De kans van deze tijd
James A. Long

 

Velen van ons beroemen zich erop open te staan voor nieuwe ideeën en gereed te zijn die te verwelkomen als de oude zijn versleten, onjuiste waarden te vervangen door gezondere en, zo nodig, een totale ommezwaai te maken om een dieper inzicht te verkrijgen. Maar hoe vaak blijken we gevangen te zitten in het raamwerk van door onszelf geschapen denkgewoonten, zelfs tegen onze wil. Het kan zijn dat we de oplossing van een probleem aanvoelen of het juiste antwoord verstandelijk vermoeden. Maar hoe we ook proberen, we schijnen niet in staat haar te bereiken. Hoe komt dit? Zijn we werkelijk hulpeloze wezens, zonder het te willen de slachtoffers van de omstandigheden?
     Het is duidelijk dat ieder mens, in welk stadium van zijn groei dan ook, inderdaad wordt omringd door bepaalde beperkingen, opgesloten binnen wat iemand treffend een ‘ring-verder-niet’ noemde; maar dit is niets anders dan de horizon van begrip waarachter hij op dat speciale moment niet tot waarnemingen in staat is. We moeten ons niet laten afschrikken door woorden: het leven is geen gesloten cirkel waaruit we niet meer kunnen komen als we ons eenmaal daarbinnen bevinden. Nee, de hele evolutie voltrekt zich spiraalsgewijs, van de uitdrukkingsvorm van de molecule tot die van zonnevlekken en melkwegstelsels.
     Evenmin moeten we het grootse feit over het hoofd zien dat bewustzijn even veelomvattend is als ruimte, zodat er in de uitgestrekte oneindigheid geen hindernissen zijn die we niet op een of ander moment kunnen overwinnen. Het denken doordringt het heelal en daarom reikt ons bewustzijn, al is het nog steeds menselijk en heel onvolmaakt, tot ver voorbij de grenzen van ons fysieke lichaam. Zelfs het omhoogkijken naar de sterren en het ondergaan van hun majesteit houdt op zichzelf een overbrengen in van bewustzijnsdeeltjes die letterlijk de schijnbaar onoverschrijdbare kloof tussen de aarde en ons ouder-melkwegstelsel overbrugt.
     Er is geen grens aan de ontwikkelingsmogelijkheden van elk mathematisch punt in de kosmos, want elk kleinste spikkeltje leven heeft het potentieel van dat waarvan het een deel is; en alles wat ligt tussen het nietigste atoom en de universele intelligentie is op weg naar deze verheven toestand. En die intelligentie zelf zal eens een nog grotere ronde van ervaring doormaken in de sferen van super-melkwegstelsels. Er komt geen einde aan groei, geen einde aan de innerlijke en uiterlijke ruimte; en naarmate we zelfbewust komen tot een synthese van de vele facetten van onze ingewikkelde constitutie, zullen we misschien in staat zijn om de innerlijke ‘ruimten van de ruimte’ te zien waaruit we kwamen, en krijgen op die manier vluchtig een beeld van de grootse buitenronden die we in de toekomst (op onze kosmische reis) zullen doorlopen. Als we leren hoe we het zich ontvouwende draaiboek van ons leven moeten lezen, zal dat uiteindelijk tot gevolg hebben dat we een volledig beeld krijgen van onze bestemming.
     Het idee dat we zo’n pelgrimstocht maken lijkt misschien veraf en onbereikbaar. Maar het heeft directe praktische waarde omdat het ons helpt de huidige reeks van crises waarmee we worden geconfronteerd met een grotere mate van gelijkmoedigheid tegemoet te treden. We zullen beseffen dat er geen moeilijkheid is die niet beter vanuit een hoger punt op de spiraal kan worden bezien dan vanuit een lager, door een hoger deel van onze natuur in plaats van door ons minder gevorderde zelf. We zijn geneigd ons niet te gedragen naar wat wij zijn: gemaakt naar Gods beeld banen we ons een weg door de school van het leven in de materie, waarin strijd tussen het spirituele en het aardse, het edele en het lage, een essentiële en heel noodzakelijke stap is in het ontwikkelingsproces.
     Als we niet ieder in de kern van ons wezen een reservoir bezaten van buitengewone kracht, zou geen Christus of Boeddha de zaden van verlichting hebben gestrooid om ons eraan te herinneren dat de werken die zij hebben gedaan, u en ik ook kunnen doen en zelfs grotere. Die voorbeelden van opoffering waren echter in de geschiedenis van de mens noch de eerste, noch de laatste. Vanaf het eerste ogenblik dat we ons ervan bewust werden denkende schepsels te zijn, zijn er soortgelijke elementen van wijsheid en mededogen geweest die welbewust hun recht op vooruitgang op een hogere spiraal opgaven opdat wij die lager staan dan zij periodiek enige leiding zouden kunnen krijgen voor onze lange pelgrimstocht.
     Ik ben ervan overtuigd dat die grote beschermers, die ons bijstonden in het beginstadium van onze mensheid, hun waakzaamheid door de cyclussen heen hebben volgehouden, en nu nog even krachtig waken als altijd. Als dit een feit is – en ieder moet dit voor zichzelf aantonen of weerleggen – dan levert ieder mens die in de stilte van zijn eigen aspiraties oprecht tracht zichzelf tot een instrument te maken van hulpvaardigheid, zijn bijdrage niet alleen aan het welzijn van zijn medemensen maar ook aan het ondersteunen van die ongeziene hiërarchen van opoffering die de grootste weldoeners van de mensheid zijn.
     Een oude cyclus loopt ten einde en een nieuwe wordt geboren, zoals tot uitdrukking komt in de hierna volgende regels van de Britse toneelschrijver Christopher Fry in zijn drama in dichtvorm ‘A Sleep of Prisoners’ (Een slaap van gevangenen):


Het mensenhart kan reiken tot aan God.
Misschien bevinden we ons in kou en duisternis,
Maar het is nu geen winter meer.
Het ijs van de ellende van eeuwen breekt,
kraakt, komt in beweging;
De donder is de donder van ijsschotsen,
De dooi, de vloed, de ontluikende lente.
Dank God dat we nu leven in een tijd waarin
Het kwaad ons overal tegemoet treedt,
Om niet te wijken vóór we onze ziel
De grootste stap vooruit laten doen,
die de mens ooit deed.
De dingen hebben nu het formaat van de ziel.


     De dingen van deze tijd hebben inderdaad het formaat van de ziel, en de druk die dat met zich meebrengt is enorm, zonder ontspanning in het vooruitzicht. Laten we niet bang zijn voor de weerklank van verandering, maar hem liever verwelkomen als voorbode van de komende lente. Dit is de kans van deze tijd en er is geen reden voor ontmoediging. Overal geven de mensen openlijk gehoor aan de machtige nieuwe kracht die ingang probeert te vinden. We moeten ‘onze ziel de grootste stap vooruit laten doen die de mens ooit deed’.
     Als we dit ruime beeld voor ogen houden wanneer de afrekening van vroeger kwaad ‘ons tegemoet treedt’, zullen we beseffen dat de opkomst en ondergang van beschavingen slechts onbeduidende golfjes zijn in het grotere geheel van de bestemming van de mens.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 2001

© 2001 Theosophical University Press Agency