Als we denken aan het ‘derde oog’ komen er verschillende
dingen bij ons op. Sommigen zullen het misschien in verband brengen
met dieren zoals leguanen of de oude brughagedissen uit Nieuw Zeeland
die nog steeds een functioneel derde oog hebben, ook wel de pijnappelklier
genoemd. Het resultaat van hedendaags wetenschappelijk onderzoek bevestigt
de mogelijkheid dat dit orgaan het eerste in de natuur voorkomende oog
was, in het bijzonder bij de gewervelde dieren en de mens. Men staat
hier voor veel raadsels omdat de wetenschap de exacte functie van de
pijnappelklier nog niet kent. Microscopisch onderzoek heeft uitgewezen
dat deze uit cellen bestaat die de duidelijke kenmerken hebben van de
staafvormige lichtgevoelige cellen die in het netvlies voorkomen en
een aanwijzing zijn voor de mogelijke oorspronkelijke functie als een
gezichtsorgaan. De pijnappelklier blijkt signalen te ontvangen uit het
hersengebied die direct worden beïnvloed door de prikkels die langs
de gezichtszenuwen lopen, en ze scheidt het hormoon melatonine af dat
ook voorkomt in het netvlies van de twee ogen. Het blijkt dat dit hormoon
een rol speelt in het 24-uurs ritme, of de slaap-/waakcyclus, een proces
dat wetenschappers nog niet volledig begrijpen. In de theosofische literatuur
wordt echter gesteld dat deze klier aan de schedelbasis met de grootte
van een erwt, naast haar fysiologische functies een belangrijk psychofysiologisch
centrum of chakra is dat een rol speelt bij werkingen zoals helderziendheid
en intuïtie.
De mythen en tradities van de wereld bieden een vruchtbare bron van
informatie over de evolutie van de mens en het derde oog. Velen van
ons hebben gehoord van de Griekse mythe over de Cyclops, de eenogige
reus waartegen Ulysses vecht, of het mystieke oog van Siva dat intuïtie
of direct kosmisch inzicht symboliseert. In deze mythische tradities
komen ook oude rassen van reuzen en titanen voor die vele eeuwen geleden
zouden hebben geleefd. De tijdloze wijsheid van deze oude traditionele
kennis verschaft essentiële informatie over de manier waarop de
mensheid op aarde is ontstaan, en het combineren van de interpretaties
van de wetenschap en oude bronnen in het licht van de theosofie kan
ons een nieuw perspectief bieden op het verleden van de mensheid en
het derde oog.

Waarschijnlijk was het primitieve derde oog functioneel voordat onze
huidige twee ogen werden gevormd en het belangrijkst werden. Interessant
is dat zowel de pijnappelklier als de twee ogen vanuit weefsellagen
van de embryonale hersenen naar buiten steken – een normaal gegeven
in de embryologie. Dit is zeer veelbetekenend voor de evolutie van de
organen en zintuigen in het algemeen. De biologie erkent de pijnappelklier
als het eerst voorkomende oog in de natuur, in elk geval bij de meeste
primitieve gewervelde dieren. Bij ongewervelde dieren en lagere gewervelde
diersoorten ontwikkelden zich in de loop van honderden miljoenen jaren
verschillende soorten ogen. Een van de laagste gewervelde dieren die
een oog heeft is de larve van de zeeschede, en er is ook een primitieve
‘derde’ oogstructuur bij vissen, amfibieën en reptielen
– zelfs vogels hebben een lichtgevoelige pijnappelklier binnenin
de schedel.1 Het kan zijn dat sommige dinosaurussen
ook enorme derde ogen hebben gehad, te oordelen naar de openingen bovenop
hun schedels. De latere zoogdieren en zoogdierachtige dinosaurussen
hadden ook deze openingen, maar dit derde oog verdween al snel onder
de schedel en werd de pijnappelklier die bij de mens en bij de meeste
hogere gewervelde dieren wordt aangetroffen. Schapen hebben echter nog
steeds een pijnappelklier die direct wordt beïnvloed door helder
licht.
De wetenschap erkent dat alle organische wezens van een centraal voorgeslacht
afstamden. Het voornaamste verschil in de theosofische interpretatie
is dat de hoogste wezens – goden en het mensenrijk – de
lagere dieren- en plantenrijken hebben voortgebracht, en niet andersom.
