Deze sprookjes zijn geen onzinnige verhalen geschreven
om rijke nietsnutten te amuseren; ze belichamen de diepzinnige religie
van onze voorvaderen, . . .
– W.S.W. Anson, Asgard and the
Gods, blz. 21
In dit nieuwe millennium maken sprookjes een bloeitijd door. De afdelingen
met kinderboeken van bibliotheken en boekhandels bieden een overvloed
aan prachtige uitgaven van bekende sprookjes die zijn voorzien van exotische
en levendige illustraties. Het aanbod bestaat uit sprookjes uit alle
delen van de wereld: Russische, Duitse, Japanse, Chinese, Perzische,
Scandinavische, Afrikaanse, Australische, Noord- Amerikaanse, Joegoslavische,
Britse en nog veel meer. Om de tijd te kunnen doorstaan moeten de traditionele
sprookjes wel over heel sterke en bijzondere genen beschikken –
want louter vermaak gaat niet zo lang mee. Wat is het geheim van hun
lange levensduur?
Laten we eens kijken naar een Indiase versie van een geliefd sprookje
dat nooit zijn glans verliest: er was eens een hindoe-radja met maar
één dochter die met een gouden halssnoer was geboren.
Dit halssnoer verborg haar ziel, en als het halssnoer zou worden afgepakt
en door iemand anders zou worden gedragen, zou de prinses sterven. Op
haar verjaardag gaf de radja zijn dochter een paar muiltjes die met
goud en edelstenen waren versierd. De prinses ging naar buiten de bergen
in om bloemen te plukken, en toen ze daar was viel één
van haar muiltjes naar beneden in het bos. Een prins die op jacht was
in het bos vond het verloren muiltje en werd er zo door bekoord dat
hij wenste dat de draagster zijn vrouw zou worden. Hij maakte zijn wens
overal bekend maar niemand wist aan wie het muiltje toebehoorde, zodat
de arme prins heel bedroefd werd. Na lange tijd hoorden enkele mensen
uit het land van de radja ervan en vertelden de prins waar hij de dochter
van de radja kon vinden. Hij ging naar haar toe en vroeg haar of zij
zijn vrouw wilde worden, en ze gingen trouwen. Na een zekere tijd stal
een andere vrouw van de prins, die jaloers was op de dochter van de
radja, het halssnoer en deed het om haar eigen nek. De dochter van de
radja stierf, maar haar lichaam verging niet en ook de blos in haar
gezicht bleef bewaard. De prins ging iedere dag naar haar toe, want
hij hield nog steeds heel veel van haar. Toen hij het geheim van het
halssnoer had ontdekt, nam hij het terug en deed het weer om de hals
van het gestorven lichaam van zijn vrouw. De ziel van de prinses kwam
in haar lichaam terug zodat ze weer tot leven kwam en ze leefden nog
lang en gelukkig.
Het verloren muiltje komt ook voor in een oude Griekse legende over
een bekoorlijke vrouw genaamd Rhodope (‘de vrouw met de roze wangen’);
terwijl ze aan het baden is, vliegt een adelaar met één
van haar muiltjes weg. De adelaar vliegt er helemaal mee naar Egypte
en laat het in de schoot van de koning van dat land vallen. Het muiltje
is zo klein en zo’n sieraad dat de koning verliefd wordt op de
draagster ervan. Hij laat naar haar zoeken en als ze is gevonden neemt
hij haar tot zijn vrouw.
Zoals u wel zult hebben vermoed is Cinderella de Engelse variant
van dit verhaal – ‘Kleine Polly Flinters, zij zat tussen
de sinters’. Mij is niet bekend of het naar Engeland is gekomen
via het Duitse Aschenputtel [in het Nederlands: Assepoester],
het Franse Cendrillon of het Scandinavische Askungen,
– ‘Het kind van de essenboom’. Er zijn Indiase, Griekse,
Franse, Duitse, Scandinavische en Engelse variaties op hetzelfde sprookje,
waarbij ieder land op de essentie van het verhaal zijn specifieke stempel
drukte of er zijn eigen kleur aan gaf. In een interpretatie van Elsa-Brita
Titchenell in haar boek Masks of Odin noemt ze Askungen (Assepoester)
een loot van ‘de edele essenboom’, Yggdrasil,
de levensboom, die de werelden met al hun levensvormen op zijn takken
draagt. Alle levende wezens zijn kinderen van de kosmische essenboom,
van het allerkleinste deeltje tot het meest omvangrijke. Wat nog meer
telt is dat ieder van ons niet alleen deel uitmaakt van de kosmische
boom, maar een op zichzelf bestaande levensboom is.
