Van onze lezers

 

Californië, 6 augustus 2001
        Het is een van die vreugdevolle ochtenden. Ik kijk naar de vogels, vooral wijfjesvinken (de mannetjes zijn al naar het zuiden vertrokken), die eten van onze jonge vijgenboom die aan de in het wild levende dieren is toevertrouwd. Mijn gedachten gaan echter uit naar een uitspraak die door een deelneemster aan een theosofische studiegroep werd gedaan. Ze zei: ‘Mijn moeder zegt: Ik weet dat ik ben waar ik moet zijn en dat ik doe wat ik geacht word te doen.’ Dat kleine beetje wijsheid, dat zowel eenvoudig als diepzinnig is, geldt evenzeer voor vogels als voor mensen. Elke soort, elk individu, weet en voelt wanneer en waar het moet zijn – in dit geval bij de rijpende vijgen.
        Enkele jaren geleden vond ik een jonge vink. Ze was verdwaald in een dichte bodembegroeiing. Omdat we liever niet een beestje redden dat geen redding nodig heeft, gingen we niet onmiddellijk in op dat dwingende geroep. Toen ik uiteindelijk mij een weg baande door de begroeiing, kwam ik weer tevoorschijn met een kostelijk kameraadje voor de daaropvolgende weken.
        Omdat ik lering wilde trekken uit de ervaringen van een vriend, wist ik dat ik ervoor moest oppassen mijn vogel niet in gevangenschap te houden als deze eenmaal volwassen was. Haar vogel zat in een kooi voor het raam. Als de avond viel en ze de sterren aan de donkere augustushemel kon zien, was haar vink niet meer te houden. Er was een boodschap in de mysterieuze, fascinerende ordening van deze hemellichamen. De boodschap luidde: het is tijd om naar het zuiden te vliegen en we zullen je leiden.
        Toen mijn vogel werd vrijgelaten, nam ze plaats op een waslijn buiten het keukenraam, waar ik haar enorme eetlust bevredigde. Plotseling was ze weg. Ik was bedroefd, terwijl ik me afvroeg wat haar lot zou zijn zonder ervaren ouder om haar te leiden.
        Wanneer komen vinken terug? Het moet half maart van het volgende jaar zijn geweest. In elk geval was ik in de keuken aan het werk. Ik keek op toen ik krachtig tikken op het raam hoorde. Het was een wijfjesvink, mijn vink, die me een teken gaf dat de natuur haar had geleid naar waar ze moest zijn, en om te doen wat ze moest doen.
        Het was ook een afscheid. Vanaf dat ogenblik was ze een vink onder de vinken. Misschien zit ze zich op dit moment wel te voeden in onze jonge vijgenboom.         – Barbara Curtis Horton

 

Australië, 17 oktober 2001
        Met het oog op de recente gebeurtenissen in de wereld die de verschillen hebben benadrukt tussen volkeren en religies, is de volgende ontwikkeling in Rusland misschien interessant. Ik heb het over de constructie van een ongewoon gebouw gewijd aan de eenheid van volkeren en godsdiensten: De Tempel van Alle Religies, die op dit moment in Rusland wordt gebouwd aan de oever van de grote rivier de Wolga, ongeveer 500 km ten oosten van Moskou.
        Il’dar Khanov heeft vanaf zijn jeugd ervan gedroomd dit gebouw te ontwerpen. Hij heeft spirituele mentoren, onder wie de beroemde mysticus en kunstenaar Nicolai Roerich, om raad gevraagd. Maar pas vele jaren later, in 1992, kreeg hij voldoende innerlijke signalen om met dit project door te gaan. Hij is toen direct gestart met het werken aan het ontwerp van het gebouw. Velen hebben geholpen met de bouwwerkzaamheden, en zakenmensen hebben financiële steun gegeven.
        Volgens zijn schatting zijn er twaalf grote religies in de wereld, dus staan er twaalf dominerende kleine torens bovenop de Tempel van Alle Religies. In de centrale toren zal een telescoop worden geïnstalleerd om de mysteries van de planeten en sterren te bekijken. Het tempelgebouw zal ruimte bieden aan religieuze vieringen van alle geloofsovertuigingen, en zal een tempel van cultuur en waarheid zijn. Het is het enige gebouw in zijn soort in Rusland, en één van misschien vier van zulke grote bouwwerken in verschillende delen van de wereld. Dit is een spannende ontwikkeling in Rusland, waar vrijheid van godsdienst voor de meeste mensen nog een betrekkelijk nieuwe ervaring is.         – Lev Bernshteyn

 


