Verhalen over watervloeden treffen we op alle plaatsen van de aarde
aan en er zijn veel raadsels aan verbonden. Vaak hebben die betrekking
op reuzen of vroegere mensenrassen, op goddelijke incarnaties –
zelfs monsters, en ze wijzen terug naar de prehistorie.1
Ze bevatten werkelijke geologische en historische gebeurtenissen en
beschrijven ook de goddelijke geboorte van heelallen en prekosmische
activiteiten van werelden. Zulke ‘mythen’ kunnen niet alleen
maar letterlijk worden opgevat, want de scheppers ervan verwerkten er
op meesterlijke wijze veel betekenisniveaus in: onder meer kosmisch,
astronomisch, geestelijk, psychisch, wetenschappelijk, historisch en
ethisch.
De esoterische wetenschappen beschrijven een innerlijke geestelijke
voortgang van het bestaan, gepaard gaande met catastrofale gebeurtenissen.
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky, die veel bronnen van oude
wijsheid en geschiedenis met elkaar in verband brengt, vermeldt over
bepaalde mythologische uitspraken dat ‘ze de occultist twee feiten
leren: (a) dat de Ouden evengoed als en misschien beter dan de moderne
mensen op de hoogte waren van de sterrenkunde, de geognosie en de kosmografie
in het algemeen; en (b) dat de aardbol en zijn gedragingen sinds de
oorspronkelijke toestand van de dingen meer dan eens zijn veranderd’
(2:608). Geognosie is afgeleid van het Griekse gaia,
aarde, en gnosis, ‘het weten, kennis’; het is dat
deel van de geologie dat handelt over materialen van de aarde en haar
algemene uitwendige en inwendige structuren. Gaia is de Griekse godin
van de aarde als levend wezen, een woord dat de wetenschapper James
Lovelock weer tot leven heeft gebracht.
Over de hele wereld komen in de overleveringen veel watervloeden voor.
De eerste is kosmisch, de overige betreffen de aarde. De moeder van
alle watervloeden heeft betrekking op de geboorte van de kosmos en de
goden, op de wateren van de ruimte die de leven- en doodschenkende wateren
van de aarde worden. Oude geestelijke tradities beschouwen alle dingen
– atomen, planeten, zonnestelsels en heelallen – als levende
wezens, goddelijk in essentie, als de vele vonken van één
kosmisch vuur. Gedurende onmetelijke tijdvakken is er een voortdurende
eb en vloed van de verschillende golven van universeel en planetair
leven, met karma als de goddelijke harmonie van het absolute bewustzijn
dat eraan ten grondslag ligt.
In haar uitleg over het zondvloedverhaal in de bijbel spreekt Blavatsky
over
Noach, drijvende op de wateren
in zijn ark; deze laatste is het zinnebeeld van de argha, of maan,
het vrouwelijke beginsel; Noach is de ‘geest’ die in de
stof valt. We zien dat hij, zodra hij op aarde neerdaalt, een wijngaard
gaat planten, van zijn wijn drinkt en daar dronken van wordt; dat
wil zeggen, de zuivere geest wordt bedwelmd zodra deze in de stof
wordt opgesloten. Het zevende hoofdstuk van Genesis is slechts
een andere versie van het eerste. –
Isis Ontsluierd (2:423, Engelse ed.)
 |
|
Als we dit en andere verhalen beschouwen, kunnen we zien dat de ark
of het vaartuig dat op de peilloze diepte van de wateren drijft vaak
het vrouwelijke voortplantingsvermogen voorstelt dat de kiem in zich
draagt van de natuur en van de mensheid. De goddelijke levensgeest verrijst,
zoals Noach, mystiek uit chaos, een Grieks woord voor de onpeilbare
en onkenbare essentie. In de hindoe-allegorie loodst Vishnu in de vorm
van een vis de ark van Vaivasvata Manu door de wateren van de vloed.
Manu wordt vergezeld door zeven rishi’s of ‘wijzen’,
die de mens en de zeven aspecten van zijn wezen kunnen betekenen, de
zeven grote cyclussen van de mens of van de aarde, de zeven bestaansgebieden
en ook de zeven zonnegoden. Xisuthrus, de Mesopotamische Noach, meert
zijn boot op een Armeense berg en wordt levend in de hemel opgenomen
om bij de goden te wonen. De Griekse Deucalion wordt uit de vloed gered
in een boot die op de berg Parnassus terechtkomt en met zijn vrouw bevolkt
hij de aarde opnieuw door stenen achter zich te werpen. De Inca’s
hebben hun variant van de watervloed, waarbij een mensenpaar in een
reusachtige boot wordt gered, en veel andere volkeren van Noord- en
Zuid-Amerika hebben hun eigen zondvloedverhalen.