Het essenboomkind wordt dus cyclisch herboren uit
zijn vorige zelf, zoals de feniks uit zijn as herrijst.
– blz. 6-7
Zulke sprookjes behoren tot een mondelinge overlevering die van generatie
op generatie door mensen van het land werd doorgegeven en die pas relatief
kort geleden werd opgeschreven. Wie waren de oorspronkelijke auteurs?
Deskundigen in de vergelijkende filologie en mythologie zijn het erover
eens dat er inderdaad een gemeenschappelijke bron is. John Thackray
Bunce, schrijver van Fairy Tales: Their Origin and Meaning
(1878) [Sprookjes, hun oorsprong en betekenis], zegt dat ‘Keltische,
Germaanse en Noord-Europese mythen een echo zijn van de eeuwige en universele
thema’s en van de levendige beeldspraak zoals die in de heilige
boeken van de Hindoes en Perzen worden gevonden – de Veda’s
en de Zend Avesta . . .’ De Zweedse onderzoeker Fredrick
Sander, die zijn Rigveda- Edda rond 1890 uitbracht, was ervan
overtuigd dat de Noorse mythologie uit India kwam en meer mythologische
elementen van de Hindoes bevat dan de klassieke Griekse en Romeinse
mythologie, die veel minder oorspronkelijk zijn (Masks of Odin,
blz. 22).
Dus ons nederige sprookje is van koninklijke – of meer nog van
goddelijke – afkomst. In De Geheime Leer lezen we dat
‘de Rig Veda, de oudste van alle bekende oude geschriften,
de occulte leringen in bijna elk opzicht bevestigt’ (2:690), en
dat de Veda’s ‘de spiegel van eeuwige wijsheid’ zijn
(2:549). Is dit de reden dat sprookjes tijdens het opkomende christendom
in Europa konden overleven? Fanatici van de nieuwe religie hadden een
vernietigende invloed op folklore en oude tradities die vogelvrij waren
verklaard en als heidens werden uitgebannen. We kennen allemaal de wrede
intolerantie en strenge behandeling van de zogenaamde ketters, die de
moed hadden min of meer trouw te blijven aan hun oude gewoonten en geloof.
Misschien werden deze eenvoudige juweeltjes van pure wijsheid door de
toverfeeën zelf versluierd, en ontkwamen ze daardoor in de loop
van de eeuwen aan vervolging, dogmatisering en degradatie van de formele
religieuze instituties. Gelukkig ontsnapte het verafgelegen IJsland
aan deze vervolging, en daar ‘leefde Saemund de Wijze en schreef
de Poëtische Edda. . . . De mythen hebben stof gegeven voor talloze
volksverhalen en sprookjes die aan verschillende expressievormen zijn
aangepast, van kinderrijmpjes tot grote opera’s, . . . en ze omvatten
verzamelingen gemaakt door onderzoekers van folklore zoals de gebroeders
Grimm in de negentiende eeuw’ (Masks of Odin, blz. 23-4).
