De hiërarchische structuur van het heelal*
G. de Purucker

 
*Uit Mens en Evolutie, hfst. 21.
 

De natuur verkondigt aan alle kanten, hier op aarde en in de ruimten boven ons en in onze eigen innerlijke natuur, dat onvolmaaktheid regel is en dat de ontelbare, vrije, maar nog onvolmaakte wilsuitingen de oorzaak zijn van de tegenstellingen en verschillen die in de wereld zo overheersen. We zien overal onvolmaaktheid, in vele graden, en de menselijke natuur manifesteert dit evenzeer als iets anders. Niets is volmaakt in dit lagere heelal van beperkingen, dat het kleed is van goddelijke volmaaktheid, om oude beeldspraak te gebruiken. Toch leren we juist door deze beperkingen, omdat ze ontstaan uit de onvolmaakte aard van de wezens die ons omringen – wezens zoals wijzelf, die leven en leren en op weg zijn naar dat verheven doel dat, paradoxaal, verder terugwijkt hoe dichter we het schijnen te naderen.

We zijn inderdaad lerende wezens die voor het ogenblik in onze tussennatuur leven, in wat we onze menselijke ziel noemen, en zijn daardoor verbonden met de geest boven en in ons, die de goddelijke vonk is die we in wezen zijn; deze menselijke ziel is weer verbonden met het lichaam dat ieder van ons bezit, waardoor ze zich openbaart, zich op dit gebied tot uitdrukking brengt en hier haar lessen leert.

De geest in of liever boven de mens, zijn wezenlijke zelf, kan zich evenmin rechtstreeks in de stof manifesteren en deze activeren – al zijn geest en stof in wezen één – als, laten we zeggen, elektriciteit zich rechtstreeks kan manifesteren in een elektrisch voertuig en dit, zonder het passende mechanisme als tussenschakel, over de weg kan laten rijden. Op overeenkomstige wijze werkt de psychische tussennatuur van de mens, tussen de geest boven en het vitaal-astraal-fysieke samenstel van zijn aardse lichaam. Hetzelfde geldt voor het goddelijke en het fysieke of stoffelijke heelal: er moeten stadia of graden van min of meer etherische substanties tussen deze twee bestaan, die de schakels ertussen verschaffen.

Het essentieel goddelijke overtreft en is verheven boven het stoffelijke heelal, zoals de geest van de mens zijn tussenliggende en vitaal-astrale-fysieke aard overtreft. De krachten die uit zijn geestelijke natuur voortvloeien worden min of meer onvolmaakt aan hem overgebracht, in overeenstemming met het stadium van evolutie dat de tussennatuur, de menselijke ziel, heeft bereikt.

Volgens de theosofie bevindt zich tussen het goddelijke en het waarneembare heelal dat we met ons fysieke bevattingsvermogen gewaarworden, een grote hoeveelheid of verzameling of aggregaat van hiërarchieën, die op hun beurt zijn opgebouwd uit groepen of klassen van wezens en dingen van verschillende graad, die onderling samenhangen, niet gescheiden zijn en onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden. Deze hiërarchieën zijn niet louter vol met levende entiteiten, maar bestaan zelf uit deze levende entiteiten. Zonder deze zouden ze niet bestaan, omdat ze deze levende entiteiten zijn.

De moderne theorie over de kosmos, zoals ze meer in het bijzonder in de astronomie wordt geschetst, geeft ons, gezien vanuit het fysieke gebied, een goed beeld van de hiërarchische structuur van de kosmos. Ons heelal (dat is de ruimte die ons melkwegstelsel inneemt) is niet het enige heelal. Er zijn myriaden heelallen, die wat hun fysieke gesteldheid betreft met het onze overeenkomen en buiten de grenzen van de melkweg bestaan. Ieder van deze heelallen kunnen we een kosmische molecule noemen, die is opgebouwd uit de verschillende zonnestelsels die we kosmische atomen kunnen noemen, terwijl de planeten die rond een zonnelichaam wentelen op kosmische elektronen lijken. Wat ons eigen zonnestelsel betreft is onze aarde een van die kosmische elektronen. Ze is een planetair atoom dat deel uitmaakt van het totale zonnestelsel, dat op zijn beurt een van de atomen van ons eigen heelal is – een kosmische molecule.

