haar meester Prospero
zegt, ‘geen vlekje’ zat, maar dat ze eigenlijk ‘schoner
waren dan tevoren’. We moeten erop letten dat het lied van Ariel
voor Ferdinand, waarin de veronderstelde verdrinking van zijn vader
wordt beschreven, eveneens verwijst naar de bijzondere eigenschap van
de ‘verandering door de zee’ die hem ‘tot iets rijks
en vreemds’ heeft gemaakt.
Dan is er Sebastiaan van de Partij van het Hof, die spreekt
over een geluid als ‘een holklinkend losbarsten van loeiende stieren’,
wat Still en anderen doet denken aan het gonzende geluid van het bromhout
– de rhombos of konos die in de Eleusinia en
andere oude Griekse mysteriecentra werd gebruikt – en enigszins
lijkt op de bromhouten die de Australische inboorlingen slingeren bij
hun heilige corroborees [nachtelijke dansfeesten] die hun inwijdingen
begeleiden. En later in het stuk, als Stephano en Trinculo uit de cel
van Prospero worden weggejaagd door hondengeblaf, een geluid dat in
werkelijkheid door Ariel wordt nagebootst, leest Colin Still een volgende
verwijzing naar ritueel uit de mysteriën. Hij vestigt onze aandacht
op wat Pletho, een 15de eeuwse byzantijnse filosoof, zegt in zijn werk
over de magische orakelspreuken van Zarathoestra:
Bij inwijdingen is het gewoonte aan
de kandidaten geesten in de gedaante van honden te laten verschijnen.
Deze woorden zijn praktisch gelijk
aan de in het vierde bedrijf gegeven aanwijzingen voordat Stephano en
Trinculo worden weggejaagd:
Verscheidene geesten in de gedaante
van honden komen op en jagen hen in het rond.
Is het te ver gezocht om de pennenvrucht van Shakespeare
te vergelijken met die van Pletho – tenminste in dit opzicht?
Gemistus Pletho’s naam was in de tijd van Shakespeare algemeen
bekend geworden, want hij was evenals Ficino baanbreker in de nieuwe
belangstelling voor de klassieken en behoorde tot de scheppers van de
opleving in West-Europa van het wetenschappelijke onderzoek. Tijdens
zijn leven in de tweede helft van de veertiende en de eerste helft van
de vijftiende eeuw floreerde zijn neoplatonische stelsel; kardinaal
Bessarion werd een discipel van hem en ook Cosimo de’ Medici onderging
sterk zijn invloed. Het was Pletho die de overheersing van Aristoteles
in het Europese denken doorbrak. Zijn verhandelingen die de nadruk leggen
op de verschillen tussen de filosofie van Plato en die van Aristoteles,
werden algemeen gelezen, evenals zijn boeken met citaten van Griekse
en Romeinse auteurs en zijn werk over de religie van Zarathoestra.
Een ander voorbeeld van Stills opvatting dat De
Storm aansluit op geschriften met een onderstroom van de mysteriën
komt voor in het tweede bedrijf, eerste toneel, wanneer Gonzalo, ogenschijnlijk
zonder aanleiding, de namen Dido (koningin van Carthago) en Aeneas ter
sprake brengt. Deze opvallende verwijzingen, die niettemin zo weinig
terzake lijken, waren voor veel commentatoren een raadsel. In Aeneis
van Virgilius probeert Dido Aeneas vast te houden met haar troon, maar
hij vlucht uit Carthago weg naar Cumae. Het zesde boek met het beroemde
fragment over de ‘Afdaling naar Avernus’ wordt algemeen
gezien als een licht versluierde beschrijving van de ‘Afdaling
in de hel’ van de ziel tijdens de inwijdingsbeproeving. Het lijkt
wel of Shakespeare door voor de plaatsen van handeling van zijn personages
zowel Tunis als Napels – de tegenwoordige namen voor Carthago
en Cumae – te kiezen en een storm met een schipbreuk, die we ook
in de Aeneis aantreffen, daarmee zijn verborgen bedoeling benadrukt;
een nog duidelijkere aanduiding daarvan is dat hij de weduwe Dido en
Aeneas ‘erbij sleept’.
Colin Still maakt overvloedig gebruik van Thomas Taylor,
die intuïtieve vertaler van Plato en de neoplatonisten, en ook
van andere classici, ter ondersteuning van zijn stelling dat Shakespeares
dialogen en aanwijzingen voor het toneel overeenkomsten vertonen met
de aloude riten. Nog veel andere citaten konden worden gegeven, maar
zo’n opstapeling van bewijzen zou niet zinvol zijn. Laten we ons
in plaats daarvan richten op de duidelijke beginselen die de grondslag
vormen voor het centrale thema van de schrijver: de aard en het doel
van de mysteriescholen. Maar eerst moet het woord initiatie
[inwijding] dat ‘begin’ betekent, worden opgevat in precies
die betekenis: het begin van een ‘nieuw’ leven; de ceremonie
zelf dient alleen om het ‘nieuwe’ stadium van training en
kennis aan te geven dat de kandidaat al had bereikt. Dit was het oorspronkelijke
gebruik ervan, want geen enkel ritueel heeft zelf de macht om bij een
mens een blijvende transformatie in zijn karakter tot stand te brengen.
