Boekbespreking: Brieven die me hebben geholpen
W.T.S. Thackara

 

Brieven die me hebben geholpen door W.Q. Judge, samengesteld door Jasper Niemand, twee delen in één; geheel nieuwe vertaling; Theosophical University Press Agency, Den Haag, 2001; 270 blz., uitgebreide index, paperback.


 

Tot de moderne theosofische literatuur behoren een aantal boeken die de toets van de tijd en van de mensen hebben doorstaan. Het zijn niet alleen klassieken omdat ze tientallen jaren in druk verkrijgbaar bleven, maar ook omdat ze een ondefinieerbare maar toch diepgevoelde geestelijke kracht vertegenwoordigen. Ze tonen een pad en wijzen op een stralend doel dat voor ons ligt; of, om het wat bescheiden te houden, misschien helpen ze ons om belangrijke problemen te verduidelijken en praktische oplossingen aan te dragen. Ze geven zin aan schijnbare onzin, helderheid aan verwarring. De gedachten die in deze geschriften onder woorden zijn gebracht roepen ons altijd op tot een edeler en beter bestaan; we voelen hun enorme aantrekkingskracht die ons ertoe aanzet op een meer meedogende wijze lief te hebben, zorgvuldiger na te denken en met grotere vastberadenheid te handelen. Het zijn boeken die ons inzicht verruimen, die verheffen en ons bemoedigen; ze stimuleren ons om steeds diepgaander antwoorden te zoeken op essentiële vragen en om meer universeel te reageren op de wereld waarin we leven.

De belangrijkste werken van H.P. Blavatsky passen gemakkelijk in deze categorie. Ze zijn door verscheidene generaties van studenten gelezen, en de ideeën die erin naar voren worden gebracht hebben grote invloed gehad op het denken van de mensheid. Men kan ook andere geschriften noemen; maar er is er één dat hier speciaal moet worden vermeld, omdat het in het bijzonder handelt over de kenmerken, de mijlpalen en de praktische beoefening van het geestelijke pad.

Letters That Have Helped Me [Brieven die me hebben geholpen] is sinds het in 1891 in boekvorm uitkwam steeds verkrijgbaar geweest. Voor velen was het jarenlang een vaste vriend om in te lezen, en verschillende mensen die de theosofie lange tijd hebben bestudeerd beschouwen het als een van de belangrijkste boeken in de literatuur. Een van hen beschreef de aantrekkingskracht ervan onlangs op de volgende manier: in tegenstelling tot andere boeken die werden geschreven om de technische leringen van de theosofie uiteen te zetten, is dit een ‘direct antwoord op de behoeften van een mens’. De filosofie is er, zeker, maar op rustige manier ingebed in de uiteenzetting die de schrijver geeft over geestelijk-ethische waarden. Het is een boek voor de ware zoeker.

De brieven werden in de beginjaren van de Theosophical Society geschreven door William Q. Judge (1851-1896), medeoprichter van de Society, samen met H.P. Blavatsky en Henry S. Olcott. Het was toen evenals nu een tijd van grote belangstelling voor religie en mystiek, maar er waren slechts weinig theosofische boeken verkrijgbaar om aan deze groeiende behoefte te voldoen. Door de theosofie hadden velen met de oude wijsheid-religie kennisgemaakt als bron van de meeste wereldreligies en ook met de broederschap van adepten die deze traditie beschermen in perioden van duisternis en weer in het openbaar brengen als gunstiger omstandigheden daartoe aanleiding geven. Honderden vragen over de aard van het geestelijk leven, over de adepten en hun relatie tot de mensheid, en aanverwante onderwerpen werden naar Judge gestuurd, die toen de leiding had van het werk in Amerika.

Voornamelijk uit een behoefte aan literatuur die zich met deze vragen bezighield, werden een aantal van Judge’s antwoorden van 1888 tot 1890 gepubliceerd in het tijdschrift The Path, onder dezelfde titel als het boek. Deze brieven, die het eerste deel vormen, werden voornamelijk geschreven aan de samensteller, ‘Jasper Niemand’ (Julia Campbell Ver Planck), die ook veel nuttige aantekeningen toevoegde. Het tweede deel, postuum uitgebracht in 1905, bevat brieven en fragmenten uit brieven van Judge aan correspondenten in vele delen van de wereld alsmede een biografische schets van Judge.

Hoewel William Q. Judge bijna een eeuw geleden schreef, is de uitspraak van Jasper Niemand dat: ‘de ervaring van één leerling, over het geheel genomen, de ervaring van allen is’ nog steeds van kracht; de brieven zouden heel goed kunnen zijn geschreven met het oog op de huidige problemen. Judge matigt zich niets aan; hij geeft eenvoudig de vruchten van zijn eigen ervaring en de leringen van zijn mentors door. Hoewel de brieven van zijn schrijvers ontbreken, is het niet moeilijk zich hun inhoud voor te stellen. We kunnen de levendige aard van de dialoog aanvoelen; en het antwoord dat aan Judge werd ontlokt is verhelderend. Hoewel hij niet eropuit was om een handboek of een stel verhandelingen over het geestelijke pad te schrijven, is er wel een doorgaande ontwikkeling van ideeën die een eenheid vormen. Niettemin is het een boek dat op elke bladzijde kan worden opengeslagen en met begrip kan worden gelezen. In beide gevallen komen we in de verfijnde atmosfeer van Judge’s gedachten:

Sla me niet te hoog aan. Heb goede gedachten over mij; maar . . . richt je gedachten op de eeuwige waarheid. Evenals jij ben ik op weg en struikel ik. Misschien valt het volgende moment een sluier weg van je geest, en zou je ons allen ver vooruit zijn. De reden waarom je hulp hebt gehad is omdat je die in andere levens aan anderen hebt gegeven. Bij iedere poging die je hebt gedaan om het denken van een ander te verlichten en te openen voor de waarheid, werd je zelf geholpen. Die parels die je voor een ander vond en aan hem gaf, heb je in feite door die daad van welwillendheid voor jezelf behouden. Want als men op die manier leeft om anderen te helpen, brengt men daarmee de regel in de praktijk om te proberen ‘alle gevoel van afgescheidenheid’ uit te roeien, en komt zo beetje bij beetje in het bezit van het ware licht.