Het grotere heelal is dus een onmetelijk organisme, een levende entiteit, nagenoeg een oneindigheid van werelden, die tezamen de kosmische moleculen vormen van een reusachtige entiteit die de menselijke verbeeldingskracht te boven gaat. En zoals in de mens de atomen die zijn lichaam vormen door de mens zelf worden bezield en toch zelf levende entiteiten zijn, die in het uiterst kleine alles bezitten wat de mens bezit, zo worden de kosmische atomen en kosmische moleculen – de ‘eiland-heelallen’ die in de ruimte verspreid voorkomen – bezield door het leven van de uitgestrekte supergalactische entiteit, terwijl ze zelf ook levende wezens zijn.

Het fysieke lichaam van het heelal is slechts de collectieve manifestatie en uitwerking van deze hiërarchieën van onzichtbare wezens waarvan wij de activiteit bespeuren; en het lichaam van de mens vertegenwoordigt op zijn beurt zo’n hiërarchie, die uit menigten kleine levens bestaat die dat lichaam vormen. Onttrek die kleine levens aan dat lichaam en wat blijft er dan over? Dan is er geen lichaam. Deze kleine levens zijn dat lichaam en manifesteren de mens; hij is de overziel van deze menigten oneindig kleine deeltjes die zijn voertuigen of lichamen samenstellen, uiterlijk en innerlijk. In zijn hogere zelf is hij ook hun goddelijke bezieler, schenker van kracht en leven. Eenheid is de universele regel.

De geestelijke en goddelijke krachten die van binnenuit stromen, die een heelal in hun greep houden, die zijn werkingen beheersen, zijn processen op gang brengen en die het feitelijk vormen en maken tot wat het is, worden via een hiërarchie, groot of klein, al naar de omstandigheden, in al haar aspecten, graden of stadia, overgedragen; en elke hiërarchie is de manifestatie van een individualiteit, van de hiërarch, de verheven entiteit aan het hoofd van zo’n schaal of ladder van leven.

Maar is deze hiërarch ‘God’? Als dat zo is, dan zijn er veel goden, zoals de Ouden terecht zeiden, want het is duidelijk dat er ontelbare van zulke hiërarchieën bestaan; ze grijpen in elkaar, zijn met elkaar verweven, werken op elkaar in en vormen het reusachtige weefsel en web van het leven dat als een geheel beschouwd de universele kosmos is die ons omringt. We vangen hiervan slechts een vage en onduidelijke glimp op zoals onze fysieke zintuigen ons die kunnen geven en zoals onze geest, ons hart en onze ziel die interpreteren – min of meer juist, al naargelang we min of meer door de geest in ons, onze innerlijke zon van bewustzijn, van bovenaf worden verlicht.

Waar komen de werelden die de hemelruimten verlichten in feite vandaan? Vanwaar komt de mens? Uit het innerlijke. Ze treden uit het onzichtbare naar buiten naar het zichtbare en brengen de krachten tot uitdrukking die ze belichamen en die hen naar hun respectieve werkterrein en bestemming voeren. Vergeet niet dat het geestelijke wezens zijn die met en door middel van een aspect van hun natuur, dat we naar analogie het vegetatieve aspect kunnen noemen, deze verschillende krachten verschaffen die in de uiterlijke verschijningsvormen van het heelal om ons heen hun werk doen. Ja, alle krachten die in de natuur optreden komen uit hen voort, want in één opzicht kunnen we zeggen dat ze uiteindelijk die krachten zelf zijn. Want wat zijn ze? Verschillen ze of staan ze los van het heelal waarin ze werken? In geen geval. Het zijn deze geestelijke wezens die de kosmos, het heelal, bezielen. Zij zijn de innerlijke werelden, die ze in feite vormen door middel van hun vegetatieve aspecten, want deze innerlijke werelden zijn hun innerlijke voertuigen voor zelfexpressie, precies zoals de mens, de werkelijke mens, zijn lichaam, zijn fysieke omhulsel, maar ook zijn innerlijke lichamen bezielt.

