De natuur verkondigt aan alle kanten, hier op aarde en in de ruimten
boven ons en in onze eigen innerlijke natuur, dat onvolmaaktheid regel
is en dat de ontelbare, vrije, maar nog onvolmaakte wilsuitingen de
oorzaak zijn van de tegenstellingen en verschillen die in de wereld
zo overheersen. We zien overal onvolmaaktheid, in vele graden, en de
menselijke natuur manifesteert dit evenzeer als iets anders. Niets is
volmaakt in dit lagere heelal van beperkingen, dat het kleed is van
goddelijke volmaaktheid, om oude beeldspraak te gebruiken. Toch leren
we juist door deze beperkingen, omdat ze ontstaan uit de onvolmaakte
aard van de wezens die ons omringen – wezens zoals wijzelf, die
leven en leren en op weg zijn naar dat verheven doel dat, paradoxaal,
verder terugwijkt hoe dichter we het schijnen te naderen.
We zijn inderdaad lerende wezens die voor het ogenblik in onze tussennatuur
leven, in wat we onze menselijke ziel noemen, en zijn daardoor verbonden
met de geest boven en in ons, die de goddelijke vonk is die we in wezen
zijn; deze menselijke ziel is weer verbonden met het lichaam dat ieder
van ons bezit, waardoor ze zich openbaart, zich op dit gebied tot uitdrukking
brengt en hier haar lessen leert.
De geest in of liever boven de mens, zijn wezenlijke zelf, kan zich
evenmin rechtstreeks in de stof manifesteren en deze activeren –
al zijn geest en stof in wezen één – als, laten
we zeggen, elektriciteit zich rechtstreeks kan manifesteren in een elektrisch
voertuig en dit, zonder het passende mechanisme als tussenschakel, over
de weg kan laten rijden. Op overeenkomstige wijze werkt de psychische
tussennatuur van de mens, tussen de geest boven en het vitaal-astraal-fysieke
samenstel van zijn aardse lichaam. Hetzelfde geldt voor het goddelijke
en het fysieke of stoffelijke heelal: er moeten stadia of graden van
min of meer etherische substanties tussen deze twee bestaan, die de
schakels ertussen verschaffen.
Het essentieel goddelijke overtreft en is verheven boven het stoffelijke
heelal, zoals de geest van de mens zijn tussenliggende en vitaal-astrale-fysieke
aard overtreft. De krachten die uit zijn geestelijke natuur voortvloeien
worden min of meer onvolmaakt aan hem overgebracht, in overeenstemming
met het stadium van evolutie dat de tussennatuur, de menselijke ziel,
heeft bereikt.
Volgens de theosofie bevindt zich tussen het goddelijke en het waarneembare
heelal dat we met ons fysieke bevattingsvermogen gewaarworden, een grote
hoeveelheid of verzameling of aggregaat van hiërarchieën,
die op hun beurt zijn opgebouwd uit groepen of klassen van wezens en
dingen van verschillende graad, die onderling samenhangen, niet gescheiden
zijn en onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden. Deze hiërarchieën
zijn niet louter vol met levende entiteiten, maar bestaan zelf uit deze
levende entiteiten. Zonder deze zouden ze niet bestaan, omdat ze deze
levende entiteiten zijn.
De moderne theorie over de kosmos, zoals ze meer in het bijzonder in
de astronomie wordt geschetst, geeft ons, gezien vanuit het fysieke
gebied, een goed beeld van de hiërarchische structuur van de kosmos.
Ons heelal (dat is de ruimte die ons melkwegstelsel inneemt) is niet
het enige heelal. Er zijn myriaden heelallen, die wat hun fysieke gesteldheid
betreft met het onze overeenkomen en buiten de grenzen van de melkweg
bestaan. Ieder van deze heelallen kunnen we een kosmische molecule noemen,
die is opgebouwd uit de verschillende zonnestelsels die we kosmische
atomen kunnen noemen, terwijl de planeten die rond een zonnelichaam
wentelen op kosmische elektronen lijken. Wat ons eigen zonnestelsel
betreft is onze aarde een van die kosmische elektronen. Ze is een planetair
atoom dat deel uitmaakt van het totale zonnestelsel, dat op zijn beurt
een van de atomen van ons eigen heelal is – een kosmische molecule.