Bij het beschouwen van de personages in mythen over schepping en zondvloed
moeten we niet vergeten dat ze deel uitmaken van een universeel idee
dat er bouwers en architecten van werelden zijn. We zien dit bij de
titanen en kabiri van Griekenland en Klein-Azië, de prajapati’s,
manu’s en pitri’s van de hindoes en bij de Hebreeuwse elohim.
Zij zijn de stamvaders van zowel de mensheid als de lagere natuurrijken,
waaraan ze van het begin tot het einde van enorm grote cyclussen leiding
geven en bescherming bieden. Hun namen zijn algemeen; Noach bijvoorbeeld
kan worden gelijkgesteld met de kabiri of met geest. Manu zou een Prometheus
of lichtbrenger of een Atlantische reus kunnen voorstellen – de
geestelijke of stoffelijke titanen die de watervloeden van de wereld
hebben overleefd.
Wat hebben deze goden te maken met watervloeden of andere natuurrampen
die wereldwijde veranderingen van de aarde en haar mensheden tot gevolg
hebben? Goddelijk bewustzijn is de onpersoonlijke karmische werking,
waarvan de goden gezamenlijk een deel vormen. Ze zijn de bezielende
wijsheid in het zonnestelsel, het centrale hart en de bron van leven.
Door het bewustzijn of de ‘goden’ achter wat de Ouden de
zeven heilige planeten noemden worden de kosmische intelligenties die
vorm geven aan de evolutie en lotsbestemming van onze planeet en van
alles wat erop bestaat, naar de aarde overgebracht. In de hoogste kosmische
betekenis kunnen we cyclussen beschouwen als de gewoonten van de goden.
Ze kunnen worden vergeleken met de automatische levensfuncties van ons
lichaam, maar op een bovenzinnelijk en hoger niveau. Deze eeuwige cyclussen
zijn verbonden met patronen van vroegere activiteit: niets gebeurt bij
toeval. Onze mensheid en de natuurrijken, zelfs Gaia, worden onderhouden
en beschermd door de intelligente leiding van goden.
De krachten van het bewustzijn achter de evolutie hebben innerlijk
kritische veranderingen tot gevolg en allerlei uiterlijke veranderingen,
waarvan sommige catastrofaal zijn. Dit proces van natuurlijke onevenwichtigheid
dat door het leven in beweging wordt gezet en het eigen cyclische ritme
van de natuur volgt, betekent voortdurende verandering. Er staan evenveel
soorten cyclussen in verband met Gaia als met onszelf; en vernieuwing
als wezenlijk bestanddeel van creativiteit bevat altijd een afbrekend
aspect. De erop volgende veranderingen vinden plaats binnen de grotere
harmonieuze werkingen van het goddelijke bewustzijn die het evenwicht
herstellen. Ontzagwekkende catastrofen door vuur en water moeten op
het geheugen van het mensenras zijn afgedrukt. Deze rampen werden in
de loop van vele miljoenen jaren door intelligente mensen ervaren en
opgetekend, want de mensheid is veel ouder dan nu gewoonlijk wordt gedacht.
Men zegt dat ingewijden verslagen van tijdcyclussen hebben bijgehouden
die de veranderingen in de evolutie aanduiden die hebben plaatsgevonden
vanaf het begin van het bestaan van de zelfbewuste mens. De Hindoes,
Egyptenaren, Babyloniërs, Maya’s en nog veel andere volkeren
vermelden talrijke lange en ingewikkelde cyclussen die vaak verband
houden met grote veranderingen in bepaalde hemelrichtingen, met de beweging
van de polen van de aarde, of met tijdvakken van rassen en de kosmos.
De sleutelgetallen blijven echter in de meeste gevallen verborgen.
In één uitgestrekte cyclus die we in deze geestelijke
allegorieën aantreffen gaat het om grote veranderingen in de hoedanigheden
en eigenschappen van de materie. Onze planeet kent perioden van slaap
of rust tussen actieve perioden. Na de rustperiode is er een neergaande
boog van geest die zich dompelt in een uitbarsting van stoffelijke vormen.
De theosofische overlevering legt uit dat de aarde eerst etherisch,
astraal en gasvormig was alvorens ze rotsachtig en vast werd. Bij het
punt halverwege, het punt van de grootste stoffelijke dichtheid, doet
zich een tijdelijk evenwicht voor, gevolgd door een opgaande boog van
bewustzijn waarin de materie etherischer wordt.
