‘De eeuwigheid van de pelgrim’
is als een oogwenk van het Zelf-bestaan . . . ‘Het verschijnen
en verdwijnen van werelden is als een regelmatig getij van eb en vloed.’
– H.P. Blavatsky, De Geheime Leer,
1:46
Nimmer was ik niet, noch u, noch deze vorsten der
aarde, noch zal een van ons ooit ophouden te zijn.
– Bhagavad-Gita, hfst. 2
Graag nodig ik u uit voor een tocht die ver wegvoert van ons dagelijks
leven, weg van het kleine en beperkte gewoonte-bewustzijn, van de schijnbare
waarheden en begoochelingen van de uiterlijke wereld waaraan we gewend
zijn. Het is een tocht naar de innerlijke kanten van het heelal, gebaseerd
op de wijsheid van de Ouden waarvan we sporen en optekeningen kunnen
aantreffen in de religies, mythen en overleveringen van alle volkeren
als we maar bereid zijn onze ogen en oren te openen, en nalaten om er
met de verwaandheid van onze moderne beschaving de spot mee te drijven.
In de Proloog van haar Geheime Leer formuleert H.P. Blavatsky
drie grondstellingen waarop de hele wijsheidsleer over cyclussen berust.
Ten eerste,
Een alomtegenwoordig, eeuwig, grenzeloos
en onveranderlijk Beginsel, waarover elke speculatie onmogelijk is,
omdat het het menselijke begripsvermogen te boven gaat en door menselijke
uitdrukkingen of vergelijkingen alleen kan worden verkleind. Het ligt
buiten het gebied en het bereik van het denken – met de woorden
van Mandukya, ‘ondenkbaar en onuitsprekelijk’.
– 1:43
In dit Beginsel hebben we allemaal onze oorsprong – van het kleinste
atoom tot sterrenstelsels en daar voorbij – en uiteindelijk keren
we ernaar terug, de eeuwige bron en het doel van iedere cyclus van manifestatie
en weer uiteenvallen.
De tweede grondstelling spreekt over
De eeuwigheid van het Heelal in toto als
een grenzeloos gebied, periodiek ‘het toneel van talloze Heelallen
die zich onophoudelijk manifesteren en weer verdwijnen’ en die
‘de zich manifesterende sterren’ en ‘de vonken van
de eeuwigheid’ worden genoemd. –
1:46
De derde grondstelling postuleert de fundamentele één-heid
van alles. Omdat we uit dezelfde wortel ontstaan en er weer naar terugkeren,
zijn we in essentie één. Tijdens de cyclische manifestatie
zijn we geïndividualiseerd en verschillen we van elkaar, maar alleen
de persona – het Griekse woord voor ‘masker’
– is anders. Fundamenteel zijn we één met alles
wat leeft in het heelal.
Deze drie grondstellingen geven aan ons bestaan een samenhang die ver
uitgaat boven onze beperkingen als mens. Volgens oude leringen is er
geen volstrekt begin of einde, alleen een periodiek worden en verdwijnen.
Laten we proberen een glimp op te vangen van die ontzagwekkende kosmische
wielen waarover de Ouden ons hebben verteld. De hier genoemde getallen
zijn slechts een ruwe benadering, en geven niet zozeer precieze maten
in menselijke jaren weer, maar meer het karakter of de lengte van een
cyclus in verhouding tot andere cyclussen. Want deze universele ritmen
worden door intelligente krachten en wezens teweeggebracht en kunnen
op vele manieren worden beïnvloed.
Voor ons mensen is de gemiddelde levensduur van 72 jaar de maat van
alle dingen. Maar dit is alleen de levensduur van het fysieke lichaam
– de minst ontwikkelde en meest stoffelijke kant van onze constitutie.
Ons fysieke lichaam is niet meer dan een werktuig dat voor het werkelijke
zelf, de menselijke monade of het bewustzijnscentrum, dienst doet om
zich op dit stoffelijke gebied tot uitdrukking te brengen. Toch kent
ons lichaam tal van cyclussen die een weerspiegeling zijn van het ons
omringende heelal. Er is bijvoorbeeld de menstruatiecyclus die overeenkomt
met de omwenteling van de maan. Ons hart klopt ongeveer 72 keer per
minuut, of 4320 hartslagen per uur (de cijfers 4-3-2 met toegevoegde
nullen komen, zoals we zullen zien, in verscheidene belangrijke cyclussen
van de mens voor). We ademen ook gemiddeld 18 keer per minuut, wat 25.920
ademhalingen per etmaal is. Dit belangrijke getal wordt herhaald in
de precessiecyclus van de nachteveningspunten, ook wel een ‘platonisch
jaar’ genoemd, dat 25.920 van onze jaren duurt. Het wordt in twaalf
gelijke delen verdeeld die overeenkomen met de tekens van de dierenriem,
waarbij elk twaalfde deel een messiaanse cyclus van 2160 jaren vormt.
Laten we wat dieper in onszelf kijken, naar de bouwstenen van het lichaam.