Het grotere heelal is dus een onmetelijk organisme, een levende entiteit,
nagenoeg een oneindigheid van werelden, die tezamen de kosmische moleculen
vormen van een reusachtige entiteit die de menselijke verbeeldingskracht
te boven gaat. En zoals in de mens de atomen die zijn lichaam vormen
door de mens zelf worden bezield en toch zelf levende entiteiten zijn,
die in het uiterst kleine alles bezitten wat de mens bezit, zo worden
de kosmische atomen en kosmische moleculen – de ‘eiland-heelallen’
die in de ruimte verspreid voorkomen – bezield door het leven
van de uitgestrekte supergalactische entiteit, terwijl ze zelf ook levende
wezens zijn.
Het fysieke lichaam van het heelal is slechts de collectieve manifestatie
en uitwerking van deze hiërarchieën van onzichtbare wezens
waarvan wij de activiteit bespeuren; en het lichaam van de mens vertegenwoordigt
op zijn beurt zo’n hiërarchie, die uit menigten kleine levens
bestaat die dat lichaam vormen. Onttrek die kleine levens aan dat lichaam
en wat blijft er dan over? Dan is er geen lichaam. Deze kleine levens
zijn dat lichaam en manifesteren de mens; hij is de overziel van deze
menigten oneindig kleine deeltjes die zijn voertuigen of lichamen samenstellen,
uiterlijk en innerlijk. In zijn hogere zelf is hij ook hun goddelijke
bezieler, schenker van kracht en leven. Eenheid is de universele regel.
De geestelijke en goddelijke krachten die van binnenuit stromen, die
een heelal in hun greep houden, die zijn werkingen beheersen, zijn processen
op gang brengen en die het feitelijk vormen en maken tot wat het is,
worden via een hiërarchie, groot of klein, al naar de omstandigheden,
in al haar aspecten, graden of stadia, overgedragen; en elke hiërarchie
is de manifestatie van een individualiteit, van de hiërarch, de
verheven entiteit aan het hoofd van zo’n schaal of ladder van
leven.
Maar is deze hiërarch ‘God’? Als dat zo is, dan zijn
er veel goden, zoals de Ouden terecht zeiden, want het is duidelijk
dat er ontelbare van zulke hiërarchieën bestaan; ze grijpen
in elkaar, zijn met elkaar verweven, werken op elkaar in en vormen het
reusachtige weefsel en web van het leven dat als een geheel beschouwd
de universele kosmos is die ons omringt. We vangen hiervan slechts een
vage en onduidelijke glimp op zoals onze fysieke zintuigen ons die kunnen
geven en zoals onze geest, ons hart en onze ziel die interpreteren –
min of meer juist, al naargelang we min of meer door de geest in ons,
onze innerlijke zon van bewustzijn, van bovenaf worden verlicht.
Waar komen de werelden die de hemelruimten verlichten in feite vandaan?
Vanwaar komt de mens? Uit het innerlijke. Ze treden uit het onzichtbare
naar buiten naar het zichtbare en brengen de krachten tot uitdrukking
die ze belichamen en die hen naar hun respectieve werkterrein en bestemming
voeren. Vergeet niet dat het geestelijke wezens zijn die met
en door middel van een aspect van hun natuur, dat we naar analogie het
vegetatieve aspect kunnen noemen, deze verschillende krachten verschaffen
die in de uiterlijke verschijningsvormen van het heelal om ons heen
hun werk doen. Ja, alle krachten die in de natuur optreden komen uit
hen voort, want in één opzicht kunnen we zeggen dat ze
uiteindelijk die krachten zelf zijn. Want wat zijn ze? Verschillen ze
of staan ze los van het heelal waarin ze werken? In geen geval. Het
zijn deze geestelijke wezens die de kosmos, het heelal, bezielen. Zij
zijn de innerlijke werelden, die ze in feite vormen door middel van
hun vegetatieve aspecten, want deze innerlijke werelden zijn hun innerlijke
voertuigen voor zelfexpressie, precies zoals de mens, de werkelijke
mens, zijn lichaam, zijn fysieke omhulsel, maar ook zijn innerlijke
lichamen bezielt.
