Het mysterie van het menselijke bewustzijn
Michael Cosser

 

Recent onderzoek naar de aard van het menselijke bewustzijn lijkt zich vooral te richten op de centrale vraag, Wat is een mens?, zonder werkelijk op de kern van het onderwerp in te gaan. De onduidelijke situatie waarin diegenen van ons die het onderwerp bewustzijn bestuderen zich bevinden, is misschien te danken aan de armoede van onze woordenschat om het subtiele denken dat nodig is om het te peilen, weer te geven. Onze taal is voornamelijk pragmatisch van aard, eerder goed aangepast aan de behoeften van de technologie dan verfijnd om in de mysteries van het zijn door te dringen.
        Het is volkomen duidelijk dat de mens in zijn karakteristieke kenmerken verschilt van alle andere soorten op deze planeet, en het voornaamste verschil komt tot uitdrukking in het vermogen van elke man of vrouw om bewust over zichzelf na te denken. Even belangrijk is ons vermogen om onze gedachten te projecteren in tijd en ruimte, met andere woorden: abstract denken. Mensen houden zich ook bezig met het hoe en waarom van de kosmos en van zichzelf. Geheugen en een soort voorspellen of voorzien, hangen samen met dit vermogen om op hetzelfde moment het verleden, het heden, en de toekomst in aanmerking te nemen terwijl we thuis of op kantoor zitten en erover nadenken of het ons als een dimensie voorstellen. We ervaren ook op vele gebieden humor.
        Deze kwaliteiten gaan samen met de innerlijke vaardigheid die we hebben om te denken – een proces dat niet alleen betrekking heeft op het beoordelen van indrukken die door de vijf zintuigen worden opgedaan, maar ook op het abstraheren van individuele gevallen of op het trekken van algemene conclusies op basis daarvan. Dat wil zeggen, we kunnen beginselen of natuurwetten waarnemen waaraan wezens en gebeurtenissen op aarde zijn onderworpen. Onze speculaties, die in feite vormloos zijn, volgen niet automatisch op wat onze zintuigen ons zeggen, maar vinden hun oorsprong in een aspect van onszelf dat zich aantoonbaar buiten het organisatievermogen van de hersencellen bevindt. Het is logischer zich de hersenen voor te stellen als het instrument van deze immateriële kant van ons wezen, dat meer functioneert als een telefonisch schakelbord van een grote onderneming dan als oorsprong van de dingen die we denken, doen of zeggen en die kenmerkend zijn voor een mens.
        Wat is bewustzijn dan als het iets anders is dan alleen maar gewaarwording, hetzij van de omgeving of zelfs de ervaring van het één-zijn van de natuur dat door de Zen roshi’s satori wordt genoemd? Het schijnt dat we op de beste manier daaraan betekenis kunnen geven als we ernaar verwijzen als de essentie van een levend wezen, een kloppend wezen van licht en geest. We kunnen visualiseren dat er stadia van het ontvouwen van potentiële kwaliteiten zijn terwijl ze uit deze essentie emaneren, en dat ze voorzien in de uiterlijke uitdrukking van innerlijke kwaliteiten. Het hele proces betreft eerder de evolutie van bewustzijn dan van de vormen ervan die uit elkaar voortkomen. Wanneer we dit idee verder doortrekken, kunnen we ons voorstellen dat groei in feite het vloeien van de getijdenstroom van wezens door het heelal is en niet beperkt is tot alleen onze planeet.
        Het lijdt geen twijfel dat er op aarde maar één enorme levensenergie is en niet verschillende rivalen voor de beperkte ruimte die ons ter beschikking staat. Als dit laatste wel het geval was, zouden er aanwijzingen zijn voor verschillende bronnen of disharmonische drijfveren tussen soorten, terwijl we bewijsmateriaal hebben dat alle wezens op aarde in nauwe relatie tot elkaar staan. Wetenschappers hebben deze harmonische samenhang gekarakteriseerd als een biosfeer of een ecologisch systeem. Wat de één beïnvloedt, heeft gevolgen voor het geheel, en de verantwoordelijkheid die op ons rust is groot omdat wij het vermogen hebben om beslissingen te nemen, en vrijheid van keuze en wilskracht hebben.
        Vrijheid van keuze, wilskracht, voorstellingsvermogen, en besluitvorming zijn geen onderscheidbare vermogens van substantie als zodanig, maar behoren tot het vormloze gebied van de mens, zijn essentie of bewustzijn. Sommige filosofische stelsels hebben gewezen op onze oneindige mogelijkheden, omdat ieder van ons een centrum van bewustzijn is. Want als goddelijkheid kan worden gesymboliseerd als een cirkel waarvan de omtrek nergens is – omdat deze oneindig is – maar waarvan het centrum overal is, dan zijn we allemaal dragers van dat centrum.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2002

© 2002 Theosophical University Press Agency