Raak die instelling nooit kwijt. Houd in stilte vast aan alles wat je in je hebt, want je zult het in de strijd nodig hebben; maar verlang nooit, nooit, kennis of macht te verkrijgen voor een ander doel dan om het te leggen op het altaar, want alleen zo kan ze voor jou behouden blijven.         – blz. 1

Maar we zouden ons kunnen afvragen hoe we een ander kunnen helpen zonder ons te mengen in zijn of haar recht op en behoefte aan zelfontplooiing? Zijn wij in staat de innerlijke behoeften van een ander te beoordelen? En zo niet, hoe kunnen we ons geschikt maken om anderen te helpen zonder hen daarbij te hinderen? Er is een overvloed aan wenken en directe aanbevelingen, en Judge’s commentaren zijn overal gebaseerd op een fundamenteel thema: universele broederschap. Voor hem is het streven om met het zich ontwikkelende patroon van de natuur in harmonie te zijn en om zijn plicht te vervullen het Sesam open u tot de hogere intelligentie en intuïtie van de mens. Eenvoudig gezegd, als we universeler willen zijn in begrip, sympathie, vermogen tot oordelen, en genegenheid, dan moeten we ernaar streven om ons veeleer te oriënteren op het heelal dan op onszelf.

In de tijd van Judge kwamen bij belangstellenden vragen over geestelijke training en discipline even vanzelfsprekend op als bij lezers in deze tijd: Hoe kan men een chela worden (als dit gewenst lijkt)? Welke bijzondere oefeningen zou men moeten verrichten? Moet men beginnen met mediteren of met het beoefenen van yoga? Wat zijn de mogelijke consequenties van het volgen van een of andere cursus in zelfverbetering? Dit zijn tijdloze vragen, want ze worden in elk tijdperk door de neofiet gesteld. Het is duidelijk dat de verlichting niet gemakkelijk wordt bereikt. Alleen al het voornemen om de weg ‘omhoog’ te gaan, roept onmiddellijk ‘neerwaartse’ tegenstand op; en zowel de motieven als de kracht van elke reiziger worden voortdurend door het leven getoetst. Alle moeilijkheden, zowel kleine als grote, zijn noodzakelijk voor de groei en om de student te helpen de positieve en negatieve elementen in hemzelf en in de natuur te herkennen. Het is een proces dat kracht schenkt en verandering teweegbrengt, van afwisselend duisternis en licht, maar altijd in voorwaartse richting:

Ik zou nooit de minste angst of wanhoop over me laten komen, maar als ik door de mist de weg of het doel niet kan zien, zou ik eenvoudig gaan zitten en wachten. Ik zou niet toestaan dat de mist mij laat denken dat er geen weg is en dat ik niet verder kan gaan. De mist zal optrekken.

Wat is dan tenslotte de panacee, de koninklijke talisman? Het is plicht, onbaatzuchtigheid. PLICHT die standvastig wordt volgehouden is de hoogste yoga, en is beter dan mantra’s of enige lichaamshouding, of wat dan ook. Als u alleen maar u plicht kunt doen, zal deze u bij het doel brengen.       – blz. 107

Op sommige momenten voelen we met Judge de ‘donkere nacht van de ziel’ van de mysticus, die regelmatig iedere reiziger op het pad overvalt. Er zijn in onze tijd inderdaad wrede en onplezierige omstandigheden – een karma dat bij ons hoort omdat wij aan de vorming ervan hebben bijgedragen. Veel mensen redeneren dat, omdat geest de tegenpool van stof is, een geestelijk leven het nodig maakt zich uit de wereld terug te trekken en dus zoeken ze hun toevlucht in isolement. Judge vindt dit dwaasheid, een verspilling van een kostbaar geschenk; want ons karma, zo redeneert hij, heeft ons in omstandigheden gebracht die precies passen bij de behoeften van de mensheid en van onszelf. Hier kunnen we het meest bereiken voor beiden. Dat is nu een typisch voorbeeld van het optimisme van Judge dat alles overwint, zelfs wanneer hij door onbegrip, ondankbaarheid, of regelrechte tegenwerking is uitgeput. Hoe wanhopig de zaken er soms ook voor schijnen te staan, hij ziet daarin een schitterende gelegenheid om te leren.

Wat het hart van de mens, het hart van elk levend wezen, eeuwig zoekt is licht. Sommigen van hen die het pad naar dat licht zijn gegaan, hebben hun ervaringen met anderen gedeeld, tenminste gedeeltelijk, in de hoop dat deze van nut zouden zijn. We begrijpen nu waarom velen de titel Brieven die me hebben geholpen zo toepasselijk vinden.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 2002

© 2002 Theosophical University Press Agency