De werelden en wijzelf ontspringen aan het hart van het zijn en in
ons meest innerlijke wezen, in het diepst van onze natuur zijn wij dat
hart van het heelal. Daarin besloten liggen alle dingen, alle mysteries
en de oplossingen van alle mysteries en onuitsprekelijke wijsheid, omdat
het het eeuwige universele leven is, grenzeloos, onbeschrijflijk, onkenbaar.
We zullen misschien nooit een einde bereiken; altijd zullen er sluiers
zijn waarachter we een grotere luister kunnen ontdekken.
Wat bepaalt het te voorschijn komen van deze werelden en van de mens;
wat regelt hun terugtocht of terugtrekking in de duisternis wanneer
hun ontwikkelingsgang is voltooid – duisternis voor ons, maar
licht voor hen? Deze werelden en ook de mens worden voortgebracht door
de werking van het zelf in zijn verschillende voertuigen op en in de
verschillende gebieden of sferen van het onzichtbare heelal. Het zelf
manifesteert zich in al deze gebieden en sferen, gaat gedurende zijn
ontwikkelingscyclus van het hoogste gebied van onze hiërarchie
via een geleidelijk afdalende reeks van stadia of graden tot het laagste
– en volgt in elk daarvan zijn eigen bijzondere cyclus. Wanneer
het diepste punt van de afdaling in de stof is bereikt, noemen wij,
dwaze westerlingen die niet beter weten, de resultaten die we dan waarnemen
de volle glorie van materiële activiteit. Zozeer zijn we verblind
door de maya of illusie van de dingen.
Maar wanneer een ‘neergaande’ cyclus zijn loop heeft volbracht,
wanneer de cyclus van een levende entiteit in zijn evolutionaire gang
het laagste punt heeft bereikt, begint de ‘opgang’ –
niet een teruggang in de zin van omdraaien en op zijn schreden terugkeren.
Nee, het pad dat vóór ons ligt voert naar binnen en terug
naar de bron waaruit wij en de werelden – onze moeders –
oorspronkelijk zijn voortgekomen, maar verbeterd, gegroeid, geëvolueerd.
Wanneer we tenslotte de uiteindelijke bestemming voor die bepaalde
cyclus van manifestatie bereiken – dat betekent dat we zijn teruggekeerd
naar de bron waarover we spraken – begint voor de werelden en
onszelf een periode van rust overeenkomstig de resultaten die tijdens
die evolutiecyclus zijn geboekt. Wanneer we hebben gerust, geslapen,
zo u wilt, beginnen we opnieuw aan een cyclus van manifestatie; we herhalen
wat we eerder hebben gedaan, maar op een nog hoger en edeler plan, omdat
wijzelf en de werelden waarin we leven en waarvan wij de kinderen zijn,
dan verder zijn geëvolueerd dan tevoren. Een prachtig oud mystiek
gezegde spreekt van de ‘vonken der eeuwigheid’, de werelden,
die door de universele Moeder opnieuw met gulle hand in de gebieden
van de ruimte worden uitgestrooid om een nieuwe cyclus te doorlopen.
De hele gang van de evolutie bestaat in wezen uit één
proces en dat is de vorming van steeds betere voertuigen om het innerlijke
licht tot uitdrukking te brengen. Dat proces van zelfontplooiing en
zelfopbouw van geschikte voertuigen noemen we evolutie. Per slot van
rekening vertegenwoordigt de bouw van voertuigen slechts het aspect
dat de gevolgen betreft. In strikt etymologische zin betekent evolutie
het loswikkelen van krachten die in voorafgaande bestaanscyclussen zijn
ingewikkeld en die op het geschikte moment en de juiste omstandigheden
wachten om zich tot uitdrukking te brengen. Evolutie is dus het te voorschijn
brengen van innerlijke vermogens en krachten, en het vinden van een
terrein voor hun manifestatie.
De huidige natuurwetenschappen hebben twee uiterst belangrijke sleutels
verloren die de oude wijsheid altijd aan haar bestudeerders onderwees.
