In de afgelopen decennia hebben medische doorbraken ingewikkelde vragen
opgeroepen die onze ethische normen op de proef stellen. Aan de ene
kant staan de concrete voordelen die deze brengen aan hen die lijden
aan een ziekte of handicap, aan hun familie, en aan artsen en onderzoekers
met beroepsmatige, humanitaire, en economische belangen in deze nieuwe
procedures. Aan de andere kant staan de bezwaren, zowel concrete als
ethische. Deze betreffen vaak de definities van een mens, en van leven
en dood; de vraag of de middelen in verhouding staan tot het beoogde
doel; en het kiezen tussen met elkaar strijdige waarden. Ethische consequenties
zijn niet louter abstracties. Verlies van integriteit, ruimte geven
aan dat waarvan we intuïtief aanvoelen dat het verkeerd is, schending
van rechtvaardigheid of vertrouwen – elk van deze onteren ons
als individu en verlagen het morele welzijn van de maatschappij waarin
we leven. Individueel kunnen we het idee hebben dat we weinig weten
over en nog minder invloed hebben op wetenschappelijke en technische
zaken, en toch drukken onze gezamenlijke beslissingen – of het
gebrek daaraan – nog jarenlang een stempel op de maatschappelijke
normen.
Onlangs hebben de media de aandacht gevestigd op de controverse rond
het stamcelonderzoek bij de foetus, waarover de publieke opinie in bijna
even grote kampen is verdeeld. Een onlangs verschenen hoofdartikel in
The New Republic1, waarin Andrew
Sullivan een kritisch standpunt inneemt, roept veel essentiële
vragen op. Hij begint met het ter discussie stellen van de bewering
dat blastomeren – de menselijke voortplantingscellen die gewild
zijn voor stamcelonderzoek – waarschijnlijk niet menselijk zijn,
en zeker net zo min ‘wezens’ zijn als afgeknipte vingernagels,
die ook een volledige DNA-code van een individu bevatten. Maar volgens
hem ‘ontbreekt er iets belangrijks aan de vergelijking met een
vingernagel. Een vingernagel wordt geen volwassen mens als deze in de
baarmoeder wordt geïmplanteerd. De werkelijke vraag is of dit onderscheid
een moreel verschil inhoudt.’
Om bij de basis te beginnen, kunnen we ons afvragen: Wat is het dat
ons menselijk maakt? Tegenwoordig zullen veel wetenschappers zeggen
dat ons DNA onze menselijkheid bepaalt. Zij die het stamcelonderzoek
steunen zullen ook het ontwikkelingsstadium van de entiteit daarbij
betrekken om de ongeboren vrucht uit te sluiten, maar Sullivan wijst
erop dat ‘het embryo precies evenveel genetische informatie bevat
als u of ik. We verschillen er niet van in soort, alleen in graad: in
leeftijd, maat, gewicht en geslacht’; in essentie komt het erop
neer dat elke blastomeer ‘net zo uniek is als ieder mens die ooit
heeft geleefd of ooit zal leven’, en ‘als een blastomeer
eenmaal is gedood, de mens die onverbiddelijk daarin lag besloten, er
niet meer is’. Het experimenteren op zulke cellen, concludeert
hij, ‘komt erop neer dat menselijk leven puur als instrument wordt
behandeld. Ik ken geen betere beschrijving van het kwaad’. Dit
is vooral het geval wanneer het afstappen van het gebruik van menselijke
voortplantingscellen het onderzoek slechts zou vertragen, maar het niet
zou beëindigen; er zijn andere bronnen van stamcellen beschikbaar.
Er zijn verschillende criteria voorgesteld om te bepalen of een entiteit
menselijke rechten en waardigheid bezit in verband met wetenschappelijk
onderzoek. Deze omvatten onder andere rationeel handelen, zelfbewustzijn,
en het vermogen om pijn te voelen. Hoewel deze eigenschappen embryo’s
met een volledig menselijke status lijken buiten te sluiten, ontstaat
ook onzekerheid over andere groepen zoals zuigelingen, paraplegielijders,
mensen met psychische aandoeningen, en Alzheimerpatiënten, in het
bijzonder ‘mensen van wie de mentale capaciteiten het hen onmogelijk
maken om op zinvolle manier toestemming te geven.’ Een ander dikwijls
voorgesteld criterium is levensvatbaarheid, maar
Als ‘levensvatbaarheid’ onafhankelijk
van een moeder of anderen het criterium is, waarom zouden de lichamelijk
gehandicapten of de zeer ouden dan niet aan medische experimenten
worden toevertrouwd? En zij die in coma zijn of aan leven-in-stand-houdende
apparaten liggen? Als ze toch dood gaan en geen mogelijkheden hebben
om voor zichzelf te zorgen, wat is dan de zin om hun lichamen te verspillen
als ze waardevolle medische inzichten kunnen opleveren? Ja, we zouden
kunnen wachten tot ze dood zijn – maar ze zijn veel bruikbaarder
voor de wetenschap als ze nog leven.
Zulke argumenten lijken misschien extreem, maar ze zijn niet slechts
theorie. Ze hebben bijvoorbeeld rechtstreeks betrekking op orgaandonatie,
zoals een artikel in de New Yorker van 13 augustus aangeeft.
In ‘Zo goed als dood’ bestudeert Gary Greenberg de biologische
realiteit van ‘hersendood’ – een definitie van dood
die wordt gehanteerd sinds de ontwikkeling van zowel beademingstoestellen
als transplantatietechnologie. In de jaren zestig van de vorige eeuw
werd het mogelijk om zeer ernstig gewonde patiënten in leven te
houden aan apparaten met leven-in-stand-houdende functies, en nadat
transplantatie een werkelijkheid werd, beseften de artsen dat zulke
patiënten een ideale bron zijn van organen voor transplantatie.
