Kosmische atomen, sporen van de goden
Grace F. knoche

 

Zijn wij alleen maar de uitgeworpen sporen van goden, onvoltooide scheppingen van hogere levensvormen die zonder zin of doel aan zichzelf zijn overgelaten? Door de drang om betekenis en zin te zoeken voor ons bestaan onderscheiden we ons ongetwijfeld als mensen en niet als dieren. We hebben zelfbewustzijn, wat de dieren en planten niet hebben, toch zijn we schijnbaar niet in staat of onwillig coöperatief samen te leven met onze eigen soort, laat staan met de hele natuur, terwijl de zogenaamde lagere rijken dat wel doen als wij ze daarbij niet hinderen. Trots als we zijn op ons vermogen om naar believen te scheppen en te vernietigen, hebben we ons zelfbewustzijn overwegend gebruikt om de natuur te manipuleren en te overheersen als middel voor ons doel, in plaats van te proberen haar wetten te begrijpen en daarmee samen te werken. Als resultaat oogsten we niet alleen de gevolgen van duizenden jaren van zorgeloze dwaasheid en eerzucht, maar hebben we de hulp die beschikbaar is veronachtzaamd.
     Hoewel onze toestand ernstig is, is ze niet onherstelbaar. We moeten alleen maar oprecht proberen met de natuur samen te werken, en ze zal grootmoedig reageren; is ze tenslotte niet bezieler en beschermer van al haar kinderen? In de geschiedenis van ons menszijn zijn we nooit zonder hogere leiding geweest, ondanks de wolken van onwetendheid waarin wij onszelf hebben gehuld. Er is een model voor het mensenleven dat ergens onvoorstelbaar ver in ruimte en tijd zijn oorsprong heeft, want wij zijn de menselijke fase van de evolutie van de goden. Wij zijn in werkelijkheid sporen van de goden – niet weggeworpen of verlaten, maar vrij om zinvol te kunnen groeien en onze eigen goddelijke mogelijkheden tot ontwikkeling te brengen.
     Het oude stoïcijnse idee van de logos spermatikos, de zaadkracht of het goddelijke motief of plan achter elk sperma of levenszaad, is relevant. Uit deze scheppende logos of het woord komen myriaden individuele logoi spermatikoi, kinder-zaadkrachten, met ieder in zich het oorspronkelijke denken (logos) of vuur van de geest. De logos is één, maar om het scheppingswerk te volbrengen, ‘grove materie tot de toekomstige dingen’ om te vormen, zijn er ontelbare kleinere logoi nodig, onvernietigbare zaadkrachten die,


als het ware, geesten of godheden zijn, verspreid over het universum, overal vormen aannemend, bevolkend, ontwerpend, vermeerderend; het zijn verrichtingen van de vurige geest die werkt door spanning in zijn hoogste ontplooiing. Maar de zaadkracht van het universum [logos spermatikos] omvat in zichzelf alle individuele zaadkrachten [logoi spermatikoi]; ze zijn eruit voortgekomen en zullen tenslotte erin terugkeren. Zo zien we in het gehele werk van schepping en weer opgaan in het ongeschapene het werk van één Zeus, één goddelijk woord, één aldoordringende geest.      – E. Vernon Arnold, Roman Stoicism, blz. 161-2


     Dit idee van levenszaden zien we ook in de wetenschap. In het begin van de 20ste eeuw blies de Zweedse natuurkundige en chemicus Svante Arrhenius weer nieuw leven in een oude theorie – panspermia, letterlijk ‘overal zaden’ – die inhield dat het leven op aarde het resultaat is van sporen die zich vrij bewegen door de interstellaire ruimte en die hier ooit zijn terechtgekomen en het begin vormden van het biologische leven. In 1983 wekte de Britse astrofysicus Sir Fred Hoyle de theorie van Arrhenius tot nieuw leven door krachtige argumenten aan te dragen, gesteund door de natuurkunde en de microbiologie, ten gunste van het idee dat micro-organismen zich door de ruimte bewegen en vandaaruit naar onze planeet zijn gekomen. Hoyle schreef:


     Dit levert het decor voor de oorsprong van het leven op de ruimst denkbare schaal. Het is geen lokaal platform, niet beperkt tot ons zonnestelsel, zelfs niet tot ons melkwegstelsel, maar werkelijk kosmisch. Als er een intelligentie in het spel was bij het ontstaan van het leven, dan was die intelligentie inderdaad heel groot, en ik vermoed dat die erkend wordt door het religieuze instinct dat in ons allen woont, het instinct dat ons toefluistert vanuit een of ander verafgelegen gebied van ons bewustzijn. Het leven is daarom een kosmologisch verschijnsel, misschien wel het meest fundamentele aspect van het universum zelf.      – The Intelligent Universe, blz. 161


En waarom niet? Er kan geen leven zijn zonder levens. Sporen zijn in een of andere vorm zaaddragers van leven, en wat is leven als het niet bewustzijn is, denk-stof, monaden, van kosmische oorsprong, die zich altijd proberen te belichamen in een vorm van substantie, etherisch of fysiek?
     De kosmos die door onze wetenschappers wordt afgespeurd en gemeten om door te dringen in het ongrijpbare mysterie van hoe en wanneer en waar het universum begon, is inderdaad heel wat meer dan hij schijnt te zijn. Wat we zien is maar een klein gedeelte van het geheel, dat zelf niet meer is dan het lichaam of de uitwendige uitdrukking van een godheid, een levend wezen van kosmische omvang, waarvan de structuur alles wat daarbinnen is omsluit.
     Wat kunnen we weten van het innerlijke leven van zo’n wezen? Om de draagwijdte van goddelijk bewustzijn te begrijpen moeten we zelf kosmisch worden in inzicht en ervaring. Zoals de apostel Paulus treffend opmerkte, ‘Daarin leven we, bewegen we en hebben we ons bestaan’ – een mystieke waarheid met zowel een fysieke als een geestelijke dimensie die we dagelijks beleven, terwijl we binnen het kosmische gebeuren onze menselijke levenscyclus van geboorte en dood vervolgen. Ook wij zijn groter dan we lijken, met een bestemming die in overeenstemming is met onze oorsprong. Als sporen van onze innerlijke god, heeft ieder van ons met zijn eigen graad van bewustzijn, zijn rol te spelen bij het ‘vormgeven en bevolken’ van de kosmische orde en door bij te dragen aan het welzijn ervan.
     We kunnen het universele plan niet volledig kennen, maar we kunnen een glimp ervan opvangen door de uiterlijke kenmerken van de natuur. Dat er een plan, een ontwerp bestaat van de kosmos bij het lot waarvan we wezenlijk zijn betrokken, daarvan kunnen we zeker zijn. Hoe duister en verwarrend het heden ook is, we kunnen beseffen dat elke zaad-logos, elke godsvonk, ieder kosmisch atoom of elke monade, in zijn goddelijke essentie het model heeft dat zich moet ontvouwen en worden. Als wij de belofte van ons erfdeel vervullen, zijn wij mensen in de loop van de eeuwen bestemd om godheden te worden zoals onze kosmische ouder, collega’s en helpers van de goden waarvan wij de kinderen zijn. Deze gedachte ademt de heiligste verlangens van de ziel.

 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 2001

© 2001 Theosophical University Press Agency