In stoffelijk opzicht is een cel een samenstel van atomen en moleculen,
maar ze is veel meer dan een verzameling chemische elementen. Volgens
theosofische overleveringen zijn cellen net als wij opgebouwd: ze leven,
hebben intelligentie en gevoelens die passen bij hun gebied, en scheppen
hun eigen individuele lot volgens hun eigen innerlijke ontwikkeling.
In het lichaam vervullen cellen verschillende taken die afhankelijk
zijn van de hun toegewezen plaats. Ze onderwerpen zich aan het grotere
geheel en dienen het hele lichaam; maar tegelijkertijd hebben ze hun
eigen leven, bewustzijn en individuele evolutie. Ze houden hun energie
in stand, beschermen zich tegen aanvallen, schutten zich af van en houden
contact met hun omgeving; ze ontstaan en verdwijnen.
Cellen vertonen een ander belangrijk kenmerk van het leven: als wezenlijk
deel van een groter wezen, zelfs als ze zich daarvan niet bewust zijn,
draagt iedere cel het algemene plan fysiek in de vorm van DNA in zich.
Haar eigen evolutie bestaat eruit om dit ingewortelde plan van het geheel
steeds meer naar buiten te brengen. Op die manier verzamelt ze steeds
meer ervaringen en deze contacten van haar monadische bewustzijn met
lagere gebieden leiden tot evolutie.
Dit idee is ook op ons mensen van toepassing. Wij zijn cellen in een
groter wezen, maar door de omvang ervan zijn we ons daarvan niet bewust.
Toch hebben ook wij het plan van het geheel in ons. Hetzelfde beginsel
kunnen we toepassen op een planeet, een zon, atoom of elektron, op de
bewoners van een elektron – wat we maar willen. Alles wat leeft
evolueert door middel van het cyclische worden en uiteenvallen, en achter
iedere fysieke uiting staat een monadisch bewustzijnscentrum.
Maar laten we een stap verdergaan en de atomen bekijken die cellen
en andere substanties vormen. Wat zijn dat prachtige wezens! Hoe zouden
we hen bewustzijn kunnen ontzeggen? Ze zijn constant in beweging. Ze
hebben eigenschappen en kenmerken die ze in stand houden. Materie, zoals
hout of steen, kan vast lijken, maar in werkelijkheid is ze slechts
een voorbijgaande vorm, een illusie. Als we in gedachte de atomen van
een stuk hout vergroten en de kernen ervan zo groot als tennisballen
maken, zou de afstand tussen die atomen enkele honderden kilometers
zijn. En de concentratie van massa in het atoom ligt heel dicht bij
de condities die in het zonnestelsel worden aangetroffen. De kern bevat
99,946% van de massa van het atoom, terwijl onze zon 99,8% van de massa
in het zonnestelsel bevat.
De microkosmos lijkt inderdaad op de macrokosmos; alleen de duur van
de trillingen – d.w.z. van de cyclussen – heeft een andere
orde van grootte. De uiterlijke vormen zijn onophoudelijk aan verandering
onderhevig – niets blijft zoals het is – maar de bewustzijnscentra
achter de vormen behouden hun individualiteit. Ze zijn de eindeloos
veelvoudige menigten entiteiten die hun pelgrimsreis ondergaan evenals
wij, van atoom tot sterrenstelsel. Als we van dichterbij kijken, herkennen
we onszelf als de hiërarch van de ongelooflijk opmerkelijke kosmos
van ons lichaam. Daarin vormen cellen de sterrenstelsels en supersterrenstelsels;
atomen komen overeen met zonnestelsels en elektronen met planeten. Ze
zijn allemaal bewoond, op een onbegrijpelijke manier. Onze polsslag
gaat door dit microheelal, onze gedachten en gevoelens beïnvloeden
het. We drukken ons stempel op de cyclussen ervan: wij zijn de godheden
die heersen over al het worden en uiteenvallen van de entiteiten die
ons lichaam vormen – zonder ons van dit proces bewust te zijn.
Al die myriaden levensvormen, al deze wielen binnen wielen, kleine
wielen die zich aaneenvoegen om grotere te vormen! Van een mensenleven
kunnen we doorgaan naar steeds kleinere cyclussen, steeds verfijnder
en minder waarneembaar voor ons – waken-slapen; ademhalen, de
hartslag; veranderingen van cellen, atomen en hun bouwstenen en bewoners.
Wij zijn echter even raadselachtig voor die wezens als zij voor ons.
Ons lichaam lost op tot niets als we voorbij het gebied van de cellen
en atomen gaan naar dat van de bewoners van de elektronen die in de
eindeloosheid van ons lichaam kijken, dat vol is met glanzende ‘sterren’.
Voor het oog van de elektronbewoner ziet ons lichaam eruit als een schijnbare
leegte. Wij worden misschien door hetzelfde gevoel bevangen als deze
bewoner van het elektron wanneer we naar de nachtelijke hemel kijken
en met ontzag voor de schepping en de omvang ervan worden vervuld. We
ervaren de natuur, geïnspireerd door het intuïtieve gevoel
dat wij een deel zijn van dit geheel.