Oregon, 30 oktober 2001
Een onlangs verschenen artikel in Sunrise, waarin over orgaandonatie wordt geschreven, was voor mij reden de autobiografie, A Change of Heart [Een gemoedsverandering], van Claire Sylvia te herlezen, die voornamelijk gaat over een fascinerend aspect van dit onderwerp. Zij was danseres en alleenstaande moeder, begin 30 en stervende, toen ze het hart en de longen van een 18-jarige man accepteerde die om het leven was gekomen bij een motorongeluk. Een paar maanden later had ze een levendige droom waarin, toen ze op het punt stond te vertrekken, een jongeman genaamd Tim, haar terugriep en haar kuste. Ze voelde dat hij haar met die kus iets van zichzelf had gegeven. Deze droom maakte haar nieuwsgierig naar haar donor, maar de wet stond niet toe om meer informatie daarover vrij te geven. Langzamerhand begon ze onverwachte neigingen te vertonen, waarbij ze voedsel uitkoos waarmee ze niet bekend was en kleren in andere kleuren; soms voelde ze zich gedwongen om met een snelheid te lopen die te energiek voor haar leeftijd en sekse was. Uiteindelijk werd ze zo vertrouwd met haar donor dat ze zonder officiële hulp zijn familie kon opsporen en hen bezoeken. Natuurlijk is niet elke ontvanger zo gevoelig als deze auteur, en velen merken niets van vreemde invloeden; maar haar boek doet verslag van soortgelijke verhalen van andere ontvangers, vertelt over de organisatie die is opgericht waar zij met hun problemen terecht kunnen, en biedt verschillende mogelijke verklaringen voor deze ervaringen. Die zullen echter niet al te verrassend zijn, want hoewel de donor dood is, blijven de organen vitaal en vol met herinneringen. De volledige implicaties van dit verschijnsel moeten nog worden onderzocht.
        In de hoop meer inzicht te krijgen raadpleegde ik een bundel artikelen, The Ethics of Organ Transplants [De ethiek van orgaantransplantatie], onder redactie van Arthur L. Caplan en Daniel H. Coelho, waardoor ik alleen maar werd geschokt. De meeste medewerkers uit de medische wereld vertoonden een bijna waanzinnige gerichtheid op het vinden van wegen om meer mensen ertoe te bewegen en te pressen donor te worden. Ook nu wordt van ziekenhuispersoneel verlangd dat ze een transplantatiechirurg inlichten zodra een patiënt overlijdt die geen schriftelijke weigering heeft ingeleverd. Dan worden de bedekte termen ‘veronderstelde toestemming’ toegepast, waarbij het lichaam openbaar in plaats van privébezit wordt. Sommige chirurgen willen de organen van anencephalische pasgeborenen (baby’s geboren met onvolgroeide of beschadigde hersenen) verwijderen terwijl ze nog in leven zijn, en stellen dat zulke baby’s maar kort leven en, omdat ze maar weinig of geen bewustzijn hebben, geen pijn zouden voelen. Slechts één medewerker keurde openlijk het huidige plan af om dieren te fokken teneinde organen aan te leveren die geschikt zijn voor mensen. Dan zijn er de misstanden wanneer organen voor geld worden verkocht, hetzij door levende donoren of door andere belanghebbenden.
        De medewerkers Renee Fox en Judith Swazey, die na vele jaren van betrokkenheid gedesillusioneerd zijn geraakt, vatten hun bezorgdheid als volgt samen:


Alles welbeschouwd is ons vertrek uit dit werkterrein waar we ons middenin zulke gebeurtenissen bevonden, niet alleen veroorzaakt door onze behoefte en ons verlangen emotioneel afstand ervan te nemen, maar hiermee spreken we ook een waardeoordeel uit. Door op te stappen nemen we bewust afstand van wat we een overijverige medische en maatschappelijke betrokkenheid vinden om het leven eindeloos te laten voortduren en om mensen te herstellen en te vernieuwen door orgaanvervanging – en van het menselijk lijden en de sociale, culturele en spirituele schade waarvan wij geloven dat deze zulke niet-onderzochte excessen tot gevolg kunnen hebben en al hebben gehad. – blz. 339


        Oude en moderne religies leren dat de mens onsterfelijke spirituele elementen bezit die niet met het fysieke lichaam vergaan. Reïncarnatie en karma maken duidelijk dat de dood, zoals de slaap ’s nachts, slechts een rustpauze is. Tijdens de Grote Depressie stelde Franklin Roosevelt de mensen gerust door te zeggen ‘We hoeven nergens bang voor te zijn behalve voor de angst zelf.’ Een passende variant hiervan in deze tijd zou zijn mensen te verzekeren dat het enige dat over de dood te vrezen is de angst voor de dood zelf is.         – Enid Brandon

 