Mensen zijn hier niet het eindresultaat van een transformatieproces
van lichaamssoorten, die zich hebben ontwikkeld van primitievere lichamen
tot hogere, zoals dat door de huidige wetenschappelijke theorie wordt
beschreven. Integendeel, de laagste goden of ‘engelen’ scheidden
astrale modellen af die op den duur de eerste fysieke menselijke vormen
werden. De vroegste astrale vóórmenselijke entiteiten
waren in essentie spirituele wezens met uiterlijke voertuigen geschikt
voor meer etherische stoffelijke gebieden. In de wetenschap wordt verondersteld
dat de fysieke stof tegenwoordig over het algemeen dezelfde is als honderden
miljoenen of miljarden jaren geleden, wat niet per definitie het geval
hoeft te zijn. We weten wel dat de aarde gasachtige en andere afkoelingsstadia
heeft doorgemaakt – een nevelachtig stadium bijvoorbeeld –
alvorens zich te verdichten tot een vaste vorm. Waarom zou er niet een
overeenkomstige precipitatie zijn geweest van de ‘organische’
natuurrijken, waaronder de vroege mensenrassen, naarmate ze vanuit een
meer etherische of astrale toestand fysiek werden?
Scheppingsverhalen bevatten en bewaren een geschiedenis van werelden
en van de mensheid die een ontzagwekkend lange periode beslaat. De vertellingen
erin hebben niet alleen betrekking op fysieke gebeurtenissen, maar ook
op de oorzakelijke, bewustzijnskant van de natuur. Volgens de beschrijvingen
in oude tradities hebben de mensheid en de andere natuurrijken één
gemeenschappelijke goddelijke oorsprong. Als godsvonken daalden ze af
in de stof gedurende enorm lange cyclussen van ervaring. De Ouden zagen
de evolutie als een zich ontvouwen van het innerlijke bewustzijn dat
de stof bezielt. De godsvonken groeien door ervaring en ontwikkelen
aardse voertuigen en zintuigen, evenals eigenschappen als intelligentie
en vrije wil. Deze zienswijze is in tegenspraak met de darwinistische
theorie die beweert dat alleen de dode stof zich toevallig door mutatie,
natuurlijke selectie en externe invloeden tot vormen evolueerde. Ongetwijfeld
spelen deze factoren mee, maar ze zijn niet de voornaamste oorzaken
van evolutie.
Volgens de theosofie is ons innerlijke wezen gebaseerd op het zevenvoudige
patroon van het levende heelal en delen wij in de goddelijkheid ervan.
Ons wezenlijke, onsterfelijke zelf bewaart een herinnering aan alles
dat het heeft geleerd gedurende reusachtige cyclussen van afdalen in
de stof en weer opstijgen naar de geest. Het aanwezige monadische bewustzijn
brengt onze ziel of tussennatuur voort, die talloze keren in de verschillende
natuurrijken incarneert op weg om mens te worden. Tijdens deze reis
is er een drievoudige evolutie van lichaam, ziel en geest, waarbij elk
van deze elementen zich langs zijn eigen individuele weg ontwikkelt
met zijn eigen geheugen. De mensheid heeft zich volgens ditzelfde cyclische
patroon geëvolueerd van etherische tot stoffelijke en weer terug
tot etherische substantie, een proces dat in de theosofische literatuur
soms wordt omschreven als zeven wortelrassen, waarbij wortelras
een algemene term is die de hele mensheid beschrijft die in een bepaalde
cyclus bestaat. Het eerste wortelras is bijzonder etherisch, het vierde
het meest stoffelijke, en het zevende is weer etherisch.
Volgens H.P. Blavatsky was de fysieke natuur aan het begin van het
derde wortelras, dat meer dan 18 miljoen jaar geleden zou zijn begonnen,
veel plastischer, en de toekomstige menselijke entiteit nam vele vormen
aan. Deze ontwikkelingen gingen gepaard met innerlijke bewustzijnskrachten
die zich vermengden met materie om ons psychische element te vormen,
dat samenwerkt met de fysieke natuur om de hersenen te vervolmaken en
de zintuigen in staat stelt te functioneren. De zintuig-organen ontwikkelden
zich tegelijk met de buitenste ‘huidlagen’, naarmate de
reusachtige etherische menselijke voorouders zich geleidelijk materialiseerden.
Het denkvermogen is de verbindende schakel tussen hemels en aards bestaan,
een noodzakelijk bestanddeel van evolutie en voltooiing. Er is geen
bevredigende wetenschappelijke verklaring voor de vraag waarom de hersenschors
van de mens, het fysieke orgaan van de intelligentie die wij zo hoogschatten,
bijna drie keer zo groot wordt gedurende de eerste jaren na de geboorte.
Het weerspiegelt volgens mij de gedenkwaardige gebeurtenissen die plaatsvonden
aan het begin van de evolutie van de mens met het ontwaken van het denkvermogen,
dat in de theosofische literatuur ongeveer 18 miljoen jaar geleden is
gedateerd.
