Wat G. de Purucker als theosofische leraar tot stand heeft gebracht
is welbekend en onvergetelijk, maar er was een andere kant, een meer
wereldse zijde aan zijn bestuur die een groot deel van zijn tijd, aandacht
en energie vergde. ‘Voor hen die door de jaren heen persoonlijk
getuige ervan waren hoe dit geleidelijk tot stand werd gebracht’
was dit element ‘bijna even opmerkelijk’ als zijn activiteiten
als leraar: ‘met bijna bovenmenselijke inspanning op materieel
en organisatorisch gebied slaagde hij erin de Society vrij te maken
van schulden, . . .’1 Hoe ontstond
een dergelijke financiële crisis in de Theosophical Society, en
hoe slaagde GdeP erin die te boven te komen?
In augustus 1929 deelde GdeP een verslaggever mee dat binnen 24 uur
na de eerste aankondiging van zijn plannen eind juli meer dan $100.000
aan donaties was toegezegd om ze uit te voeren. Hij was vol optimisme
en plannen voor het uitbreiden van de theosofische activiteiten. Maar
de beurskrach in oktober en de daaruit voortvloeiende Grote Depressie
bracht het hoofdkwartier in Point Loma door eerder aangegane financiële
verplichtingen diep in de schulden. Dus was hij gedwongen om
greep te krijgen op een economische situatie waarvan
financiële en juridische deskundigen zeiden dat die absoluut
hopeloos was. Zijn beste adviseurs raadden hem aan: ‘Geef het
hele project op. Begin opnieuw met een schone lei. Met de huidige
situatie is niets te beginnen.’ Maar door zijn vooruitziende
blik, door veel denkwerk, en vooral door het volledige vertrouwen
dat zijn eigen integriteit en bekwaamheid opriep, en ook door zijn
voorbeeld in efficiënte bezuiniging, zijn verziende blik en wijsheid,
kreeg hij de oprechte en royale medewerking van leden en vrienden
over de hele wereld en zelfs van schuldeisers.
– The Theosophical Forum,
dec. 1942, blz. 573
Hoe ontstond deze schuldenlast? In 1897 kocht Katherine Tingley ongeveer
135ha grond op Point Loma, aan de baai van San Diego, toen een stad
met ongeveer 17.000 inwoners. Het was een prachtig ongerept perceel
met een kilometerlange kuststrook. Daar bouwde ze een theosofisch centrum
met wereldvermaarde onderwijsinstellingen. Maar, zoals de voorzitter
van de financieringscommissie, John R. Beaver, uitlegde in The Theosophical
Forum van 15 februari 1931, ‘Anders dan de rijkelijk gesubsidieerde
instellingen overal in de wereld startte deze unieke onderwijsinstelling
zonder enig kapitaal. De enige geldmiddelen waren die van individuele
leden waarvan de meesten slechts over een bescheiden inkomen beschikten’
(blz. 111).
 |
| Internationaal
Hoofdkwartier, Point Loma, Californië, 1900-1942 |
De uitgaven van de Society waren bijna altijd groter dan de inkomsten,
en in 1928, toen de waarde van het Point Loma bezit werd vastgesteld
op bijna 1,5 miljoen dollar, bedroeg de schuldenlast tegen één
miljoen dollar, veel daarvan in de vorm van converteerbare obligaties
met het eigendom als borg. Op grond van een nieuwe taxatie werd in 1929
de belasting verhoogd met 400%. Toen kwam de beurskrach en de Depressie.
De grondwaarde daalde sterk, terwijl de waarde van de obligaties en
de jaarlijkse te betalen rente gelijk bleef. Het probleem werd vergroot
doordat de inkomsten van de Society onregelmatig waren, voornamelijk
afhingen van de contributies van leden en van het schoolgeld. Om aan
de financiële verplichtingen te voldoen, kon geen nieuw werk worden
begonnen dat belangrijke uitgaven vergde, zodat GdeP het theosofische
werk niet kon uitbreiden zoals hij zou willen: ‘Als ik nu de middelen
zou hebben om dat te doen, dan zouden er wonderen van theosofische propaganda
en groei gebeuren, zelfs binnen een jaar. Wat mij tegenhoudt is gebrek
aan geldmiddelen.’2
Niettemin berichtte het Uitvoerend Comité in mei 1930 dat tussen
juli 1929 en april 1930 de obligaties van het hoofdkwartier verminderd
waren met meer dan een half miljoen door contante betalingen en annuleringen
‘door de vrijgevigheid van toegewijde broeders en vrienden’.