Deze cyclus geldt ook voor de mensheid. Toen de levenszaden in het
begin van het tegenwoordige tijdperk van activiteit van deze bol uit
de ‘ark’ stroomden, verstoffelijkten de lagere natuurrijken
en nam de etherische mens tenslotte een stoffelijke vorm aan. Blavatsky
duidde de Lemuriërs aan als de eerste echt fysieke mensheid. De
volgende en meest stoffelijke mensheid, soms Atlantiërs genoemd,
bestond bij het punt halverwege de huidige cyclus van de aarde. Ondanks
hun reusachtige afmeting, grote verstand en materieel schitterende beschavingen,
zouden velen misbruik hebben gemaakt van zowel hun verstandelijke vermogens
als de occulte kennis die ze hadden geërfd van de voorafgaande
mensheid. Hun uiteindelijke vernietiging door water leeft zelfs nu nog
in de herinnering. Blavatsky zegt ons hierover:
De zondvloed van Noach is sterrenkundig en allegorisch,
maar niet mythisch, want het verhaal is gebaseerd op dezelfde archaïsche
overlevering van mensen – of liever van volkeren – die
tijdens de rampen in kano’s, arken en schepen werden gered.
Niemand zou willen beweren dat de Chaldeeuwse Xisuthrus, Vaivasvata
van de Hindoes, de Chinese Peirun – de ‘lieveling van
de goden’ die hem in een kano uit de vloed redden – of
de Zweedse Bergelmir voor wie de goden in het noorden hetzelfde deden,
allen een en dezelfde persoon zijn. Maar hun legenden zijn alle voortgekomen
uit de ramp die zowel het continent als het eiland Atlantis trof.
– De Geheime Leer 2:880
Plato schreef over het laatste eiland van dit stelsel, Poseidon, dat
het ongeveer 11.000 jaar geleden voorbij de Pilaren van Hercules (Straat
van Gibraltar) in ‘één enkele dag en nacht van rampspoed’
verzonk. Deze ramp hield misschien verband met het feit dat de Atlantische
Oceaan het Middellandse-Zeebekken instroomde, dat vroeger droog was.
Er zijn bovendien veel plaatselijke watervloeden geweest – ook
de Gobiwoestijn, het westen van Noord-Amerika, een deel van Egypte en
de Sahara waren meer dan eens ondiepe zeeën.
Theosofische literatuur geeft aan dat we het punt halverwege onze tegenwoordige
grote cyclus van de aarde zijn gepasseerd. In samenhang daarmee geven
mondiale veranderingen de karmische aanpassingen van Gaia weer die vernieuwing
en herstel van evenwicht inhouden. Naast fysieke krachten dragen de
psychisch-elektromagnetische uitstralingen van de mensen en het overige
in de natuur ertoe bij om cumulatieve gevolgen te ontwikkelen die spanning
en onevenwichtigheid voortbrengen en die een uitlaat moeten vinden.
De geestelijke krachten van Gaia reageren op innerlijke gebieden en
hebben enorme elementale veranderingen tot gevolg die de uiterlijke
planeet reinigen. Welke zijn dat? We kennen de explosieve kracht van
vulkanen en aardbevingen, de krachten van orkanen en stormen, de grote
getijdengolven en andere overstromingen, droogteperioden, plotselinge
vrieskou, de gletsjervorming in ijstijden, enz.
 |
Geologen wijzen erop dat het sediment van lagen
kalksteen, zandsteen en ander materiaal in de Grand Canyon aantoont
dat tenminste zeven oude zeeën het gebied achtereenvolgens
hebben overstroomd vóór de bodemverheffing van de
Pacifische plaat miljoenen jaren geleden.
|
Het is algemeen bekend dat enkele van de oudste landmassa’s in
de poolstreken liggen, die van tijd tot tijd door oceanen onder water
worden gezet en vervolgens weer verrijzen. In het noorden leefden honderdduizenden
mammoeten en werden toen op een geheimzinnige manier gedood, op sommige
plekken in stapels opgehoopt, misschien door een ramp of een overstroming
met ingrijpende gevolgen. Een andere vreemde gebeurtenis waarvan wetenschappers
zich bewust zijn is dat de tegenwoordige poolstreken meer dan eens bevroren
en daarna tropisch zijn geweest. Groenland was ooit rijkelijk begroeid
met subtropische bomen zoals de magnolia, en in het noorden van Canada
is kortgeleden een moerasland ontdekt dat 30 miljoen jaar geleden werd
bedolven en lijkt op de Everglades in Florida en op soortgelijke moeraslanden
in het oude China.
