Boekbespreking

The Non-Local Universe: The New Physics and Matters of the Mind (Het niet aan een plaats gebonden heelal) door Robert Nadeau en Menas Kafatos, Oxford University Press, Oxford, 1999; 240 blz., ISBN 0-19-513254-6, gebonden.

 

     In The Non-Local Universe: The New Physics and Matters of the Mind doet een natuurkundige en een onderzoeker van de geschiedenis van de wetenschap verslag van en geeft bespiegelingen over experimenten die in 1997 met lichtdeeltjes zijn gedaan. De resultaten van dit experiment dat is gebaseerd op soortgelijk werk uitgevoerd in 1982 aan de universiteit van Zuid-Parijs, geven aan dat fotonen, nadat ze in tegenovergestelde richting uit dezelfde bron zijn uitgestoten, op een of andere manier ogenblikkelijk op elkaar reageren terwijl ze onderweg zijn naar detectors die 11 kilometer van elkaar staan – een enorme afstand in quantumtermen. Dit betekent dat de lichtsnelheid geen absolute limiet is, zoals een rapport in het meest recente nummer van Nature schijnt te bevestigen. Bovendien concludeerden de natuurkundigen dat ‘zelfs al zouden er op een of andere manier experimenten kunnen worden verricht waarbij de afstand tussen de detectoren de helft van de diameter van het bekende universum zou zijn, dan zouden de resultaten nog aangeven dat de wisselwerking of communicatie tussen de fotonen ogenblikkelijk is’, d.w.z. dat de basis van de fysieke realiteit in feite ‘niet-lokaal’ is – een ontdekking die de auteurs beschouwen als zeer belangrijk in de geschiedenis van de wetenschap’.
     Om achtergrondinformatie te geven aan de leek, beschrijven de auteurs de opkomst van de quantumfysica, het golf-deeltje dualisme, de complementariteit zoals die wordt gevonden in de nieuwe biologie, en de metafysische implicaties van quantumfysica en niet-plaatsgebondenheid. De belangrijkste conclusie die ze trekken uit de niet-plaatsgebonden experimenten is dat de fysieke realiteit op het meest fundamentele niveau een onverdeeld geheel is, en dat ingewikkelde fysieke en biologische processen bijzonder sterk onderling afhankelijk zijn en eigenschappen en gedragingen vertonen die niet kunnen worden verklaard als de som van de delen die erbij betrokken zijn. Deze is eerder het geheel dat ‘op de een of andere manier in alle deeltjes (quanta) bestaat’. Omdat het menselijke bewustzijn een eigenschap van dit geheel is, redeneren ze dat ‘het niet onredelijk is om de conclusie te trekken, tenminste in filosofische termen, dat het universum bewust is’ (blz. 197-8). Opdat dit niet als een wetenschappelijk bewijs wordt opgevat, zijn de auteurs voorzichtig en verklaren:


Laten we, hoewel we consequent hebben geprobeerd een onderscheid te maken tussen wetenschappelijke kennis en filosofische speculatie gebaseerd op deze kennis, op één punt heel duidelijk zijn – er is geen geldig empirisch oorzakelijk verband tussen de eerste en de laatste. Diegenen die verlangen de speculaties op deze basis terzijde te schuiven zijn natuurlijk vrij dit te doen. Maar er is een andere conclusie die hier kan worden getrokken die stevig is gebaseerd op wetenschappelijke theorie en proefneming: er is geen basis in de wetenschappelijke beschrijving van de natuur voor het geloof in de radicale Cartesiaanse verdeling tussen bewustzijn en de wereld die door de klassieke natuurkunde wordt bevestigd. Het lijkt nu duidelijk dat deze radicale scheiding tussen bewustzijn en de wereld een illusie op macroniveau was die werd gevoed door een beperkte bewustheid van het feitelijke karakter van de fysieke realiteit en door wiskundige idealiseringen die werden doorgetrokken tot voorbij het gebied van hun toepasbaarheid. – blz. 198


     De door de auteurs gepresenteerde ideeën stemmen overeen met opvattingen over de onderlinge verbondenheid van de samenstellende delen van het universum zoals dat tot uitdrukking is gebracht in materiaal dat we uit de verre oudheid hebben geërfd. Deze bronnen zien de mens als een miniatuurkosmos, een microkosmos die op kleine schaal weerspiegelt wat zich afspeelt op grote schaal. Zelfs westerse religieuze teksten, die beweren dat de mens door de scheppende godheid naar zijn evenbeeld is ‘gemaakt’, suggereren dat omdat wij ‘bewustzijn’ hebben, bewustzijn of intelligentie ook in de kosmos als geheel aanwezig moet zijn. In ieder geval was het menselijk denken bedoeld om te worden gebruikt: geen enkel gezichtspunt, religieus of wetenschappelijk, zou op basis van blind geloof moeten worden aangenomen alleen maar omdat een autoriteit ons zegt ‘het te geloven’. Sir W. Grove’s uitspraak is voor alle gebieden van kennis tegenwoordig nog net zo waar als in de 19de eeuw: ‘De wetenschap zou noch verlangens noch vooroordelen moeten hebben. Waarheid zou haar enige doel moeten zijn’. The Non-Local Universe is in deze geest geschreven; het is een fascinerend boek dat het bestuderen waard is.      – I.M. Oderberg

 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 2001

© 2001 Theosophical University Press Agency