Mens: vormgever aan zijn eigen bestemming
Thijs Prent

 

     Het pad naar het hart van het heelal is één en toch voor ieder mens verschillend. De betekenis is dat ieder mens zelf dat pad is – dat pad dat bestaat uit gedachten en bewustzijn en uit het weefsel van uw eigen wezen. Het is gebouwd uit de substantie van het hart van de natuur.      – G. de Purucker

Op een mooie zondag besluiten veel mensen te gaan wandelen op een berg. Er zijn groepen jongere en oudere mensen en ook ambitieuze eenlingen, allen met uiteenlopende redenen voor hun tocht. Ze kiezen allemaal verschillende manieren om de top te bereiken, maar het doel is voor allen hetzelfde: hun namen schrijven in het boek van de bergtop. Sommigen zijn misschien al verschillende keren naar de top geweest; ze kennen de weg en de moeilijkheden. Sommige van hen kunnen adviezen geven die de minder ervaren klimmers al of niet kunnen volgen – dat is een kwestie van individuele keuze. Iedere wandelaar kan zijn of haar route zelf uitstippelen.
     Het evolutiepad van de mens lijkt op zo’n uitstapje. Tijdens elke kosmische dag zijn we pelgrims die reizen door een levend universum, want zoals H.P. Blavatsky zegt:

Het Heelal wordt van binnen naar buiten bestuurd en geleid. Zoals boven, zo is het ook beneden, zoals in de hemel, zo ook op aarde; en de mens – de microkosmos en het verkleinde evenbeeld van de macrokosmos – is de levende getuige van deze universele wet en van haar manier van werken. . . . De hele Kosmos wordt geleid, beheerst en bezield door een bijna eindeloze reeks hiërarchieën van bewuste wezens, die elk een taak hebben te volbrengen, . . . Want ieder van die wezens is òf een mens geweest, òf bereidt zich voor er een te worden, zo niet in het heden, dan toch in een vroegere of komende cyclus . . .      – De Geheime Leer 1:301-2

Aan het einde van elke kosmische dag rusten we uit. Volgens een dergelijke gedachtegang zouden we de aansporing uit het Oude Testament zo kunnen veranderen dat er staat: ‘U zult zes dagen reizen en rusten op de zevende’ – binnen de hoogste, het goddelijke. Na de periode van rust, die even lang duurt als de periode van activiteit, begint er een andere dag van reizen met opgefriste en vernieuwde pelgrims. En zo gaat het van eeuwigheid naar eeuwigheid – een nooit eindigende, nooit beginnende spiraal van groei waaraan alle wezens deelnemen.
     In het menselijke stadium is het denken de belangrijkste factor die onze bestemming bepaalt. Miljoenen jaren geleden werden onze verstandelijke vermogens geactiveerd door spirituele wezens, en het is de activiteit van het denken dat ons onderscheidt van onze jongere broeders de dieren, planten en mineralen. Zoals al het andere in de natuur is het menselijke denkvermogen tweevoudig. Ons hogere denkvermogen streeft naar het geestelijke, en zoekt naar de eenheid in de natuur. Ons lagere denkvermogen dat neigt naar de dierlijke kant, houdt zich voornamelijk bezig met de wereld van vormen, kleuren, en geluiden, en brengt daardoor een gevoel van afgescheidenheid voort.
     In De Oceaan van Theosofie merkt William Q. Judge op: ‘Er wordt geen handeling verricht die niet voortkomt uit een gedachte, hetzij op het moment van de daad of daaraan voorafgaande’ (blz. 105). De gewoonten die zo’n groot deel van onze levens bepalen zijn in werkelijkheid denkpatronen, en het vormgeven aan onze bestemming betekent het richting geven aan onze gedachten. Aangezien niets in het universum verloren gaat, komt elke gedachte die we ontwikkelen uiteindelijk bij ons terug volgens de karmische wet. Omdat alle gedachten en daden worden vastgelegd in het astrale licht, de akasische voorraadschuur van energieën die de aarde binnenkomen of verlaten, kunnen ze als ze eenmaal van ons zijn uitgegaan nooit meer worden herroepen. We moeten de gevolgen ervan onder ogen zien, maar zoals G. de Purucker ons in herinnering brengt, ‘Door na een slechte impuls een edele gedachte te hebben of een goede daad te verrichten, kunnen we de slechte gedachte of daad wel niet herroepen of ongedaan maken, maar we kunnen het kwaad dat onze verkeerde gedachte of daad veroorzaakte wel tot op zekere hoogte verzachten’ (Bron van het Occultisme, blz. 41).
     Door de eeuwen heen heeft de mens zich ontwikkeld tot een onafhankelijke denker die zijn eigen bestemming kan bepalen, en ons huidige stadium van ontwikkeling kan worden gesymboliseerd door de held of strijder. In de legenden bezit de held vaak een zwaard, het symbool voor onderscheidingsvermogen, of een speer waarvan de punt wijsheid symboliseert. Zo gewapend gaat hij op pad in de door hemzelf geschapen wereld van zijn lagere natuur. Daar ontmoet hij al zijn oude gedachtepatronen en gewoonten in de gedaante van vijanden en zelfs monsters; maar hij ontmoet ook vrienden, zijn zelf verworven deugden, die hem in zijn strijd steunen. Op zijn zoektocht moet de held zich bevrijden van alles dat zijn evolutieproces verhindert en hem belet zijn doel te bereiken, waaronder het monster of de vijand die in feite zijn huidige zelf is:

Zullen we het huidige zelf overwinnen, de tegenstander, die ons verhindert omhoog te gaan omdat hij niet hoger is? Hij is maar een zelf. Doen we dat, dan hebben we het wachtwoord gegeven en klimmen we op, gaan we door de portalen van de wijsheid. De tegenstander is niet langer een tiran. De inwijder onderzoekt niet langer onze geestelijke, intellectuele en morele geloofsbrieven, ons eigen zelf, onze eigen inspiratie. De duivel wordt de goddelijke vriend, de verlosser van alle mensen, de slang van wijsheid.       – G. de Purucker, Wind van de Geest, blz. 299

     Om scheppers van ons eigen lot te worden, moeten we helden worden die zichzelf transformeren en de gevolgen van hun daden onder ogen zien zodat de disharmonie die ze hebben veroorzaakt volledig in evenwicht wordt gebracht. Dit is absolute rechtvaardigheid, en het vooruitzicht zou ons hoop moeten geven:

     De oneindigheid, de eeuwigheid ligt voor u. Treed die moedig tegemoet. Dat leert de goddelijke wijsheid: een leer van hoop en vol beloften voor de toekomst. Niemand hoeft ooit te zeggen dat het te laat is . . . Elk moment is er een nieuwe kans. Zoals een mens zich in het verleden heeft gemaakt tot wat hij nu is, zo kan hij ook in de toekomst zijn lot scheppen en zich precies vormen overeenkomstig het beeld dat hij zich heeft gevormd van hoe hij in de toekomst zou moeten worden. Wat een grootse leer! De mens is maar een reproductie, een cyclische evolutionaire reproductie van zichzelf uit het verleden, in het heden, op weg naar de toekomst. Dat is uw bestemming. – Op. cit., blz. 18

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2001

© 2001 Theosophical University Press Agency