Sinds het verschijnen van de mens kan de voornaamste oorzaak van zulke
veranderingen een verschuiving van de poolas zijn. Misschien was dit
de aanleiding dat Noach uitriep: ‘de aarde zwoegt en wordt heftig
bewogen; ik zal beslist met haar ten ondergaan’ en Henoch sprak
over de grote helling van de aarde (GL 2:161, 608; vergelijk
het Boek Henoch, hfst. 64). Een oud commentaar dat in De
Geheime Leer wordt vertaald en betrekking heeft op het punt halverwege
de periode van Lemurië, zegt dat de rotatie-as van de aarde ging
hellen, de zon en de maan schenen niet langer boven de hoofden van dat
deel van de Lemuriërs. De mensen kenden sneeuw, ijs en vorst, en
mensen, planten en dieren werden belemmerd in hun groei. Zij die niet
omkwamen bleven wat omvang en verstand betreft, als halfvolgroeide kinderen
[GL 2:371-2]. De Lemurische reuzen namen dus bij de polen in
grootte af ten gevolge van snelle klimaatwijzigingen. Met cyclische
tussenpozen zijn ijstijden in het verleden voorgekomen en het poolijs
smolt weg en bevroor weer, wat een verklaring zou kunnen zijn voor het
overstromen of verrijzen van lager gelegen land. Maar pool- en aardasverschuivingen
zijn maar één factor – er zijn hier veel mysteries.
De levende planetaire bewegingen en geologische activiteiten, deel
van de heilige wetenschap van de cyclussen, omvatten ook de periodieke
verstoringen en onregelmatige bewegingen van de aarde, met overeenkomstige
veranderingen in het elektromagnetische veld of omkeringen van de polen.
Polaire en andere ijstijden kunnen ook samenvallen met deze elektromagnetische
verschijnselen. Plato geeft in zijn Timaeus een verslag van
Solon uit Griekenland (6de eeuw v.Chr.) die over catastrofale vernietigingen
van het aardoppervlak leerde. Hij werd onderricht door Egyptische priesters
over deze wetenschappen en over het verzinken van het grote continent
Atlantis. Er wordt geen volledig beeld gegeven, en misschien zullen
we het nooit helemaal te weten komen, maar Blavatsky heeft een interessante
passage waarin enkele cataclysmische veranderingen van Gaia en de mensheid
worden samengevat:
Men heeft dus officieel een vermoeden van verloren
continenten. Dat werelden (ook rassen) periodiek afwisselend door
vuur (vulkanen en aardbevingen) en water worden vernietigd en hernieuwd,
is een leer zo oud als de mens. Manu, Hermes, de Chaldeeën, de
hele oudheid geloofde erin. Al twee keer is het oppervlak van de aarde
veranderd door vuur, en twee keer door water, sinds de mens erop verscheen.
. . . Daaruit vloeit een periodieke herverdeling van land en water,
verandering van klimaten, enz., voort, die alle worden teweeggebracht
door geologische omwentelingen en tenslotte eindigen in een verandering
van de aardas. – De Geheime Leer
2:825
De Braziliaanse indianen en de Hopi in Noord-Amerika wijzen ook op
deze vernietigingen; laatstgenoemden spreken over de aarde die naar
alle richtingen zwalkt voordat de regelmatige bewegingen worden hersteld
en ze haar baan beschrijft in haar precessiecyclussen. Het ritme van
de seizoenen en het aantal dagen van het jaar zijn afhankelijk van de
schuine stand van de aardas, van de omwentelingssnelheid en van de baan
van de aarde. Die kunnen als het regelmatige kloppen van het hart zijn,
maar ze hebben ook nauwelijks merkbare variaties die in bepaalde tijden
tot buitengewone schommelingen kunnen leiden. De oude optekeningen vermelden
dat op zulke momenten de einden van de aarde losraken en de aarde overhelt
en wiebelt. De wetenschap is nog niet tot een inzicht gekomen van deze
in mythen beschreven gebeurtenissen.
Omdat onze tegenwoordige wetenschappelijke kennis zo onvolledig is,
is het voor ons moeilijk de overblijfselen van het verleden te verklaren.
We staan aan alle kanten voor raadsels, maar door de mythische, religieuze,
symbolische en stoffelijke sporen te bestuderen die ons zijn overgeleverd,
kunnen we beginnen een samenhangend antwoord op te bouwen op de vragen
die werden opgeroepen door de verhalen over watervloeden die zo algemeen
en overal onder de mensen bestaan. Hoe meer onze kennis zich uitbreidt
en hoe meer respect we hebben voor onze oude bronnen, des te meer licht
zal er schijnen op deze raadsels uit het verleden.
Noot
- Op dit terrein draagt de klassiek volkenkundige Adrienne
Mayor in The First Fossil Hunters (Princeton University Press,
2000) bewijsmateriaal aan dat Griekse verhalen die gaan over gebeenten
van reuzen, niet louter verzinsels zijn. Zij heeft grote overeenkomsten
aangetroffen tussen tegenwoordige opgravingen met fossielen van prehistorische
dieren en oude beschrijvingen over plekken waar beenderen van reuzen,
helden en monsters werden ontdekt, niet alleen in Griekenland en Turkije,
maar ook in India, Spanje en Frankrijk.