‘Ah-ha!’ – Het ingeboren vermogen tot leren
Wynn Wolfe

 

Wat een genoegen, wat een vreugde betekent het vermogen tot leren! Het woord ‘learn’ (leren) gaat terug op het Middelengels, en de verschillende stengels en stammen van de woordfamilie zien het licht door de bodem van de Angelsaksische, Duitse, en Gotische taaltuinen. Tezamen draagt de bloesem ervan de boodschap ‘Ik weet’, en dus ‘ben te weten gekomen’, dat ‘onderwijzen’ impliceert. Het ingeboren vermogen tot leren, in de kosmos en de mens, ligt besloten in de evolutionaire werkwijzen van goddelijk bewustzijn en de veelvormige materie. Kosmisch gezien is het intelligentie of bewustzijn dat verbinding met materie zoekt, terwijl het van de andere kant een handelwijze tegen geestelijke inertie is. Bewustzijn en materie werken beide samen in de noodzakelijke cyclussen van onderricht langs de kosmische curve van volmaking – de leercurve.
     Hoewel C.P. Cavafy’s gedicht Ithaka gewoonlijk wordt gelezen als een afscheidsrede vanuit ons gezichtspunt van het gebied van de aarde, kan het ook een afscheidszegening vanuit hemelse gebieden zijn. Wanneer we het filosofische beginsel van cyclussen van noodzakelijkheid in gedachten houden, is zijn gedicht een ‘Sesam open u’ voor het leerproces:

Je gaat op reis naar Ithaka
hoop dat je weg lang is,
vol avonturen, vol ontdekkingen.
Laistrygoniërs, cyclopen,
een boze Poseidon – wees niet bang voor hen . . .
. . . – je zult ze niet tegenkomen
tenzij je ze meebrengt in je eigen ziel,
tenzij je ziel ze heeft opgeroepen voor je eigen ogen.
Hoop dat je weg lang is.
Hopelijk zijn er vele zomerochtenden waarbij je,
met veel genoegen, en vreugde,
havens binnenkomt die je voor de eerste keer ziet . . .
en hopelijk bezoek je vele Egyptische steden
om te kunnen leren en te blijven leren van hun geleerden.

Over de naam ‘Laistrygoniërs’ zegt Bulfinch’s Mythology ons dat zij ‘Een ras van reuzenkannibalen zijn, die werden bezocht door Ulysses in hun noordelijke land – het is onduidelijk welk gebied wordt bedoeld – maar dat wordt beschreven als een land met dagen zo kort dat de schaapherder die zijn kudde naar de weide drijft om ze daar in de ochtend te laten grazen, de schaapherder die tegen de avond thuiskomt, ontmoet.’ We zijn allemaal schaapherders en drijven ons spectrum van wereldse ideeën ’s ochtends naar de weide om te grazen, en ongetwijfeld komen we onszelf tegen bij elke individuele keuze, omstandigheid, of daad tijdens al onze dagen op deze Ithaka-aarde, deze wereld van onvervalste mogelijkheden (mogelijkheden onszelf te verbeteren wanneer we ons bewust zijn van onze fouten). Na verloop van tijd, na vele levenscycli, zullen de Sint Jorissen die strijden tegen de bedrieglijke vermogens van de draken van de lagere natuur uiteindelijk, en heel natuurlijk, de overwinning op het zelf opeisen.
     Pausanius, de Griekse kroniekschrijver, deed verslag van de ervaringen van die zoekers naar zelfkennis die het orakel van Trophonios in een diepe grot opzochten. Volgens Hamlet’s Mill waarin zijn opmerkingen worden herhaald en van commentaar zijn voorzien:

komt de bezoeker eerst bij ‘waterbronnen heel dicht bij elkaar. Hier moet hij het water drinken dat het water van zelfvergetelheid (Lethes hydor) wordt genoemd, opdat hij alles zal vergeten waaraan hij tot dan toe heeft gedacht, en daarna drinkt hij ander water, het water van herinnering (hydor mnemosynes) dat hem ertoe brengt te herinneren wat hij ziet na zijn afdaling.’ Dit is nog niet alles. Nadat het orakel heeft gesproken en de vraagsteller is omhooggeklommen uit de kloof . . . ‘komt hij opnieuw in handen van de priesters, die hem op een stoel zetten die de stoel van herinnering wordt genoemd . . . en ze vragen hem, terwijl hij daar zit, naar alles wat hij heeft gezien en geleerd. . . . verlamd van angst en zich niet bewust van zowel zichzelf als zijn omgeving . . . zal hij [na verloop van tijd] al zijn vermogens herwinnen, en het vermogen tot lachen zal tot hem terugkeren.’      – blz. 408

     Een andere inzichtelijke beschrijving van de terugkeer van een glorierijke zoektocht komt van de toverpen van die ‘veelzijdige’ man, George W. Russell, AE (1867-1935). Met de stijl van een ziener maakt hij Cavafy, Bulfinch en Pausanius geloofwaardig in zijn intrigerende en hartverwarmende essay ‘The Many-coloured Land’ (Het veelkleurige land):