Het thema van het ontwaken van het denkvermogen en de gevolgen ervan
treft men ook aan in oude mythen. In de Oud-Noorse mythologie, bijvoorbeeld,
wordt ons verteld dat de God Odin één van zijn ogen –
dat het derde oog van het spirituele inzicht symboliseert – moest
opofferen om te drinken uit de Bron van Wijsheid (dat betekent om cyclussen
in de stof te ervaren). Dit en andere verhalen over de gevallen engelen
of over Adam en Eva verwijzen naar de vroege evolutiestadia van de mens
en naar de scheiding van de geslachten bijna halverwege het derde wortelras.
Gedurende dit tijdperk vond er een enorme ontwikkeling plaats van de
hersenen, het orgaan van het intellect, en goddelijke leermeesters zouden
de kunsten en wetenschappen en geheimen van de natuur aan de zich ontwikkelende
mensheid hebben onderwezen. Zij hebben de oorspronkelijke kennis ingeprent
op ons innerlijke wezen, daarbij geholpen door het directe zien van
goddelijke realiteiten door het derde oog. Naarmate dit wortelras van
drie-ogige reuzen echter stoffelijker werd en spiritueel gezien minder
onschuldig, trokken de goden zich terug.
Volgens De Geheime Leer vallen de geestelijke en psychische
involutie samen met de fysieke evolutie, zodat de
geestelijke en psychische zintuigen van de eerste mensenrassen terugweken
gedurende de ontwikkeling van de uiterlijke zintuigen. Het derde oog
was een actief orgaan . . . waarin het geestelijke
element in de mens de nauwelijks geboren intellectuele en psychische
elementen overheerste. En terwijl de cyclus zijn loop naar beneden
voortzette tot dat punt waarop de fysiologische zintuigen werden ontwikkeld
door, en gelijke tred hielden met, de groei en de consolidatie van
de stoffelijke mens . . . verschrompelde tenslotte dat middelste ‘oog’,
samen met de eerste geestelijke en zuiver psychische eigenschappen
van de mens. – 2:337
Wat eerder citeert Helena Blavatsky een oude toelichting die luidt:
‘Er waren vierarmige menselijke wezens in die oude tijden
van de man-vrouwen (hermafrodieten); met één
hoofd, maar toch drie ogen. Zij konden vóór en achter
zich zien.’ Vervolgens merkt ze op in een voetnoot:
Het derde oog bevond zich namelijk aan de achterkant
van het hoofd. De mededeling dat de laatste hermafrodiete mensheid
‘vierarmig’ was, ontraadselt waarschijnlijk het mysterie
van al de voorstellingen en afbeeldingen van de exoterische goden
van India. Op de Acropolis van Argos was er een
,
een ruw gesneden houten beeld (toegeschreven aan Daedalus), dat een
drie-ogige kolos voorstelt, die was gewijd aan Zeus-Triopas
(drie-ogig). Het hoofd van de ‘god’ heeft twee ogen in
het gezicht en één bovenaan het voorhoofd. Het wordt
beschouwd als een van de meest archaïsche van alle oude beelden
. . .
De oude Toelichting vervolgt: ‘Een kalpa later (na de
scheiding van de geslachten), toen de mensen in de stof waren gevallen,
werd hun geestelijke blik vaag; en tegelijk begon het derde oog zijn
kracht te verliezen’ (2:332).
De vroege varianten van de mensheid waren wat betreft grootte en vorm
voor een deel experimenten in de fysieke natuur, waarbij hulp werd gegeven
door goddelijke intelligenties; en het meest stoffelijke stadium bracht
de grootste verscheidenheid aan mensensoorten voort. In vroegere aardse
cyclussen of ‘ronden’ doorliepen de menselijke monaden de
levensstadia van mineralen, planten en dieren, van de laagste tot de
hoogste. Gedurende deze eerste ronden volgde het mensenrijk de grondpatronen
van planten en dieren die hadden bestaan in eerdere belichamingen van
de aarde en gebruikte daarbij etherische substantie om zijn voertuigen
te vormen. Deze korte herhaling van de evolutionaire ontwikkeling door
de astrale mensheid bracht algemene prototypen voort die werden gebruikt
door de dieren die zich op hun eigen bijzondere manier aanpasten en
geleidelijk afweken van de eenvoudige vorm van de menselijke hoofdlijn.
Toch bleven gewervelde diersoorten, waaronder de mensen, bepaalde fundamentele
elementen gemeenschappelijk houden, zoals het derde oog, de vijf zintuigen
– en zelfs staarten!