Niet toevallig concludeerde een commissie van de Harvard Medical School
in een bericht in de Journal of the American Medical Association
van 1968 dat ‘patiënten waarvan de hersenen niet langer functioneerden
en die geen uitzicht hebben op herstel niet op sterven liggen maar al
dood zijn – hersendood’ (Greenberg, blz.37). Deze nieuwe
maatstaf maakte het de artsen mogelijk om met een goed geweten deze
patiënten van de beademing af te halen, of om organen van deze
patiënten te verwijderen terwijl ze nog aan de leven-in-stand-houdende
apparatuur liggen om op die manier veranderingen in het weefsel te vermijden
die desastreus zijn voor het succes van transplantatie.
Het begrip hersendood heeft nu in medische kringen een vaste plaats
gekregen en wordt overal in de Verenigde Staten wettelijk erkend. Niettemin
geven veel artsen toe dat het een soort gewettigde fictie is; dat wil
zeggen dat hersendood zich voordoet, niet omdat het een vastomlijnde
biologische gebeurtenis is, maar omdat er maatschappelijke overeenstemming
over is bereikt. De meeste artsen en de voorstanders van transplantatie
verzetten zich hevig tegen openbare discussie over dit onderwerp: ze
zijn bang dat elke erkenning dat patiënten die hersendood zijn,
in enig opzicht niet ‘volledig’ dood zijn, mensen kunnen
afhouden van orgaandonatie. Er zou een ethische discussie kunnen ontstaan
waardoor ‘transplantatie verandert in de zoveelste medische praktijk
– zoals een abortus of foetaal stamcelonderzoek – die wordt
belemmerd door een hardnekkige politieke strijd’ (blz. 41) gedreven
door tegenstrijdige ethische standpunten.
Greenberg bespreekt de voors en tegens om het verzamelen van organen
aan het publiek te presenteren als een vorm van gerechtvaardigde, maatschappelijk
aanvaarde euthanasie. Hij gelooft dat door de feitelijke situatie te
erkennen het aantal bruikbare organen die men kan verkrijgen zal toenemen
door toe te staan om terminale patiënten zonder traumatisch hersenletsel
wettelijk ‘dood’ (medisch beschikbaar) te laten verklaren
terwijl ze nog aan de leven-in-stand-houdende apparaten liggen. Artsen
zouden dan hun organen kunnen weghalen terwijl het hart nog klopt, en
daarmee het leven van de donor beëindigen. Greenberg denkt dat
het misschien te ver gaat om te zeggen dat het begrip
hersendood een volstrekte leugen is, maar het is zeker niet de hele
waarheid. Zoals bij zoveel voortreffelijke prestaties van de technologie
heeft orgaantransplantatie, ondanks al haar beloften, ook een afschuwelijke
kant – de verschrikking dat een mens wordt beschouwd als ruwe
grondstoffen, dat de dood in leven wordt omgezet, en dat uit een niet
dode jongen organen worden gehaald. Zou een praktijk, hoe edel die
ook is, de waarheid in gijzeling mogen nemen? Misschien moeten de
medische kringen het voor de hand liggende aanvaarden: orgaandonor
zijn betekent het kiezen voor een bepaalde manier om ons sterven te
beëindigen, in de handen van een chirurg, nadat er een onzekere
grens is gepasseerd – een grens die verschilt afhankelijk van
de tijd en de omstandigheden, en een die de wetenschap nooit nauwkeurig
kan trekken.
– blz. 41
Natuurlijk verdienen de ethische dimensies van medische technieken
volledig onderzoek. Het is gemakkelijk om onverschillig te worden, vooral
wanneer de onderzoekers zelf schijnen te kunnen bepalen wat toelaatbaar
is, en wat na verloop van tijd aanvaardbaar wordt. Ethische motieven
wegen zelden zwaarder dan de praktische voordelen voor onszelf of voor
onze geliefden; maar Sullivan, die Aids heeft, concludeert
Ik wuif de echte pijn niet weg van hen die stervende
zijn aan een dodelijke ziekte en door dit onderzoek misschien kunnen
worden gered – en evenmin het leed van hun familie. We moeten
inderdaad alles doen wat we kunnen om een einde te maken aan alle
mogelijke ziekten en ze te verzachten. Ik schrijf als iemand met een
diepgeworteld belang bij dat soort onderzoek. Maar het leven zou niet
moeten worden gemeten in termen van hoe lang iemand leeft maar van
hoe hij leeft. Als mijn leven met een dag zou worden verlengd ten
koste van een ander menselijk leven, zou dat een onmetelijk kwaad
betekenen. Sommige zaken kunnen niet zomaar worden verkwanseld of
worden weggeredeneerd. En een van die dingen is ongetwijfeld het leven
zelf.
Bij het beoordelen van nieuwe technologieën en procedures, kunnen
we als maatschappij willens en wetens de utilitaristische maatstaf van
het gemak en het grootste voordeel voor het grootste aantal mensen accepteren
– of dat bevoorrechte ‘aantal’ nu al het leven, de
hele mensheid, of alleen onze eigen speciale groep omvat. Maar we zouden
als individuen ongetwijfeld goed moeten nadenken welke ethische compromissen
acceptabel zijn en welke principes onschendbaar zijn, zodat we als een
cultuur bewust bepalen wat voor ons van vitaal belang is en waarom.
En we zouden samen overeenkomstig die conclusies moeten handelen en
daarmee doelbewust vormgeven aan onze toekomst.
Verwijzing
- ‘Only Human’, 30 juli 2001, blz. 8