Onze vrije wil
Monika Borger

 

Wat zou u zeggen als ik vroeg: Heeft u een vrije wil? Waarschijnlijk zou u antwoorden: Ja zeker. Toch besteden we er weinig aandacht aan hoeveel vrije wil we hebben, waarheen hij ons brengt, en waarheen hij ons zou moeten brengen. De drie grondstellingen in H.P. Blavatsky’s Geheime Leer wijzen de weg naar meer begrip over dit onderwerp. Ze kunnen worden samengevat als:

     (a) Een alomtegenwoordig, eeuwig, grenzeloos en onveranderlijk Beginsel waarover elke speculatie onmogelijk is, omdat het het menselijke begripsvermogen te boven gaat . . .
     (b) De eeuwigheid van het Heelal in toto als een grenzeloos gebied, periodiek ‘het toneel van talloze Heelallen die zich onophoudelijk manifesteren en weer verdwijnen,’. . .
     (c) De fundamentele gelijkheid van alle zielen met de Universele Overziel, die zelf een aspect is van de Onbekende Wortel; en de verplichte pelgrimstocht voor iedere ziel – een vonk van eerstgenoemde – door de cyclus van incarnatie (of ‘noodzakelijkheid’) in overeenstemming met de cyclische en karmische wet gedurende het hele tijdperk.      – 1:43,46-7

Wij zijn zulke zielen, die een zwerftocht maken door cyclussen van activiteit en rust die miljoenen jaren duren en zo onze evolutiereis vervolgen.
     De Stanza’s van Dzyan beschrijven vervolgens wat er gebeurt als een universum na een periode van kosmische rust opnieuw verschijnt. Stanza I zegt dat in die tijd: ‘Het universele denkvermogen (er) niet was, want er waren geen Ah-hi om het te bevatten.’ Denkvermogen is hier de som van alle bewustzijnstoestanden die zijn te onderscheiden in gedachte, wil en gevoel. De Ah-hi zijn menigten geestelijke wezens, voertuigen van goddelijke of universele gedachte en wil. Het zijn de intelligente krachten die de ‘wetten’ in de natuur maken en uitvoeren, en die werken onder de invloed van nog verhevener krachten (GL 1:67-8). Dus is wil in oorsprong goddelijk of supergoddelijk.
     Gezien de identiteit van alle zielen met de universele Overziel moeten wij deel hebben gehad aan de oorspronkelijke activiteit van de kosmische wil, samen met alle andere wezens. Wat zet de goddelijke wil aan tot scheppen, tot differentiatie en tot het bezielen met wil in de kosmos en in de mens, die vaak niet weet hoe hij die goed kan gebruiken? HPB wijst op de volgende gedachten van Hegel:

     ‘De geschiedenis van de wereld begint met haar algemene doel, de verwezenlijking van de Idee van de geest . . . en het hele proces van de geschiedenis . . . is erop gericht deze onbewuste impuls tot een bewuste te maken. Terwijl zij in de vorm van een zuiver natuurlijk bestaan verschijnen, vertonen de natuurlijke wil (wat men de subjectieve kant noemt), fysiek verlangen, instinct, hartstocht, persoonlijk belang, mening en subjectieve opvatting, zich spontaan bij het eerste begin. Deze uitgebreide verzameling van wilsuitingen, belangen en activiteiten vormen de instrumenten en middelen van de wereld-geest om zijn doel te bereiken; om dit tot bewustzijn en verwezenlijking te brengen. En dit doel is niets anders dan zichzelf te vinden – tot zichzelf te komen – en zichzelf in concrete werkelijkheid te aanschouwen.’       – De Geheime Leer 1:711

