De oneindigheid in ons
Sarah Belle Dougherty

 

‘Weten jullie niet dat jullie goden zijn, en de kinderen van het allerhoogste?’ vroeg de psalmdichter (82:6). Als we het gevoel hebben dat de goden ons hebben verlaten, dan is dat omdat we ons ware zelf zijn vergeten. We slapen en dromen dromen van stof, en zijn ons niet ervan bewust dat de goden werkelijk het weefsel van de natuur zijn – de bron, het leven en wezen ervan, want goddelijkheid wordt gevormd door ontelbare goddelijke bewustzijnen. Melkwegstelsels en sterren, dieren, planten en mineralen, al deze zijn stoffelijke uitingen van bewuste, evoluerende godheden, kinderen van het allerhoogste. Zoals bij mensenkinderen draagt ieder de blauwdruk van zijn ouder in zich en heeft het vooruitzicht en het vermogen om na verloop van tijd goddelijke volwassenheid te bereiken en zijn plaats in te nemen bij zijn bron.
     De mensheid is een van die menigten geestelijke entiteiten. Zoals de goden dat zijn, is ieder van ons een op zichzelf staand universum. Dit is duidelijk te zien in ons fysieke lichaam met zijn talloze levens: organen, cellen, atomen en deeltjes. Maar als microkosmos weerspiegelen en bevatten we alle vermogens van onze bron en afkomst. In zijn geheel strekt ons wezen zich uit van het fysieke door etherische, emotionele, mentale en geestelijke gebieden, tot we een punt bereiken dat het menselijke bewustzijn niet langer kan begrijpen of waarvan het zich geen voorstelling kan maken. Aan dat punt en alles wat daar voorbij ligt geven we namen zoals het onbekende, de oorzaakloze oorzaak, Dat, goddelijkheid, parabrahma, atman, waarheid. Zulke termen geven geen absoluut einde of begrenzing in de natuur aan, maar slechts de begrensdheid van ons huidige begripsvermogen.
     De psalmdichter vervolgt zijn betoog en herinnert ons eraan dat ‘jullie zullen sterven zoals Adam, en vallen zoals een van de prinsen’ (82:7). Het is duidelijk dat mensen niet onsterfelijk zijn; wij sterven en verdwijnen uit de fysieke wereld. Is dit in strijd met onze goddelijke status? Omdat ons bewustzijn is geconcentreerd in psychische aspecten die met het lichaam sterven, hebben we geen contact met de meer fundamentele delen van ons die eeuwig zijn en in constante verbinding staan met het Al. Vanuit het menselijk standpunt is onsterfelijk zijn het bewust door de dood heengaan, waarbij we volledig bewust blijven ondanks de fysieke ontbinding. Dit kan alleen worden volbracht door het bewustzijn te concentreren in facetten van onszelf die niet uiteenvallen als het lichaam sterft. Met inspanning en discipline kunnen mensen dit stadium bereiken – hoewel de meesten van ons het verkiezen zich te identificeren met de stoffelijke gebieden en met ons meer vertrouwde, beperkte, sterfelijke zelf.
     Niettemin zijn er door de eeuwen heen mensen geweest die naar de mysteries in hun eigen wezen hebben gespeurd, en enkelen van hen hebben berichten nagelaten van hun ontdekkingen. Deze verslagen zeggen ons dat naarmate we opklimmen naar de goddelijke bron, het eenzijn steeds duidelijker wordt. Deze verbondenheid en identiteit maken niet alleen communicatie mogelijk, maar ook het zich eenvoelen en de bewuste vereniging van ieder met allen en van het menselijke met het goddelijke. Ons denkvermogen dat gevangen zit in het magische panorama dat de zintuigen bieden, neemt dit fundamentele eenzijn niet waar. Zij die streven naar vollediger begrip van de werkelijkheid gaan verder dan de zintuigen en leren het hele spectrum van het zelf te doorlopen. Ze ervaren in toenemende mate de toestanden en wezens die de kosmos vormen, omdat een deel van hen met elk daarvan overeenstemt.
     Onderzoek naar de vermogens die van nature in mens en kosmos te vinden zijn, staat centraal in dit proces van begrijpen en groeien. Een van de doelstellingen van de Theosophical Society sinds haar beginjaren is een aanmoediging tot het ‘ken uzelf’. Met het ontdekken van de mogelijkheden in ons wezen beseffen en ervaren we dat leven, waarneming, intelligentie, vrije wil – in feite al onze kenmerkende eigenschappen – hun tegenhangers hebben op elk bestaansgebied en in ieder wezen. Op deze manier breiden onze sympathieën zich uit, wordt onze visie diepgaander, en zijn we beter in staat onszelf en de overeenkomstige aspecten van de natuur te beheersen.
     Om meer te zijn moeten we meer worden, maar een deel van ons heeft het doel al bereikt. Voor ons verborgen door de beperkingen van dat wat we gewoonlijk onszelf noemen, is het altijd bereid te helpen ons bewustzijn te verruimen en om richting te geven aan onze evolutie. Want ieder van ons is nu, op dit moment, de tempel van een levende god – zoals de wijzen ons verklaren en ons eigen onderzoek kan aantonen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2001

© 2001 Theosophical University Press Agency