Een herculische taak
Nicholas Vaughan

 

Wat G. de Purucker als theosofische leraar tot stand heeft gebracht is welbekend en onvergetelijk, maar er was een andere kant, een meer wereldse zijde aan zijn bestuur die een groot deel van zijn tijd, aandacht en energie vergde. ‘Voor hen die door de jaren heen persoonlijk getuige ervan waren hoe dit geleidelijk tot stand werd gebracht’ was dit element ‘bijna even opmerkelijk’ als zijn activiteiten als leraar: ‘met bijna bovenmenselijke inspanning op materieel en organisatorisch gebied slaagde hij erin de Society vrij te maken van schulden, . . .’1 Hoe ontstond een dergelijke financiële crisis in de Theosophical Society, en hoe slaagde GdeP erin die te boven te komen?

In augustus 1929 deelde GdeP een verslaggever mee dat binnen 24 uur na de eerste aankondiging van zijn plannen eind juli meer dan $100.000 aan donaties was toegezegd om ze uit te voeren. Hij was vol optimisme en plannen voor het uitbreiden van de theosofische activiteiten. Maar de beurskrach in oktober en de daaruit voortvloeiende Grote Depressie bracht het hoofdkwartier in Point Loma door eerder aangegane financiële verplichtingen diep in de schulden. Dus was hij gedwongen om

greep te krijgen op een economische situatie waarvan financiële en juridische deskundigen zeiden dat die absoluut hopeloos was. Zijn beste adviseurs raadden hem aan: ‘Geef het hele project op. Begin opnieuw met een schone lei. Met de huidige situatie is niets te beginnen.’ Maar door zijn vooruitziende blik, door veel denkwerk, en vooral door het volledige vertrouwen dat zijn eigen integriteit en bekwaamheid opriep, en ook door zijn voorbeeld in efficiënte bezuiniging, zijn verziende blik en wijsheid, kreeg hij de oprechte en royale medewerking van leden en vrienden over de hele wereld en zelfs van schuldeisers.
      – The Theosophical Forum, dec. 1942, blz. 573

Hoe ontstond deze schuldenlast? In 1897 kocht Katherine Tingley ongeveer 135ha grond op Point Loma, aan de baai van San Diego, toen een stad met ongeveer 17.000 inwoners. Het was een prachtig ongerept perceel met een kilometerlange kuststrook. Daar bouwde ze een theosofisch centrum met wereldvermaarde onderwijsinstellingen. Maar, zoals de voorzitter van de financieringscommissie, John R. Beaver, uitlegde in The Theosophical Forum van 15 februari 1931, ‘Anders dan de rijkelijk gesubsidieerde instellingen overal in de wereld startte deze unieke onderwijsinstelling zonder enig kapitaal. De enige geldmiddelen waren die van individuele leden waarvan de meesten slechts over een bescheiden inkomen beschikten’ (blz. 111).

Internationaal Hoofdkwartier, Point Loma, Californië, 1900-1942

De uitgaven van de Society waren bijna altijd groter dan de inkomsten, en in 1928, toen de waarde van het Point Loma bezit werd vastgesteld op bijna 1,5 miljoen dollar, bedroeg de schuldenlast tegen één miljoen dollar, veel daarvan in de vorm van converteerbare obligaties met het eigendom als borg. Op grond van een nieuwe taxatie werd in 1929 de belasting verhoogd met 400%. Toen kwam de beurskrach en de Depressie. De grondwaarde daalde sterk, terwijl de waarde van de obligaties en de jaarlijkse te betalen rente gelijk bleef. Het probleem werd vergroot doordat de inkomsten van de Society onregelmatig waren, voornamelijk afhingen van de contributies van leden en van het schoolgeld. Om aan de financiële verplichtingen te voldoen, kon geen nieuw werk worden begonnen dat belangrijke uitgaven vergde, zodat GdeP het theosofische werk niet kon uitbreiden zoals hij zou willen: ‘Als ik nu de middelen zou hebben om dat te doen, dan zouden er wonderen van theosofische propaganda en groei gebeuren, zelfs binnen een jaar. Wat mij tegenhoudt is gebrek aan geldmiddelen.’2

Niettemin berichtte het Uitvoerend Comité in mei 1930 dat tussen juli 1929 en april 1930 de obligaties van het hoofdkwartier verminderd waren met meer dan een half miljoen door contante betalingen en annuleringen ‘door de vrijgevigheid van toegewijde broeders en vrienden’. Daarom ‘bevindt de hele Society zich nu in een betere financiële positie dan tijdens de Wereldoorlog, hoewel we nog aan andere verplichtingen moeten voldoen. . . .’3

In 1930 was er nog hoop om op 13ha na alles te verkopen van het resterende terrein (26 ha. waren in 1926 verkocht) om de obligaties af te lossen en een groot reservefonds te scheppen om de lopende uitgaven te financieren en de toekomstige uitbreiding van het theosofische werk. Maar omdat de grondwaarde heel laag bleef, werd besloten het bezit niet met zoveel verlies te verkopen. Beaver berichtte dat door de uitgaven te verminderen en de inkomsten te verhogen het hoofdkwartier in die tijd in een situatie kwam ‘waarin het zichzelf in stand kon houden met voldoende middelen om de lopende uitgaven te bekostigen, maar onvoldoende om aan alle vroegere verplichtingen te voldoen waarvan de kosten opliepen’4. GdeP bleef hardnekkig weigeren de zaak bankroet te laten verklaren, en er werden maatregelen aangekondigd om de lopende obligaties op te kopen en in te trekken.