De werelden en wijzelf ontspringen aan het hart van het zijn en in ons meest innerlijke wezen, in het diepst van onze natuur zijn wij dat hart van het heelal. Daarin besloten liggen alle dingen, alle mysteries en de oplossingen van alle mysteries en onuitsprekelijke wijsheid, omdat het het eeuwige universele leven is, grenzeloos, onbeschrijflijk, onkenbaar. We zullen misschien nooit een einde bereiken; altijd zullen er sluiers zijn waarachter we een grotere luister kunnen ontdekken.

Wat bepaalt het te voorschijn komen van deze werelden en van de mens; wat regelt hun terugtocht of terugtrekking in de duisternis wanneer hun ontwikkelingsgang is voltooid – duisternis voor ons, maar licht voor hen? Deze werelden en ook de mens worden voortgebracht door de werking van het zelf in zijn verschillende voertuigen op en in de verschillende gebieden of sferen van het onzichtbare heelal. Het zelf manifesteert zich in al deze gebieden en sferen, gaat gedurende zijn ontwikkelingscyclus van het hoogste gebied van onze hiërarchie via een geleidelijk afdalende reeks van stadia of graden tot het laagste – en volgt in elk daarvan zijn eigen bijzondere cyclus. Wanneer het diepste punt van de afdaling in de stof is bereikt, noemen wij, dwaze westerlingen die niet beter weten, de resultaten die we dan waarnemen de volle glorie van materiële activiteit. Zozeer zijn we verblind door de maya of illusie van de dingen.

Maar wanneer een ‘neergaande’ cyclus zijn loop heeft volbracht, wanneer de cyclus van een levende entiteit in zijn evolutionaire gang het laagste punt heeft bereikt, begint de ‘opgang’ – niet een teruggang in de zin van omdraaien en op zijn schreden terugkeren. Nee, het pad dat vóór ons ligt voert naar binnen en terug naar de bron waaruit wij en de werelden – onze moeders – oorspronkelijk zijn voortgekomen, maar verbeterd, gegroeid, geëvolueerd.

Wanneer we tenslotte de uiteindelijke bestemming voor die bepaalde cyclus van manifestatie bereiken – dat betekent dat we zijn teruggekeerd naar de bron waarover we spraken – begint voor de werelden en onszelf een periode van rust overeenkomstig de resultaten die tijdens die evolutiecyclus zijn geboekt. Wanneer we hebben gerust, geslapen, zo u wilt, beginnen we opnieuw aan een cyclus van manifestatie; we herhalen wat we eerder hebben gedaan, maar op een nog hoger en edeler plan, omdat wijzelf en de werelden waarin we leven en waarvan wij de kinderen zijn, dan verder zijn geëvolueerd dan tevoren. Een prachtig oud mystiek gezegde spreekt van de ‘vonken der eeuwigheid’, de werelden, die door de universele Moeder opnieuw met gulle hand in de gebieden van de ruimte worden uitgestrooid om een nieuwe cyclus te doorlopen.

De hele gang van de evolutie bestaat in wezen uit één proces en dat is de vorming van steeds betere voertuigen om het innerlijke licht tot uitdrukking te brengen. Dat proces van zelfontplooiing en zelfopbouw van geschikte voertuigen noemen we evolutie. Per slot van rekening vertegenwoordigt de bouw van voertuigen slechts het aspect dat de gevolgen betreft. In strikt etymologische zin betekent evolutie het loswikkelen van krachten die in voorafgaande bestaanscyclussen zijn ingewikkeld en die op het geschikte moment en de juiste omstandigheden wachten om zich tot uitdrukking te brengen. Evolutie is dus het te voorschijn brengen van innerlijke vermogens en krachten, en het vinden van een terrein voor hun manifestatie.