     Maar hoe kan de hoogste wil zich manifesteren in de fysieke wereld? Stanza V spreekt over fohat, de overbrenger van de goddelijke wil, de occulte elektrische kracht die alle vormen verenigt door de wil van de scheppende logos. Door de patronen te volgen in het universele denkvermogen brengt het werelden en wezens tot aanzijn. Fohat vertegenwoordigt de menigten hogere scheppende goden die op de stof inwerken om de wetten van de kosmische evolutie op gang te brengen en de zeven kosmische beginselen te vormen. Als de gehoorzame dienaar van het onbegrijpelijke Ene activeert het de wil of het verlangen tot scheppen. Toch is fohat niet een soort wetenschappelijke kracht die ‘automatisch’ werkt; achter elke zogenaamde kracht of natuurwet staan wezens die toezien op de uitvoering ervan.
     Omdat alles onderling is verbonden en elkaar doordringt, bestaat de goddelijke wil ook in ons. Ons meest innerlijke zelf, de geestelijke ziel, en het hogere denken zijn de onsterfelijke delen van ons wezen. Ze overschaduwen de vergankelijke aspecten: lichaam, astraal lichaam, levensenergie en begeerten. Wil is een uiting van begeerte, en in de Oceaan van Theosofie legt W.Q. Judge duidelijk uit hoe en waarom de wil centraal staat:

     Van de zeven beginselen is het vierde het evenwichtsbeginsel. Het staat in het midden en vandaar gaat de weg op- of neerwaarts. Het is de basis voor het handelen en de drijfveer van de wil. Zoals de oude Hermetici zeiden: ‘Achter de wil staat de begeerte’. Want of wij het goede of slechte willen doen, we moeten eerst in ons de begeerte opwekken voor een van deze richtingen.      – blz. 53

     Wilskracht, zelf kleurloos en neutraal, wordt door het denken opwaarts of neerwaarts gericht. Het ligt voor de hand dat er wilskracht voor nodig is om de kant van de geest uit te gaan; maar we realiseren ons misschien niet dat het verkeerde gebruik van onze wilskracht ons telkens weer terugvoert naar de aarde, en ons verhindert ons ware potentieel te benutten. We zijn geneigd onszelf eenvoudig te zien als mensen die zijn verstrikt in onze persoonlijke omstandigheden, waarvoor we maar al te vaak geen verantwoordelijkheid aanvaarden. Toch is dit onjuist, zoals James Long duidelijk maakt:

de mens komt in het leven ‘gepredestineerd’ door zichzelf en door niemand anders, met het doel datgene te ontplooien en te ontwikkelen wat hij in zijn eigen zielenleven heeft vergaard; en daar bevindt zich ook zijn eigen individuele vrije wil, die hij kan gebruiken om van zichzelf te maken wat hij wenst.

               .      .      .

De schrijver van ons levensboek, die niemand anders is dan wijzelf, heeft het licht en de schaduw van ons huidige bestaan zo geschetst dat wij, met onze vrije wil en zoveel intelligentie en zuivere aspiratie als wij maar kunnen opbrengen, kunnen vaststellen welke eigenschappen van ons karakter moeten worden omgevormd en op welke stevige pilaren we kunnen bouwen.      – Mens, Vonk der Eeuwigheid, blz. 84-5, 19

Wil stroomt door ons heen en gaat van ons uit, en wordt geleid door ons richtinggevend verstand. We kunnen langs de weg van ons meest innerlijke zelf opgaan naar de goden, of dieper afdalen in de stof, omdat ‘mensen individueel altijd onbelemmerd en ongedwongen over hun aangeboren vrije wil kunnen beschikken. . . . De mens kan altijd zijn eigen gevoelens en zijn eigen gedachten veranderen, en als gevolg daarvan zijn eigen handelingen.’1
     Hoe kan de menselijke geest zich tenslotte bevrijden van de stof? Ieder mens heeft occulte vermogens in zich, maar slechts weinigen weten hoe we die kunnen gebruiken. HPB zegt ons:

Eén gemeenschappelijk levensbeginsel doordringt alles, en dit kan door de vervolmaakte menselijke wil worden beheerst. . . .
     De adept kan de gewaarwordingen beheersen en de gesteldheid veranderen van het fysieke en astrale lichaam van anderen die geen adept zijn . . . Hij kan de onsterfelijke geest van geen enkel mens beheersen, levend of dood, want al die geesten zijn evengoed vonken van de goddelijke essentie en kunnen niet door iets van buitenaf worden overheerst. . . .