     Over nòg een visioen zal ik vertellen omdat het betrekking heeft op de dingen die de Ouden ons leerden . . . Waar ik dit zag zal ik niet zeggen. Er was een hal groter dan elke kathedraal, met pilaren die leken te zijn opgetrokken uit levend en trillend opaal, of uit de substantie van sterren die met alle kleuren straalden, de kleuren van de avond- en ochtendschemering. Een gouden lucht gloeide op deze plaats en hoog tussen de pilaren waren tronen die van gloed tot gloed in elkaar overvloeiden tot aan het einde van de enorme hal. Daarop zaten de goddelijke koningen. Zij waren door vlammen omgeven. Bij een van hen zag ik de vuurkam van de draak, en een ander ging getooid in fonkelende vuren die vooruitschoten als vlammende veren. . . . Beneden op de vloer van de hal lag een donkere gedaante alsof hij in trance verkeerde en twee van de goddelijke koningen maakten met hun handen bewegingen over hem heen, over hoofd en lichaam. Ik zag hoe er op de plaatsen waar hun handen zwaaiden vonken van vuur als stralende juwelen losbraken. Er rees uit dat donkere lichaam een figuur net zo groot, glorierijk, en schitterend als elk van de figuren die op de tronen zaten. Terwijl de hal langzamerhand tot hem doordrong, werd hij zich bewust van zijn goddelijke verwanten en hief zijn handen op ter begroeting. Hij was teruggekomen van zijn pelgrimstocht door de duisternis, maar hij was nu een ingewijde, een meester in de hemelse broederschap. Terwijl hij naar hen tuurde, sprongen de grote gouden figuren op van hun tronen, en hieven hun handen eveneens op ter begroeting; ze trokken aan mij voorbij en gingen snel op in de grote glorie achter de troon.      – The Candle of Vision, blz. 35-7

     Als er ooit een studie zou zijn waardoor iemand tot volledige ontwikkeling van zijn zintuigen zou kunnen komen en die hem in staat zou stellen de voorlaatste fase in het leven te doorlopen en te beoefenen – waaronder de ‘goddelijke kunst van verbeelding’ – dan is dat de studie van het zelf. Pico della Mirandola citeerde als bewijs dat gedurende de hele Renaissance gold: ‘Dat gnothi seauton, dat ‘ken uzelf’ betekent, ons opwekt en aanspoort tot de kennis van de hele natuur, waarvan de menselijke natuur de uitdrukkingsvorm is en als het ware de vereniging. Want hij die zichzelf kent, weet alle dingen in zichzelf.’ Zoals S.K. Heninger toelicht: ‘Deze uitspraak houdt in dat we de analogie tussen microkosmos en macrokosmos erkennen. Door zichzelf volledig te kennen, zal het individu, omdat hij een microkosmos is, betrouwbare kennis verkrijgen over de macrokosmos, en dus zichzelf kunnen afstemmen op het goddelijke plan’ (Touches of Sweet Harmony, blz. 263).
     In haar De Stem van de Stilte, instrueert H.P. Blavatsky:

     Verlang niets. Erger u niet aan karma, noch aan de onveranderlijke wetten van de natuur. Maar worstel slechts met het persoonlijke, het voorbijgaande, het vluchtige en het vergankelijke.
     Help de natuur en werk met haar mee; en de natuur zal u als een van haar scheppers beschouwen en voor u neerbuigen.
     En zij zal de deuren van haar geheime kamers wijd voor u openen, aan uw blik de schatten onthullen die verborgen zijn in de diepten van haar zuivere, maagdelijke schoot. Onbezoedeld door de hand van de stof toont ze haar schatten alleen aan het oog van de geest – het oog dat zich nooit sluit, het oog waarvoor in al haar rijken geen sluier is.      – blz. 13

Ook in De Geheime Leer (1:307) geeft ze aan dat, om slingerende en doodlopende straten in de levensschool te minimaliseren en de mogelijkheden van een kosmische loopbaan te maximaliseren, ‘de mens steeds ernaar zou moeten streven de goddelijke evolutie van ideeën te bevorderen, door naar zijn beste kunnen een medewerker van de natuur te worden bij haar cyclische taak’.
     En zo laat Cavafy’s dubbele poëtische wijsheid ons achter met een tweeledig en gestimuleerd gevoel van mededogen vanuit beide perspectieven van het leven – kosmisch en aards:

Houd Ithaka altijd in je gedachten.
Daar te komen is waartoe je bent bestemd. . . .
Ithaka gaf je de wonderbaarlijke reis.
Zonder haar zou je niet op reis zijn gegaan . . .
Eenmaal wijs geworden en rijk aan ervaring,
Zul je begrijpen wat deze Ithaka’s betekenen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2001

© 2001 Theosophical University Press Agency