Daarom ‘bevindt de hele Society zich nu in een betere financiële
positie dan tijdens de Wereldoorlog, hoewel we nog aan andere verplichtingen
moeten voldoen. . . .’3
In 1930 was er nog hoop om op 13ha na alles te verkopen van het resterende
terrein (26 ha. waren in 1926 verkocht) om de obligaties af te lossen
en een groot reservefonds te scheppen om de lopende uitgaven te financieren
en de toekomstige uitbreiding van het theosofische werk. Maar omdat
de grondwaarde heel laag bleef, werd besloten het bezit niet met zoveel
verlies te verkopen. Beaver berichtte dat door de uitgaven te verminderen
en de inkomsten te verhogen het hoofdkwartier in die tijd in een situatie
kwam ‘waarin het zichzelf in stand kon houden met voldoende middelen
om de lopende uitgaven te bekostigen, maar onvoldoende om aan alle vroegere
verplichtingen te voldoen waarvan de kosten opliepen’4.
GdeP bleef hardnekkig weigeren de zaak bankroet te laten verklaren,
en er werden maatregelen aangekondigd om de lopende obligaties op te
kopen en in te trekken.
GdeP en zijn staf trachtten de grote kosten van het in stand houden
van het hoofdkwartier in Point Loma zoveel mogelijk te beperken. In
1929 bestond het hoofdkwartier uit ongeveer 300 stafleden en studenten.
De gebouwen waren tjokvol. Een aankondiging in The Theosophical
Forum van 15 mei 1930 vermeldde dat ‘Belangstellenden en
vrienden die van plan zijn om enkele dagen of langer in de buurt te
blijven, moeten zorgen voor onderdak in San Diego, omdat er maar één
logeerkamer aan het hoofdkwartier beschikbaar is en dat die heel vaak
bezet is.’
De staf had altijd bestaan uit onbetaalde vrijwilligers, waarvan sommigen
in staat waren uit eigen middelen een financiële bijdrage aan het
hoofdkwartier te leveren. Een reeks bezuinigingsmaatregelen werd ingevoerd
die doeltreffend bleek te zijn. Het gebruik van elektriciteit werd met
50% verminderd; per dag kreeg de staf twee in plaats van drie maaltijden
opgediend; alle schrijfpapier werd aan beide kanten gebruikt, behalve
voor officiële stukken; en wat heel belangrijk was, zij die in
staat waren het hoofdkwartier te verlaten, werden daartoe aangemoedigd,
zodat er in 1942 minder dan 100 bewoners waren.
Wat in deze periode aan de financiële problemen van het hoofdkwartier
bijdroeg, was een sterke afname van het aantal leerlingen in de Point
Loma scholen voor jongens en meisjes. Toen de Depressie begon vonden
vele gezinnen dat ze het schoolgeld niet meer konden opbrengen, zoals
dat ook het geval was bij vele particuliere scholen. Jarenlang was dit
geld een belangrijke vaste bron van inkomsten voor het hoofdkwartier
geweest. Verschillende principes die bijna 30 jaar lang waren gevolgd
om leerlingen aan te trekken, werden eind 1929 veranderd. Gebruikelijk
was dat alleen leerlingen die intern waren werden aangenomen, nu waren
ook niet-interne studenten welkom. Om aan de verlangens van de ouders
tegemoet te komen, werden leerlingen, van wie de ouders dit wensten,
vakanties toegestaan met Kerstmis en in de zomer, in plaats dat alle
twaalf maanden van het jaar les werd gegeven zonder vakantie. Niet-interne
volwassenen en kinderen konden ook deelnemen aan viool- en pianolessen.
In april 1930 werd de naam van de Raja-yoga School en Academie veranderd
in Lomaland School, en het Isis Conservatorium, Koor en Orkest werd
het Lomaland Conservatorium voor Muziek. De reden voor deze beslissing
was
dat de woorden ‘Raja-yoga’ altijd veel
uitleg vereisten voor mensen die ze niet begrepen en bij het publiek
de indruk hadden gewekt dat we onder deze naam een soort oosterse
Indische yogapraktijken onderwezen. De term ‘Lomaland’
was afkomstig van onze geliefde Katherine Tingley; het is een beschermde
naam en mag niet elders worden gebruikt; hij is duidelijker en gemakkelijker
te begrijpen, en voorkomt veel dwaze vooroordelen die veel mensen,
niet theosofen, hebben tegen onze prachtige instelling en ons opvoedkundig
werk.
– The Theosophical Forum,
15 mei 1930 , blz. 12
Het schoolgeld werd ook sterk verlaagd, maandelijks te betalen in plaats
van jaarlijks, en voor volwassenen en kinderen werden zomercursussen
aangeboden. In 1936 nam het aantal leerlingen opnieuw toe. Tenslotte
werd de Lomaland School een internaatschool voor meisjes gecombineerd
met een programma voor studenten in het dagonderwijs, en deze werd weer
gesloten in juni 1941. Maar de Theosofische Universiteit bleef studenten
aannemen tot 1950.
Toen de grondprijzen stegen, werden stukken land verkocht tot er ongeveer
32ha overbleef. Na jaren van bezuiniging kon De Purucker in 1942 de
leden meedelen dat
ondanks de wereldwijde depressie die in oktober van
datzelfde jaar [1929] begon en ondanks de onrust in de wereld en de
oorlogen die in later jaren zijn uitgebroken, ons internationale hoofdkwartier
in Point Loma bijna geheel zonder schulden is; ons land is vrij van
verplichtingen en lasten, en de zeer hoge onderhoudskosten en uitgaven
voor levensbehoeften, enz., enz., van het hoofdkwartier, . . . [zijn]
eveneens verminderd door een veel efficiënter en zakelijker werkwijze,
. . .