Terwijl de optekeningen uit de oudheid over de Veda en de
Edda als het reservoir voor mythen en hun kleinere neefjes,
de sprookjes, worden erkend, kan de sleutel tot hun oudste bron van
inspiratie worden gevonden door te letten op aanwijzingen in enkele
van de oudste tradities van de wereld. Daarin wordt over de gouden eeuw
van de menselijke onschuld verteld toen verder ontwikkelde wezens in
onze geest oerwaarheden inprentten. Als we dit bedenken, geeft dat ons
de vrijheid en het vertrouwen het sprookje overeenkomstig onze eigen
wijsheid te interpreteren en te begrijpen.
 |
Papalluga
(Servische Assepoester)
|
De meeste bekende sprookjes volgen hetzelfde patroon: een wanhopige
verweesde jonge man of vrouw, verbannen uit zijn of haar ouderlijk huis,
wordt na verschillende beproevingen en vele tegenslagen gered door en
herenigd met iemand die hij of zij liefheeft – een ouder of iemand
van een koninklijke familie. Assepoester is een goed voorbeeld hiervan:
het verweesde kind wordt door haar slechte stiefmoeder en lelijke stiefzusters
in de val gelokt en getiranniseerd, wat betekent dat de menselijke ziel
van haar spirituele natuur of ‘vader in de hemel’ is vervreemd
en de onaangename heerschappij en invloed van de lagere kant van de
menselijke natuur moet ondergaan. Deze personen zijn niet haar natuurlijke
bloedverwanten, en dit suggereert dat de menselijke ziel met recht tot
het betere deel van haar menselijke natuur behoort. Na te zijn afgedreven
van de positie die haar toekomt, worstelt de ziel om haar rechtmatige
status te herstellen. Door zuiverheid en deugdzaamheid verwerft ze de
steun en hulp van haar feeachtige peettante, de spirituele ziel. In
menig sprookje komt de peettante en gever van geschenken voor als zinnebeeld
van de betere eigenschappen van de menselijke ziel, die in de vorm van
verdiensten tot uitdrukking komen. ‘Deze kracht van elfjes, die
de menselijke ziel met haar goddelijke bron verenigt, is het kanaal
(of het elfje) dat aan zijn kind alle spirituele eigenschappen toekent
die het verdient’ (Masks of Odin, blz. 6).
De analogie van onze dualistische natuur verschaft ons dus de sleutel
om deze sprookjes te ontcijferen. Wat een briljante manier van onderricht
en van het doorgeven van kennis van onze samengestelde natuur, die eveneens
op macrokosmisch niveau kan worden toegepast. Misschien is dit de reden
dat sprookjes ons zo aanspreken en wij zo vertrouwd ermee zijn, alsof
we ze altijd hebben gekend – en dat is natuurlijk ook zo. Om welk
verhaal het ook gaat, het is eenvoudig een spiegelbeeld van onszelf.
De erin voorkomende figuren zoals de koning, koningin, prins en prinses,
vader, fee, heks, kikker, reus, menseneter, elfje, draak, een wit paard,
beest en weeskind, maken deel uit van ieder van ons. Onze sterke en
zwakke eigenschappen worden uitgebeeld in verschillende personages,
die allemaal in onze evolutionaire groei een rol spelen. Na vele worstelingen
en hindernissen – de ontwikkeling van het verhaal – vinden
we tenslotte de prins of prinses, ons hogere zelf, waarmee we trouwen
en daarna nog lang en gelukkig leven . . . totdat we de bladzijde omslaan
voor het volgende verhaal.
Wist u dat er oude wijsheid aan u werd verteld toen u nog bij uw moeder
op schoot zat? En dat u, ouders, grootouders, ooms en tantes op uw beurt
deze eeuwige en essentiële waarheden aan de volgende generatie
doorgeeft wanneer u een van de vele klassieke sprookjes vertelt of een
videofilm laat zien, of ze meeneemt naar een voorstelling of een film
van Walt Disney? Sneeuwwitje, Aladdin, De Gelaarsde
Kat, Sjaak en de Bonenstaak, Beauty and the Beast
en andere sprookjes hebben zelfs in onze drukke en luidruchtige tijd
in geen enkel opzicht aan populariteit ingeboet. In hun zuivere vorm
hebben deze sprookjes nog altijd een betoverende werking op ons, ze
zetten ons aan het denken, onderwijzen en inspireren ons, niet alleen
door hun ethiek en altruïsme, maar ook door de esoterische betekenis
van het leven zelf. Laten we hopen dat zij die evenals de Schone Slaapster
halfwakker zijn, zullen ontwaken door aan hun opdracht: ‘ken
uzelf’, gehoor te geven.