Australië, 6 november 2001
De stortvloed van openbaar verdriet na de tragische gebeurtenissen van de 11de september in New York en de nawerking ervan, laat de kracht van verdriet en de angst voor de dood zien. We worden allemaal in ons leven geconfronteerd met verlies, maar de meesten van ons zien dit liever niet als een realiteit en zijn dus slecht voorbereid op deze moeilijke leerervaringen. We hebben in de 21ste eeuw echter het geluk dat er mensen zijn die hun leven eraan hebben gewijd om gewone mensen te helpen bij het verwerken van verdriet en verlies. Op dit moment zijn overal in de wereld gespecialiseerde dokters en verpleegsters aan het werk in hospices en centra voor palliatieve zorg die zijn gebaseerd op het baanbrekende werk van dr. Elizabeth Kübler-Ross in de Verenigde Staten en Dame Cecily Saunders in Engeland, waar mensen met terminale aandoeningen waardig kunnen sterven met een minimum aan pijn. Meer recent zijn er in veel westerse landen instituten opgericht voor onderzoek naar verdriet en counseling. In 1996 werd zo’n organisatie, het Centrum voor verdrietverwerking, in het leven geroepen aan het Monash Medisch Centrum in Melbourne, en deze heeft honderden mensen geholpen hun weg te vinden in moeilijke tijden, waarbij hulpverleners werden getraind die in ziekenhuizen, rouwkamers, en bij andere instellingen werkzaam waren.
        Tijdens een lezing die onlangs in Melbourne onder auspiciën van de Theosophical Society werd gehouden, gaf de directeur van het Centrum voor verdrietverwerking, Chris Hall op boeiende wijze inzicht in de menselijke reactie op verdriet en verlies. Hij beschreef de klassieke modellen van verdriet zoals die naar voren zijn gebracht door Kübler-Ross (1969) en J. William Worden (1991), maar benadrukte dat deze nu in veel opzichten tekort blijken te schieten: zoals veel van de moderne psychiatrie bevatten ze geen spiritueel element dat vaak onmisbaar is wanneer een persoon met de dood wordt geconfronteerd. Hij zei ook dat het kleine percentage mensen dat een sterk gevoel heeft dat het leven en wat daarna volgt ‘betekenisvol’ is, veel beter ermee omgaat dan mensen die niet over zo’n kader beschikken waarbinnen ze leven en dood kunnen plaatsen.
        Deze recente constatering doet denken aan uitspraken van Krishna in de Bhagavad-Gita. In het tweede hoofdstuk waarschuwt Krishna zijn student Arjuna dat de wijzen niet treuren, want de spirituele essentie van een persoon kan niet vergaan maar verandert na de dood van het fysieke lichaam alleen van vorm: ‘Zoals een persoon versleten kleding afdankt en andere aantrekt die nieuw is, evenzo ontdoet de belichaamde ziel zich van versleten lichamen en neemt andere aan die nieuw zijn. Wapens doorklieven dit zelf niet, vuur verbrandt hem niet, wateren maken hem niet nat; noch maakt de wind hem droog . . .’ Deze boodschap heeft een westers equivalent in Plato’s Phaedo. Als Crito Socrates vóór zijn dood vraagt: ‘Hoe zullen we je begraven?’ antwoordt Socrates kort en krachtig: ‘Op elke manier die je maar wilt, maar eerst moet je me te pakken krijgen, de Echte Mij. Houd moed, mijn beste Crito, en zeg dat je alleen mijn lichaam zult begraven, en dat je ermee doet wat ook maar gebruikelijk is en wat jou het beste lijkt.’
        Zelfs voor hen die een idee hebben van het continuüm van het leven na de dood, is het heel gewoon een enorm gat in hun leven te voelen nadat een geliefde is gestorven en te verlangen naar nauw contact met hen. Zoals onlangs was te zien, kunnen mensen uit wanhoop of nieuwsgierigheid de hulp van paragnosten inroepen om met de overledene in contact te komen, een praktijk die schadelijk is voor zowel de levende als de dode. Zelfs als het echt is, verbindt een dergelijk mediumschap ons bijna nooit met de ‘Echte Mij’ waar Socrates op duidde, maar alleen met de lagere psychische energieën van de overledene die aan de aarde zijn gebonden. Als het uiteenvallende psychische lijk door paranormaal contact wordt gestimuleerd, verlengt dit het bestaan ervan.
        Anderzijds wordt de verbinding met onze overleden geliefde door ware en onpersoonlijke liefde in stand gehouden. Zoals G. de Purucker schreef:


Liefde is onsterfelijk; ze gaat altijd door; en, let wel, hoe meer men liefheeft, onpersoonlijk natuurlijk, hoe edeler men wordt . . . Ik bedoel die onuitsprekelijke lieflijke, goddelijke vlam die het leven met schoonheid vult, die gedachten oproept van zelfopoffering voor anderen. Een dergelijke liefde, onpersoonlijke liefde is het hart van het heelal. Daarom zeg ik dat degene die liefhad en stierf, nog steeds liefheeft, want dat behoort tot het wezen van zijn ziel.         – Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 652


        We moeten het recht erkennen van onze geliefden die zijn gestorven, om te rusten en te herstellen, weg van de stress van deze wereld, en ons realiseren dat de dood een wonderbaarlijke reis voor de ziel is – een reis die we op aarde niet zouden moeten proberen te verstoren omdat wij door ons persoonlijke verdriet en onze verlangens worden overweldigd.
        – Andrew Rooke

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 2002

© 2002 Theosophical University Press Agency