De eerste van deze sleutels is: als u de waarheid wilt kennen, zie dan
naar binnen, want u bent de enige weg naar die waarheid. De tweede sleutel
is even belangrijk en volgt onmiddellijk op het gebruik van de eerste.
Het is het besef en dus het inzicht dat het heelal niet alleen een bezield
organisme is, maar dat deze wereld van de uiterlijke schijn het kleed
van de werkelijkheid is, en dat alle dingen hun oorsprong hebben in
de onzichtbare ruimte en vandaar hun individuele cyclische reizen beginnen
om zichzelf te ontwikkelen, naar buiten, naar de zichtbare wereld, om
tenslotte naar de innerlijke werelden terug te keren, maar dan als meer
verheven en edeler wezens dan ze tevoren waren. En verder dat deze cyclische
gang zich voltrekt door middel van een hiërarchische ontwikkeling
van een reeks voertuigen op alle bestaansgebieden, waarbij elk voertuig
zelf een levende entiteit is die de krachten en vermogens van de hiërarch
die haar voortbracht tot uitdrukking kan brengen.
Denk aan de oneindigheid om ons heen, met haar menigten hiërarchieën;
de oneindige ruimten, zowel in het grote als in het kleine! Een oud
en wijs axioma uit de Qabbalah, de theosofie van de joden, zegt: ‘Leerling,
open uw ogen wijd voor het zichtbare, want daarin zult u het onzichtbare
zien.’ We zouden dan inderdaad het onzichtbare zien als we het
innerlijke oog maar hadden ontwikkeld; en daartoe zijn we in staat.
Want dit vermogen van het zien, van de visie, komt van binnenuit, van
een vereniging van het innerlijke deel van de menselijke constitutie
met zijn wortel, de godheid die in het hart van de dingen ligt, en dat
hart is het Al als men tot de diepste kern ervan doordringt.
Ieder mens is een pad dat naar het goddelijke leidt, het enige pad
dat een geïncarneerde geest kan volgen, zijn enige pad naar de
volstrekte waarheid. Wat we van anderen ontvangen kan nuttig zijn, of
ook wel nutteloos, afhankelijk van de manier waarop we het aanvaarden
en ons begrip van wat we aanvaarden. Maar als we de waarheid verlangen,
en alleen de waarheid, als we onszelf en de wonderlijke mysteries in
ons willen leren kennen in plaats van alleen de verschijnselen van de
uiterlijke wereld, dan moeten we dat stille, smalle pad volgen dat eeuwig
naar binnen, vooruit en omhoog voert.
Gedachten als deze doen de menselijke geest beseffen wat een wonderlijk
vermogen tot begrip wij hebben als dat goed wordt geleid en gebruikt.
De menselijke waardigheid krijgt nieuwe en grootsere facetten. We worden
te groot voor lage en nietige dingen, want we herkennen instinctief
de werking van de god in het diepst van ons wezen – de levende
innerlijke Christos, de ontwaakte Boeddha, Isvara ‘in Brahma’s
tempel met de zeven poorten’, om de prachtige uitdrukking van
de hindoes te gebruiken. Met welke woorden we deze verheven waarheid
ook uitdrukken, de gedachte is dezelfde.
Maar terwijl deze gedachten ons inderdaad intellectuele en geestelijke
waardigheid geven, en onze geest opwekken tot bespiegelingen over de
uitgestrektheid en de wonderen van de ons omringende kosmos, leren ze
ons tevens bescheidenheid. We worden minder kritisch ten opzichte van
onze medemensen en hun fouten; we worden vriendelijker en menslievender.
Ons hart begint warmer te kloppen in het besef dat alle mensen –
in feite alle wezens, de uitgestrekte hiërarchie van onze kosmos
– fundamenteel één zijn en voor een goddelijk doel
met elkaar zijn verbonden; niet het doel van een persoonlijke God, maar
het doel van het oneindig goddelijke in het hart van alle wezens: een
niveau van bewustzijn te verheven om persoonlijk te zijn, in zijn volheid
voor ons onbegrijpelijk en zo onmetelijk groots dat het zelfs onze verbeeldingskracht
te boven gaat, maar waarin wij niettemin ‘leven, bewegen en ons
bestaan hebben’, zoals de christelijke apostel Paulus zei.