Zoals gezegd waren de mysteriën in twee afdelingen
verdeeld: de kleine en de grote mysteriën. De eerste boden een
cursus in voorbereidende psychische zuivering en technisch onderricht
over het leven en de rol van de mens daarin. Bewaard gebleven beschrijvingen
schijnen erop te duiden dat deze op een natuurlijke manier leidden tot
gedramatiseerde voorstellingen, waarin de kandidaat de processen van
geestelijke verlichting uitbeeldde die misschien op zekere dag in hemzelf
zouden plaatshebben. De grote mysteriën zijn voor onze ogen nog
steeds in dichte sluiers gehuld, zo strikt werd het gebod tot geheimhouding
nageleefd. Maar het is duidelijk dat ze een hoogtepunt vormden in de
heilige ervaringen van de kleine mysteriën, en zij die ze doormaakten
gaven later blijk ervan dat er een radicale verandering in hun karakter
was opgetreden, een zegening die in hun hele wezen werd gevoeld en niet
alleen hun leven beïnvloedde, maar ook een stimulans werd voor
ideale menselijke betrekkingen en welwillendheid die de overhand zouden
moeten hebben. De laatste fase van de training werd de epopteia
genoemd – de ‘openbaring’ wanneer de initiant een
‘visioen’ kreeg van zijn innerlijke god.
Proclus, de neoplatonist, beschrijft het zo:
Zoals de mystae (ingewijden) . .
. wanneer ze het sanctarium hebben betreden en omringd zijn door heilige
ceremoniën, onmiddellijk goddelijke verlichting in hun hart ontvangen
en als lichtgewapende krijgers snel het goddelijke in bezit nemen,
. . . En als hij de diepste schuilhoeken ervan bereikt, als het ware
in het adyton van de ziel, kan hij zelfs met gesloten ogen het ras
van de goden en de samenhang van alle dingen zien.
Maar laten we terugkeren naar ons toneelstuk voor een
laatste toelichting op het onderwerp van onze auteur: Ferdinand werd
‘vermist’ en dit zoeken naar iets dat is zoekgeraakt en
het terugvinden ervan was een gebruikelijk symbool in verschillende
mythen. Het werd bijvoorbeeld in Eleusis weergegeven in de geschiedenis
van Persephone: dat zij in diepe slaap valt door de ‘aarde’
heen of in de Hades, vertelt over de inwikkeling van de ziel in stoffelijke
sferen, terwijl haar moeder vergeefs zoekt, tot er aan het slot weer
een ontwaken was en hereniging in het daglicht. We hebben ook de legende
van Psyche, de menselijke ziel, echtgenote van de hemelse Eros, die
haar onsterfelijkheid pas na zware inspanningen verwerft. Zo kunnen
we ook vragen, wie is Miranda, de dochter van Prospero?
Dante idealiseerde Beatrijs in zijn Goddelijke
Komedie als wijsheid; het ‘eeuwig vrouwelijke’ van
Goethe, dat ons door de ervaringen van de dagelijkse cyclus heenvoerde,
was een andere naam voor het wijsheidselement dat we binnenin ons dragen.
Ook de Zohar verborg wijsheid in een vrouwelijke vorm, terwijl
de Chinese Kwan-Yin in ons allen verblijft als de essentie van barmhartigheid,
de tegenhanger van Kwan-Shai-Yin, de innerlijke strijder. Miranda is
even ongrijpbaar als al die andere, en Ferdinand moet, zoals zijn voorbeelden
in de aloude trainingscentra, ten volle de inspanningen volbrengen die
hem zijn opgelegd alvorens zijn paradijselijke bruid te verwerven. Aan
het einde zegt hij over Prospero:
Deze beroemde hertog van Milaan,
Over wie ik zo vaak geruchten heb gehoord,
Maar nooit eerder heb gezien; van wie ik
Een tweede leven heb gekregen.
‘Een tweede leven gekregen’ – dat
zijn erg vreemde woorden; in de zuiver letterlijke behandeling die ze
meestal krijgen lukt het niet om ze te verklaren. Colin Still ziet hier
een duidelijk verband met de ‘tweede geboorte’, d.w.z. voltooiing
van de vernieuwing na de ‘dood’ die is doorgemaakt in het
laatste stadium van de inwijdingscyclus.
De mysterieuze slotregels van Shakespeare –
Een zacht briesje van u moet
Mijn zeilen bol doen staan,
Want anders mislukt mijn plan,
zou geen werkelijk doel lijken te hebben tenzij het
was om te stimuleren dat we zijn verheven plan intuïtief gaan begrijpen.
Het doet er niet toe of de bard uit Avon zich bewust was van alle implicaties
van zijn onderwerp, of dat dit voortkwam uit zijn eigen innerlijke rijkdommen,
in harmonie gebracht door een grotere wijsheid dan zijn brein misschien
heeft geweten. We kunnen het slechts met Still eens zijn dat het stuk
een allegorie is, een poëtische ‘variant op het universele
heldendicht’, en dat het handelt over waarden die ‘liggen
besloten in alles wat het beste en meest blijvende is in oude mythen
en rituelen, in religieuze begrippen en ceremoniën, in kunst en
literatuur, en in volksoverlevering’.