Ik ben alles
Scott J. Osterhage

 

Ik ben niet gescheiden van wat dan ook. ‘Ik ben dat wat is.’ Dat wil zeggen, ik ben Brahma, en Brahma is alles. Maar het zijn is een illusiewereld, en ik ben omringd door bepaalde verschijnselen waardoor ik gescheiden lijk te zijn. Dus ik zal verdergaan en mentaal vaststellen en aanvaarden dat ik al die illusies ben. Ik ben mijn vrienden – en toen ging ik in gedachte naar hen in het algemeen en naar elk afzonderlijk. Ik ben mijn vijanden; toen voelde ik ze allen. Ik ben de armen en de slechten; ik ben de onwetenden. Die ogenblikken van intellectuele wanhoop zijn de momenten dat ik word beïnvloed door die onwetenden die mijzelf zijn. Dit alles in mijn land. Maar er zijn vele landen, en ik ga daar in mijn denken naartoe; ik voel ze en ben ze alle met wat ze bezitten aan bijgeloof of wijsheid of kwaad. Dit alles ben ikzelf. Onwijslijk wilde ik toen bijna stoppen, maar het geheel is Brahma, en dus ging ik verder naar de deva’s en asura’s [goden en demonen]: de wereld van de elementalen, ook die ben ikzelf. Na deze weg een tijd te zijn gegaan, vond ik het gemakkelijker terug te keren tot het contempleren over alle mensen als mijzelf. Het is een goede methode en zou moeten worden gevolgd, want het is een stap in de richting van het contempleren over het Al. Ik probeerde vannacht tot Brahma te reiken, maar duisternis omhulde zijn verblijfplaats.
Brieven die me hebben geholpen, blz. 9-10