Laten we eens nadenken over onze planeet. Net als de mens is de aarde
meer dan een fysieke entiteit – ze heeft innerlijke kanten; het
wezen ervan manifesteert zich via verschillende eigenschappen van kosmische
substantie. De hindoes noemen de levensduur van een planeet een dag
van Brahma, met een lengte van 4.320.000.000 menselijke jaren (let op
de opeenvolging 4-3-2 die we in het aantal hartslagen van de mens aantroffen).
Ze zijn van mening dat 1.972.000.000 jaren voorbij zijn, zodat het leven
van onze planeet bijna voor de helft voorbij is; in de theosofische
literatuur van deze tijd wordt echter gezegd dat het meest stoffelijke
punt enkele miljoenen jaren geleden werd gepasseerd. In de eerste helft
van deze ontwikkelingscyclus maakte de aarde een evolutie van de stof
door en een involutie van de geest terwijl deze afdaalde in de stof.
Deze tendens kwam tot uiting in een steeds grotere differentiëring
van de soorten en in een natuurlijke synthese van zwaardere scheikundige
elementen.
De mensheid doorloopt haar ontwikkeling op de aarde onder invloed van
vele cyclussen. We beleven bijvoorbeeld het begin van een nieuwe messiaanse
cyclus van 2160 jaar omdat in de dierenriem de lentenachtevening van
de Vissen naar de Waterman beweegt. Het gevolg is een overeenkomstige
verandering in de kenmerken van onze tijd en onze denkwereld. Omdat
veel traditionele vormen van samenleven van de mens worden afgelegd,
dienen we opnieuw vorm te geven aan onze –houding tegenover onze
medemensen en nieuwe wegen te zoeken om gemeenschappelijke belangen
te behartigen. Het is voor ons allemaal erg belangrijk om samen te werken,
nieuwe regels en gedachtepatronen te vormen uit de oude ethiek en zo
de mensheid te helpen weer met de natuur mee te werken, en mensen terug
te leiden naar de heilige bronnen van hun wezen. We moeten niet alleen
mensenrechten eisen, maar verplichtingen van de mens erkennen als basis
voor het nieuwe millennium en daarna, de tijdeloze, universele wijsheidsleringen
in moderne taal weergeven, en bovenal leren daarnaar te leven.
De overgang van de ene cyclus naar de volgende is altijd een kritiek
punt. Als er een wisseling is tussen dag en nacht, als het ene jaargetijde
volgt op het andere, als slapen en waken samensmelten, als yin en yang
in evenwicht zijn, wanneer noch het mannelijke noch het vrouwelijke
overheerst – alleen dan ontstaat het noodzakelijke levenspatroon,
bewustzijn, inzicht en evolutie. We maken voortdurend zulke overgangen
mee – maar niet bewust.
We ondervinden echter niet alleen de gevolgen van kleinere cyclussen,
zoals het einde van een eeuw of millennium, of de precessie van de nachteveningen.
Volgens de theosofie heeft de mensheid het meest stoffelijke punt van
haar ontwikkeling bereikt, of is er een klein stapje voorbij, omdat
de helft van de levensduur van de aarde is verstreken. Wij en de aarde
bevinden ons in een langdurig overgangsstadium terwijl het hele ontwikkelingsproces
op deze planeet van richting verandert. We beginnen weer de lichtende
boog van de evolutie te beklimmen: een evolutie van de geest en een
involutie van de stof. Sommige chemische elementen weerspiegelen al
een geringe verfijning van de materie en zijn daarom radioactief geworden;
ze veranderen in lichtere elementen om de stabiliteit te herstellen.
Op haar evolutiereis is onze geestelijke monade voor deze cyclus afgedaald
tot de diepste diepten van de stof en op een planetaire tijdschaal is
ze pas een ogenblik geleden het kritieke evenwichtspunt tussen geest
en stof gepasseerd. Het pas verworven vermogen van zelfbewustzijn is
nu de drijvende kracht van onze evolutie. Onze verdere ontwikkeling
biedt onbeschrijflijke perspectieven waarin we de meest goddelijke mensen
kunnen worden. Langs deze lichtende boog kunnen we cyclus na cyclus
vooruitgaan en onze ontplooiende vermogens broederlijk en onpersoonlijk
gebruiken voor het welzijn van anderen. Naarmate we daarin slagen, zullen
we steeds meer uitdrukking geven aan het grotere geheel waartoe we behoren.
Hier is onze plaats in het heelal, en hier ligt onze taak en verantwoordelijkheid
– niet meer en niet minder. Het beeld vóór ons onthult
een majestueus evolutiepad, geregeld door cyclussen die elkaar opvolgen,
aanvullen en overlappen. Door middel daarvan kunnen we leren beter om
te gaan met onze kleinere dagelijkse cyclussen; de veranderingen die
we om ons heen zien, en die sommigen opvatten als dreigende rampen,
kunnen in werkelijkheid noodzakelijke en nuttige fasen zijn van ontwikkelingscyclussen.
Laten we deze uitdagingen aannemen en ervan maken wat we kunnen.