GdeP en zijn staf trachtten de grote kosten van het in stand houden van het hoofdkwartier in Point Loma zoveel mogelijk te beperken. In 1929 bestond het hoofdkwartier uit ongeveer 300 stafleden en studenten. De gebouwen waren tjokvol. Een aankondiging in The Theosophical Forum van 15 mei 1930 vermeldde dat ‘Belangstellenden en vrienden die van plan zijn om enkele dagen of langer in de buurt te blijven, moeten zorgen voor onderdak in San Diego, omdat er maar één logeerkamer aan het hoofdkwartier beschikbaar is en dat die heel vaak bezet is.’

De staf had altijd bestaan uit onbetaalde vrijwilligers, waarvan sommigen in staat waren uit eigen middelen een financiële bijdrage aan het hoofdkwartier te leveren. Een reeks bezuinigingsmaatregelen werd ingevoerd die doeltreffend bleek te zijn. Het gebruik van elektriciteit werd met 50% verminderd; per dag kreeg de staf twee in plaats van drie maaltijden opgediend; alle schrijfpapier werd aan beide kanten gebruikt, behalve voor officiële stukken; en wat heel belangrijk was, zij die in staat waren het hoofdkwartier te verlaten, werden daartoe aangemoedigd, zodat er in 1942 minder dan 100 bewoners waren.

Wat in deze periode aan de financiële problemen van het hoofdkwartier bijdroeg, was een sterke afname van het aantal leerlingen in de Point Loma scholen voor jongens en meisjes. Toen de Depressie begon vonden vele gezinnen dat ze het schoolgeld niet meer konden opbrengen, zoals dat ook het geval was bij vele particuliere scholen. Jarenlang was dit geld een belangrijke vaste bron van inkomsten voor het hoofdkwartier geweest. Verschillende principes die bijna 30 jaar lang waren gevolgd om leerlingen aan te trekken, werden eind 1929 veranderd. Gebruikelijk was dat alleen leerlingen die intern waren werden aangenomen, nu waren ook niet-interne studenten welkom. Om aan de verlangens van de ouders tegemoet te komen, werden leerlingen, van wie de ouders dit wensten, vakanties toegestaan met Kerstmis en in de zomer, in plaats dat alle twaalf maanden van het jaar les werd gegeven zonder vakantie. Niet-interne volwassenen en kinderen konden ook deelnemen aan viool- en pianolessen.

In april 1930 werd de naam van de Raja-yoga School en Academie veranderd in Lomaland School, en het Isis Conservatorium, Koor en Orkest werd het Lomaland Conservatorium voor Muziek. De reden voor deze beslissing was

dat de woorden ‘Raja-yoga’ altijd veel uitleg vereisten voor mensen die ze niet begrepen en bij het publiek de indruk hadden gewekt dat we onder deze naam een soort oosterse Indische yogapraktijken onderwezen. De term ‘Lomaland’ was afkomstig van onze geliefde Katherine Tingley; het is een beschermde naam en mag niet elders worden gebruikt; hij is duidelijker en gemakkelijker te begrijpen, en voorkomt veel dwaze vooroordelen die veel mensen, niet theosofen, hebben tegen onze prachtige instelling en ons opvoedkundig werk.
     – The Theosophical Forum, 15 mei 1930 , blz. 12

Het schoolgeld werd ook sterk verlaagd, maandelijks te betalen in plaats van jaarlijks, en voor volwassenen en kinderen werden zomercursussen aangeboden. In 1936 nam het aantal leerlingen opnieuw toe. Tenslotte werd de Lomaland School een internaatschool voor meisjes gecombineerd met een programma voor studenten in het dagonderwijs, en deze werd weer gesloten in juni 1941. Maar de Theosofische Universiteit bleef studenten aannemen tot 1950.