De huidige natuurwetenschappen hebben twee uiterst belangrijke sleutels verloren die de oude wijsheid altijd aan haar bestudeerders onderwees. De eerste van deze sleutels is: als u de waarheid wilt kennen, zie dan naar binnen, want u bent de enige weg naar die waarheid. De tweede sleutel is even belangrijk en volgt onmiddellijk op het gebruik van de eerste. Het is het besef en dus het inzicht dat het heelal niet alleen een bezield organisme is, maar dat deze wereld van de uiterlijke schijn het kleed van de werkelijkheid is, en dat alle dingen hun oorsprong hebben in de onzichtbare ruimte en vandaar hun individuele cyclische reizen beginnen om zichzelf te ontwikkelen, naar buiten, naar de zichtbare wereld, om tenslotte naar de innerlijke werelden terug te keren, maar dan als meer verheven en edeler wezens dan ze tevoren waren. En verder dat deze cyclische gang zich voltrekt door middel van een hiërarchische ontwikkeling van een reeks voertuigen op alle bestaansgebieden, waarbij elk voertuig zelf een levende entiteit is die de krachten en vermogens van de hiërarch die haar voortbracht tot uitdrukking kan brengen.

Denk aan de oneindigheid om ons heen, met haar menigten hiërarchieën; de oneindige ruimten, zowel in het grote als in het kleine! Een oud en wijs axioma uit de Qabbalah, de theosofie van de joden, zegt: ‘Leerling, open uw ogen wijd voor het zichtbare, want daarin zult u het onzichtbare zien.’ We zouden dan inderdaad het onzichtbare zien als we het innerlijke oog maar hadden ontwikkeld; en daartoe zijn we in staat. Want dit vermogen van het zien, van de visie, komt van binnenuit, van een vereniging van het innerlijke deel van de menselijke constitutie met zijn wortel, de godheid die in het hart van de dingen ligt, en dat hart is het Al als men tot de diepste kern ervan doordringt.

Ieder mens is een pad dat naar het goddelijke leidt, het enige pad dat een geïncarneerde geest kan volgen, zijn enige pad naar de volstrekte waarheid. Wat we van anderen ontvangen kan nuttig zijn, of ook wel nutteloos, afhankelijk van de manier waarop we het aanvaarden en ons begrip van wat we aanvaarden. Maar als we de waarheid verlangen, en alleen de waarheid, als we onszelf en de wonderlijke mysteries in ons willen leren kennen in plaats van alleen de verschijnselen van de uiterlijke wereld, dan moeten we dat stille, smalle pad volgen dat eeuwig naar binnen, vooruit en omhoog voert.

Gedachten als deze doen de menselijke geest beseffen wat een wonderlijk vermogen tot begrip wij hebben als dat goed wordt geleid en gebruikt. De menselijke waardigheid krijgt nieuwe en grootsere facetten. We worden te groot voor lage en nietige dingen, want we herkennen instinctief de werking van de god in het diepst van ons wezen – de levende innerlijke Christos, de ontwaakte Boeddha, Isvara ‘in Brahma’s tempel met de zeven poorten’, om de prachtige uitdrukking van de hindoes te gebruiken. Met welke woorden we deze verheven waarheid ook uitdrukken, de gedachte is dezelfde.

Maar terwijl deze gedachten ons inderdaad intellectuele en geestelijke waardigheid geven, en onze geest opwekken tot bespiegelingen over de uitgestrektheid en de wonderen van de ons omringende kosmos, leren ze ons tevens bescheidenheid. We worden minder kritisch ten opzichte van onze medemensen en hun fouten; we worden vriendelijker en menslievender. Ons hart begint warmer te kloppen in het besef dat alle mensen – in feite alle wezens, de uitgestrekte hiërarchie van onze kosmos – fundamenteel één zijn en voor een goddelijk doel met elkaar zijn verbonden; niet het doel van een persoonlijke God, maar het doel van het oneindig goddelijke in het hart van alle wezens: een niveau van bewustzijn te verheven om persoonlijk te zijn, in zijn volheid voor ons onbegrijpelijk en zo onmetelijk groots dat het zelfs onze verbeeldingskracht te boven gaat, maar waarin wij niettemin ‘leven, bewegen en ons bestaan hebben’, zoals de christelijke apostel Paulus zei.

 
Andere artikelen over hiërarchieën: de structuur van de natuur
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 2000

© 2000 Theosophical University Press Agency