               .      .      .

‘De wil’, zegt Van Helmont, ‘is de belangrijkste kracht. Want door de wil van de Schepper werden alle dingen gemaakt en in beweging gezet. . . . De wil is een kenmerk van alle geestelijke wezens, en vertoont zich actiever in hen naarmate ze zich meer van de stof hebben bevrijd.’ En Paracelsus . . . voegt in dezelfde trant eraan toe: ‘Geloof moet de verbeelding bevestigen, want geloof bekrachtigt de wil . . . Een vastbesloten wil is het begin van alle magische handelingen. . . Dat de mensen geen volmaakte voorstelling van het resultaat maken en erin geloven, is (de reden) dat de (magische) kunsten twijfelachtig zijn, terwijl ze volkomen zeker kunnen zijn.’      – Isis Unveiled 2:590, 1:57

     Zienerschap is daarom gebaseerd op wilskracht. Ze kan alleen worden verworven als de adept weet hoe hij de mechanische werking van het brein moet onderbreken, want zijn geheugen moet net zo volledig zijn onderworpen aan zijn wil als het lichaam, anders blijven alle beelden uit verleden, heden en toekomst gekleurd door waarnemingen van de objectieve wereld. De krachten die in ons sluimeren kunnen tot adeptschap voeren ofwel tot zwarte magie, want op de weg naar goddelijkheid die wordt bereikt door wilskracht en discipline, liggen de verlokkende vruchten van verschijnselen altijd vlakbij het neerwaartse pad. In tegenstelling daarmee gebruikt de witte magiër zijn vermogens voor het welzijn en de vooruitgang van allen.
     Alleen als begeerte en wil gericht zijn op het goddelijke, kunnen ze ons bevrijden van het materiële gebied. Ons denkvermogen en onze intuïtie ontvangen impulsen uit goddelijke en supergoddelijke gebieden, en alleen onze beperkte ontwikkelingstoestand en onze zwakke wil verhinderen dat we daaraan getrouw gehoor geven. We kunnen onszelf bevrijden door onze wil te mobiliseren om onze geestelijke verlangens op te roepen en ons lagere denken te verheffen. Maar zolang ons persoonlijke egoïsme ons verhindert onze wil te richten op de hogere delen van onze constitutie, zullen we niet in staat zijn boven de lagere elementen uit te stijgen. Gebrek aan wilskracht kenmerkt in feite de huidige toestand van de mensheid:

Mannen en vrouwen zijn in verwarring door hun eigen zwakheden; ze hebben zelfs niet de wilskracht één enkel pad een week lang of een maand, laat staan een jaar achtereen te bewandelen. Hun wil slaapt, hun denken is verzwakt door gebrek aan oefening en door te steunen op hulp van buitenaf; hun innerlijke geest krijgt geen kans zijn vleugels uit te slaan en omhoog te vliegen.

               .      .      .

U kunt geen stap verder en omhoog doen vóór u de wachtwoorden kent die een deel van onszelf vormen; met andere woorden, tot u de wil en het besef heeft het goede te doen.

               .      .      .

Niemand werd ooit een god in een enkele kosmische cyclus. Door voortdurende wilsinspanning, herhaalde goede voornemens, verandert het karakter en wordt de mensheid goddelijk.
     – Wind van de Geest, blz. 189, 298, 225

Het is onze taak richting te geven aan onze eigen evolutie en bewust mee te werken aan het opgaan naar het goddelijke. Ook al liggen er ontelbare eeuwen vóór ons waarin we onze wil kunnen trainen en gebruiken, is dat voor ons geen reden om te wachten. Laten we vandaag al beginnen, nu, zodat we meer kunnen bijdragen aan de vooruitgang en bevrijding van de mensheid in dit nieuwe millennium.

 

Verwijzing:

  1. G. de Purucker, Dialogues 3:3.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2001

© 2001 Theosophical University Press Agency