Toen de grondprijzen stegen, werden stukken land verkocht tot er ongeveer 32ha overbleef. Na jaren van bezuiniging kon De Purucker in 1942 de leden meedelen dat

ondanks de wereldwijde depressie die in oktober van datzelfde jaar [1929] begon en ondanks de onrust in de wereld en de oorlogen die in later jaren zijn uitgebroken, ons internationale hoofdkwartier in Point Loma bijna geheel zonder schulden is; ons land is vrij van verplichtingen en lasten, en de zeer hoge onderhoudskosten en uitgaven voor levensbehoeften, enz., enz., van het hoofdkwartier, . . . [zijn] eveneens verminderd door een veel efficiënter en zakelijker werkwijze, . . .
     – The Theosophical Forum, maart 1942, blz. 135

In Point Loma blijven was echter onrealistisch. Doordat de Verenigde Staten betrokken raakten bij de Tweede Wereldoorlog kwam de staf van het hoofdkwartier in een potentieel gevaarlijke positie, omdat het perceel grensde aan een zwaar versterkte militaire installatie die uit de lucht of vanuit zee zou kunnen worden gebombardeerd. Bovendien had het gedreun van scheepsgeschut tijdens marine-oefeningen net buiten de kust in de loop van de jaren veel van de gebouwen verzwakt en het glas van de zoldering en andere bevestigingen dreigden los te raken. In maart 1942 deelde GdeP de leden mee

Feitelijk is Lomaland niet meer wat het was toen KT [Katherine Tingley] nog leefde en de inspiratie van haar genie eraan schonk. Toen was het een geschikte plaats voor het hart van de TS; maar sinds haar overlijden en door een samenloop van allerlei oorzaken, en vooral tijdens de afgelopen 18 maanden of twee jaar, zijn de omstandigheden in bepaalde opzichten zo moeilijk geworden wat betreft representatie en verfijning en rust, dat onze functionarissen en ikzelf al maandenlang ernstig hebben nagedacht om ernaar te streven ons bezit in Point Loma te verkopen en ons hoofdkwartier naar elders te verhuizen.
     – Op.cit., blz. 136

Zoals James Long later opmerkte, was het centrum in Point Loma ‘een absoluut onpraktisch project geworden om voort te zetten’ omdat ‘De gebouwen vervallen waren, en in de loop van de jaren brandgevaarlijke rattenvallen waren geworden en het een half miljoen dollar of meer zou hebben gekost om die naar behoren te reconstrueren.5

Begin 1942 kon de Society het bezit in Point Loma verkopen en het hoofdkwartier verhuizen naar een kleinere behuizing in de buurt van Covina in Los Angeles County.6 De gebouwen op dit terrein, 16 ha. groot, vroeger een school voor voorbereidend onderwijs, waren modern, brandvrij, bestand tegen aardbevingen en geschikt voor het hoofdkwartier, de universiteit, de bibliotheek, de drukkerij en woonverblijven; een grote aula met ruimte voor vijf- à zeshonderd mensen; en vier zomerhuisjes die konden worden verhuurd om extra inkomsten op te leveren. Over het geheel waren de kosten lager; de belasting, bijvoorbeeld, bedroeg slechts 65% van die in Point Loma. En zoals GdeP opmerkte:

het is ook een landgoed dat wat betreft representatie, verfijning, rustige ligging en nabijheid van grote steden zoals Los Angeles, Pasadena en hun omgeving, onvergelijkelijk veel beter is dan Point Loma is of ooit is geweest. . . het is inderdaad in alle opzichten een plaats voor het internationale hoofdkwartier waarop ieder lid van de TS trots kan zijn.      – The Theosophical Forum, maart 1942, blz. 137

Internationaal Hoofdkwartier, Covina, Californië, 1942-1951

Een andere belangrijke beleidsbeslissing resulteerde op 16 september 1942 in de goedkeuring door de Staat Californië van het vormen van de Theosophical Endowment Corporation als wettelijk erkende non-profit-organisatie om de financiële aangelegenheden van de TS te regelen. Deze stap droeg ertoe bij dat de Society een veel sterkere financiële basis kreeg. GdeP stierf op 27 september 1942, heel kort na de verhuizing naar Covina, en was dus niet in de gelegenheid de vruchten te plukken van het aan het hoofd staan van een financieel gezonde Society.

Het is logisch dat men zich van GdeP door zijn boeken uitsluitend een beeld vormt als leraar van de esoterische filosofie, vrij van de druk van de zakenwereld. Hoever staat dit af van de werkelijkheid. De Theosophical Society is hem veel dank verschuldigd voor zijn scherpzinnigheid, vastberadenheid, en organisatorische talenten met het oog op de financiële crisis waarmee de Society gedurende praktisch de hele periode van zijn leiderschap worstelde.

 

Noten

  1. The Theosophical Forum, nov. 1942, blz. 486.
  2. The Theosophical Forum, 15 jan. 1931, blz. 91.
  3. Op.cit., 15 mei 1930, blz. 9.
  4. Op.cit., 15 feb. 1931, blz. 112.
  5. Opmerkingen tijdens de Europese Tour in 1951, Cardiff, Wales.
  6. In 1951 werd het hoofdkwartier van Covina overgebracht naar Altadena, bij Pasadena, in Californië, en daar is het nog steeds.
 
Andere artikelen over G. de Purucker
 
Themanummer over G. de Purucker
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2000

© 2000 Theosophical University Press Agency