– The Theosophical Forum,
maart 1942, blz. 135
In Point Loma blijven was echter onrealistisch. Doordat de Verenigde
Staten betrokken raakten bij de Tweede Wereldoorlog kwam de staf van
het hoofdkwartier in een potentieel gevaarlijke positie, omdat het perceel
grensde aan een zwaar versterkte militaire installatie die uit de lucht
of vanuit zee zou kunnen worden gebombardeerd. Bovendien had het gedreun
van scheepsgeschut tijdens marine-oefeningen net buiten de kust in de
loop van de jaren veel van de gebouwen verzwakt en het glas van de zoldering
en andere bevestigingen dreigden los te raken. In maart 1942 deelde
GdeP de leden mee
Feitelijk is Lomaland niet meer wat het was toen
KT [Katherine Tingley] nog leefde en de inspiratie van haar genie
eraan schonk. Toen was het een geschikte plaats voor het hart van
de TS; maar sinds haar overlijden en door een samenloop van allerlei
oorzaken, en vooral tijdens de afgelopen 18 maanden of twee jaar,
zijn de omstandigheden in bepaalde opzichten zo moeilijk geworden
wat betreft representatie en verfijning en rust, dat onze functionarissen
en ikzelf al maandenlang ernstig hebben nagedacht om ernaar te streven
ons bezit in Point Loma te verkopen en ons hoofdkwartier naar elders
te verhuizen.
– Op.cit., blz. 136
Zoals James Long later opmerkte, was het centrum in Point Loma ‘een
absoluut onpraktisch project geworden om voort te zetten’ omdat
‘De gebouwen vervallen waren, en in de loop van de jaren brandgevaarlijke
rattenvallen waren geworden en het een half miljoen dollar of meer zou
hebben gekost om die naar behoren te reconstrueren.5
Begin 1942 kon de Society het bezit in Point Loma verkopen en het hoofdkwartier
verhuizen naar een kleinere behuizing in de buurt van Covina in Los
Angeles County.6 De gebouwen op dit terrein,
16 ha. groot, vroeger een school voor voorbereidend onderwijs, waren
modern, brandvrij, bestand tegen aardbevingen en geschikt voor het hoofdkwartier,
de universiteit, de bibliotheek, de drukkerij en woonverblijven; een
grote aula met ruimte voor vijf- à zeshonderd mensen; en vier
zomerhuisjes die konden worden verhuurd om extra inkomsten op te leveren.
Over het geheel waren de kosten lager; de belasting, bijvoorbeeld, bedroeg
slechts 65% van die in Point Loma. En zoals GdeP opmerkte:
het is ook een landgoed dat wat betreft representatie,
verfijning, rustige ligging en nabijheid van grote steden zoals Los
Angeles, Pasadena en hun omgeving, onvergelijkelijk veel beter is
dan Point Loma is of ooit is geweest. . . het is inderdaad in alle
opzichten een plaats voor het internationale hoofdkwartier waarop
ieder lid van de TS trots kan zijn. –
The Theosophical Forum, maart 1942, blz. 137
 |
| Internationaal
Hoofdkwartier, Covina, Californië, 1942-1951 |
Een andere belangrijke beleidsbeslissing resulteerde op 16 september
1942 in de goedkeuring door de Staat Californië van het vormen
van de Theosophical Endowment Corporation als wettelijk erkende non-profit-organisatie
om de financiële aangelegenheden van de TS te regelen. Deze stap
droeg ertoe bij dat de Society een veel sterkere financiële basis
kreeg. GdeP stierf op 27 september 1942, heel kort na de verhuizing
naar Covina, en was dus niet in de gelegenheid de vruchten te plukken
van het aan het hoofd staan van een financieel gezonde Society.
Het is logisch dat men zich van GdeP door zijn boeken uitsluitend een
beeld vormt als leraar van de esoterische filosofie, vrij van de druk
van de zakenwereld. Hoever staat dit af van de werkelijkheid. De Theosophical
Society is hem veel dank verschuldigd voor zijn scherpzinnigheid, vastberadenheid,
en organisatorische talenten met het oog op de financiële crisis
waarmee de Society gedurende praktisch de hele periode van zijn leiderschap
worstelde.
Noten
- The Theosophical Forum,
nov. 1942, blz. 486.
- The Theosophical Forum,
15 jan. 1931, blz. 91.
- Op.cit., 15 mei 1930, blz. 9.
- Op.cit., 15 feb. 1931, blz. 112.
- Opmerkingen tijdens de Europese
Tour in 1951, Cardiff, Wales.
- In 1951 werd het hoofdkwartier
van Covina overgebracht naar Altadena, bij Pasadena, in Californië,
en daar is het nog steeds.