Deze brief van William Q. Judge roert verschillende belangrijke thema’s aan – broederschap, welwillendheid, eenheid, illusie, dualiteit, hiërarchieën, en de kracht van gedachten. Deze houden allemaal direct verband met ons bewustzijn. Het is door ons bewustzijn dat we het heelal in zijn veelvoud van vormen ervaren. Op elk moment gebruiken we ons bewustzijn, òf om een web van illusies te weven dat onze waarneming van de werkelijkheid verder hindert òf om ons te helpen ons huidige beperkte oordeel en inzicht te overstijgen.
        We kunnen ons afvragen waarom Judge zich in zijn brief op universele broederschap richt. Op het eerste gezicht betekent dit idee de overeenstemming tussen of samenwerking van de verschillende groepen van de mensheid, zowel tussen individuen onderling, met mensen in de buurt, als tussen landen, en wel zonder onderscheid van huidskleur, geloofsovertuiging, maatschappelijke positie of geslacht. Maar universele broederschap gaat verder dan een overeenkomst tussen mensen: ze impliceert dat ze innerlijk één zijn, dat alle wezens in hun kern vonken zijn van de goddelijke essentie – en bedekt zijn met lagen van vitaliteit die overeenkomen met hun stadium van evolutionaire groei. In het binnenste van elk bevindt zich hetzelfde absolute bewustzijn. Wij mensen hebben onzichtbare maar heel werkelijke karmische lichamen rondom ons innerlijke zelf opgebouwd, en we besteden de meeste tijd en energie aan deze psychische, mentale, etherische, vitale, en geestelijke lichamen. Juist door die aspecten die we kunnen zien en voelen lijken we gescheiden van anderen te zijn, zodat het ons moeite kost ons te realiseren dat ons hogere zelf, de innerlijke god, of innerlijke Vader onsterfelijk is. Niettemin zijn we in de kern van ons wezen goddelijk, en die goddelijkheid is Eén. Op deze manier zijn we allemaal één als feit in de natuur, en niet alleen door samenwerking. We zijn één met alle andere mensen in de kern van ons, en hun, leven. Maar laten we hier niet stoppen. We zijn één met alle wezens: mensen, dieren, goden, planten, planeten, mineralen, kometen, sterren, en zo verder omhoog en naar beneden, erbinnen en erbuiten, daar voorbij en naar binnen toe. Soms denk ik dat als we ver genoeg naar buiten gaan, we op een of andere manier het innerlijke ontmoeten; en omgekeerd, als we ver genoeg naar binnen toe gaan, ontdekken we op een of andere manier de grootse vergezichten van de kosmos – opnieuw, EEN!
        De universele broederschapsgedachte en goedheid, vergevensgezindheid, en zelfopoffering, doordringen elkaar wederzijds; ze hangen nauw met elkaar samen. Goedheid bestaat uit het verlenen van diensten aan anderen, zowel door te handelen als door niet te handelen. Vergevensgezindheid is het loslaten van harde of afbrekende gedachten, ze uit ons denken zetten waar ze anders zouden wortel schieten, tot bloei zouden komen, en om wraak zouden vragen. Het Franse gezegde tout comprendre, c’est tout pardonner (‘Wie alles begrijpt, vergeeft alles’) is hier toepasselijk. Iemand die de krachten achter de gescheidenheid van de tastbare wereld begrijpt, weet hoe hij de gevolgen van het leven dat we leiden tot rust kan brengen. Het woord opoffering (sacrifice) betekent van oorsprong ‘heilig maken’. Wanneer we iets dat we met ons lagere zelf vurig verlangen niet langer najagen, brengen we een heilig offer aan ons hogere zelf. Met andere woorden, we verheffen onze materiële persoonlijkheid tot onze geestelijke individualiteit, de voorbijgaande persoonlijkheid tot de zich wederbelichamende individualiteit. Daarmee vestigen we ons meer ten volle in de goddelijke vonk in onze kern – het centrum van ons Zelf, de zetel van bewustzijn. In deze zin zijn we allemaal centra, en omdat goddelijkheid ALLES omvat, hebben die centra hun omtrek nergens – elk ervan is grenzeloos!
        De illusie die ervoor zorgt dat we gescheiden lijken van alle andere wezens en dingen is gebaseerd op wat we met onze fysieke ogen waarnemen op het fysieke gebied. Wat te denken van de oorzaken en essenties voorbij of achter het fysieke? Wetenschappers geloven nu dat het ongeziene maximaal misschien 99% uitmaakt van alles in het materiële heelal, dat gevuld is met dingen die uit golflengten of trillingen bestaan die buiten het beperkte waarnemingsgebied van ons oog en ons oor liggen. Zulke onzichtbare werelden kunnen feitelijk een enorme hoeveelheid levens huisvesten. In deze innerlijke werelden ligt de oorsprong van het fysieke bestaan.
        Deze onzichtbare werelden zijn ook niet ver weg; we ervaren ze dagelijks. Twee mensen die op elkaar zijn afgestemd kunnen vaak voelen of denken wat de ander voelt of denkt. Dit toont aan dat er andere gebieden of sferen van zijn bestaan waarin we trillingsgolven uitzenden die door degene die onze sympathie heeft, kunnen worden ‘gevoeld’ of ‘gelezen’. Een wereld die onzichtbaar is voor onze fysieke ogen en oren, een innerlijke wereld waarin we de innerlijke essentie van een ander levend wezen kunnen ontdekken – en alle dingen in het heelal leven!
        Deze wereld van ons die zich ontwikkelt kan soms behoorlijk verwarrend zijn. De dingen lijken toevallig te gebeuren, alsof ze uit het niets vandaan komen en laten ons de keus uit een reeks van tegenstrijdigheden. We kennen allemaal de tegenstellingen van dag en nacht, licht en duisternis, koude en hitte, hard en zacht. We slingeren vaak heen en weer tussen het ene uiterste en het andere, tussen goed en kwaad, tussen verdriet en vreugde, of twijfelen eenvoudig tussen die twee in een soort tweestrijd, terwijl we proberen van beide niet te veel te ondergaan. Maar hoe kunnen we vreugde ervaren als we nooit verdriet hebben geleden? Boeddhisten spreken over een middenweg, taoïsten over noch handelen noch niet handelen, christenen over alle dingen met mate, Somerset Maugham over de scherpe scheidslijn, en occultisten over de stem van de stilte – allemaal mengelingen en tegelijkertijd verwerpingen van de uitersten, ze zijn niet één van de twee en toch beide, en overstijgen zo de dualiteit.
        Op onze spiraalsgewijze reis door ons kosmische aardse huis ‘dalen’ we af in de materie en ‘klimmen’ weer op naar de sferen van de geest, en evolueren door de oneindige hiërarchieën van het leven. De theosofische literatuur geeft aan dat wij als mensen net voorbij het meest materiële punt, het punt halverwege deze kosmische cyclus van manifestatie, zijn. Maar het enige wat ik zeker weet is dat ik hier ben – Nu! Laat het het punt halverwege of een ander punt zijn, dit punt Nu is ons voortdurende uitgangspunt. Tijdelijk is het een cirkel met zijn middelpunt overal (omdat we alleen in staat zijn om in het huidige moment te leven, niet in het verleden of de toekomst) en zijn omtrek nergens (een oneindig aantal mogelijkheden om uit te putten).
        Dit alles, zowel het heelal als ons leven, wijzelf, wordt door gedachte bijeengehouden. Het klinkt misschien vreemd dat iets door gedachte wordt bijeengehouden, maar de kracht ervan is – wanneer ze goed wordt gebruikt – onbegrensd. We hebben ons eigen leven op basis daarvan gevormd. De reis die vóór ons mensen ligt strekt zich uit van ons eigen denken naar het goddelijke denken. En indien, zoals G. de Purucker zo vaak zei, ‘Liefde het cement van het heelal is’, dan is gedachte ongetwijfeld de essentie van ons leven. Daarmee brengen we onszelf en onze bestemming tot stand. Ze vormt onze lichamen, en toont ons onze koers in toekomstige levens. Haar instrument is karma, die wonderlijke kracht die alles in evenwicht brengt. Door ons motief en onze kracht sturen we haar terug naar onszelf. Douglas Hofstadter spreekt in Metamagical Themas over systemen die naar zichzelf verwijzen: systemen of dingen die naar zichzelf terugverwijzen. Het beste voorbeeld van zo’n systeem dat ik kan bedenken is karma: we zenden allemaal oorzaken uit en oogsten uiteindelijk de gevolgen wanneer deze teruggolven om ons in dit of een ander leven te treffen. In een systeem dat naar zichzelf terugverwijst, krijgt ‘ik denk, en daarom ben ik’ een heel nieuwe betekenis!
        Door ons bewustzijn in ons leven te richten op de opeenvolgende momenten van nu, en door ons ervan bewust te zijn dat er grootse dingen bereikbaar zijn door in ons meest innerlijke zelf te leven, kunnen we veel illusies doorbreken en beginnen we welwillend te leven in de krachtige eenheid die de uiteindelijke werkelijkheid van het heelal is. Het enige wat we moeten doen is: op dit moment beginnen!

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2002

© 2002 Theosophical University Press Agency