De biologie erkent dat het menselijke embryo vanuit een enkele cel
stadia doorloopt die lijken op de verschillende rijken. Er is bijvoorbeeld
een visstadium met kieuwspleten, een reptielstadium met een staart en
er zijn ook zoogdierstadia. Sommige kinderen worden nog steeds geboren
met resten van een kieuwspleet of een waarneembare staart. De vraag
is, waarom zou de ene of de andere afwijking nu kunnen verschijnen als
de primaire herinnering aan deze vroege evolutie niet nog steeds in
ons oorspronkelijk protoplasma en misschien ook in de genen is ingeprent?
Onderzoek wijst erop dat mensen extra DNA hebben dat wordt opgeslagen
maar niet onmiddellijk schijnt te worden gebruikt.
Volgens de theosofie was het vierde wortelras in het begin drie-ogig
en leefde in de meest stoffelijke periode van de fysieke evolutie van
de mens, toen geest en stof in evenwicht waren op de neergaande boog.
Zij moeten enorm groot zijn geweest, met titanische kracht en een grote
intelligentie die hen in staat stelde hoogontwikkelde beschavingen voort
te brengen. Maar voor de ontwikkeling van het denkvermogen, de vijf
zintuigen, het persoonlijke ego, en de lagere begeerten moest een prijs
worden betaald: het derde oog werkte niet langer als een geestelijk
orgaan, behalve bij hoogontwikkelde mensen voor wie het derde oog harmonieus
functioneerde met hun geestelijke aard. Bij de meerderheid moest het
‘innerlijke zien’ worden opgewekt en verworven door kunstmatige
prikkels die aan de archaïsche wijzen bekend zijn. Daarna ‘versteende’
het derde oog geleidelijk en verdween, diep teruggetrokken in het hoofd.
Maar wanneer het werkelijke zelf actief is gedurende trances en geestelijke
visioenen, zou dit oorspronkelijke oog zelfs nu opzwellen en uitzetten
(vgl. De Geheime Leer 2:332-3).
Elk evolutiestadium getuigt van een grote intelligentie en wijsheid.
De innerlijke krachten van het bewustzijn en hun onmisbare circulatie
werken door middel van de uitwendige functies van de zintuigen en het
lichaam. Het denkvermogen en de zintuigen zijn paden voor occulte energieën
die werken door middel van verschillende psychofysieke centra of chakra’s,
waarvan de hoogste de pijnappelklier is. Deze centra blijven zich ontwikkelen
terwijl wij evolueren tot geest. Dus terwijl het derde oog of de pijnappelklier
bepaalde fysiologische werkingen heeft in combinatie met de hypofyse
– samen reguleren ze het ritme van stofwisseling en groei –
is het ook het fysieke orgaan van intuïtie, inspiratie, geestelijk
inzicht, en goddelijk denken. Blavatsky zegt dat de pijnappelklier ‘precies
de sleutel is naar het hoogste en meest goddelijke bewustzijn in de
mens – zijn alwetende, geestelijke en allesomvattende geest’.
Het is ‘de slinger die, als het uurwerk van de innerlijke
mens eenmaal is opgewonden, het geestelijke inzicht van het ego naar
de hoogste niveaus van waarneming voert, waar zich aan dat ego een horizon
ontvouwt die vrijwel oneindig is’ (Studies in Occultism,
blz. 199-200). Wanneer het hart, het centrum van de menselijke geestelijke
monade, volkomen in harmonie met de pijnappelklier vibreert, worden
de twee als één. De hypofyse, het orgaan van de wil, vibreert
dan gelijktijdig, waardoor een goddelijk wezen ontstaat met een vrijwel
onbeperkte visie.
Ook nu nog is de pijnappelklier de bron van helderziende vermogens
en intuïtief bewustzijn. Telkens als we een voorgevoel hebben vibreert
deze klier zachtjes; wanneer we een ingeving of flits van intuïtief
begrijpen hebben, vibreert ze sterker, hoewel nog steeds zachtjes. ‘Het
gaat echter moeizaam, hoofdzakelijk door toedoen van de twee ogen die
de overhand kregen. In de loop van de tijd zullen de twee ogen geleidelijk
volmaakter gaan functioneren, maar zullen in betekenis afnemen; en het
‘eerste oog’ zal weer in ere worden hersteld’ (G.
de Purucker, Mens en Evolutie, blz. 214). Hoe krachtig ze in
ieder van ons werkt hangt af van de mate waarin we onze geestelijke
gaven cultiveren, want als de pijnappelklier actief is ontvangt ze rechtstreeks
stralen van het kosmische denkvermogen.
Terwijl we vorderen op de boog van geestelijke ontwikkeling, is het
aan ieder van ons afzonderlijk onze energieën te beheersen en in
evenwicht te brengen. In de meeste gevallen is het onverstandig ons
bewust in te laten met het derde oog of andere psychofysieke centra,
omdat ons huidige inzicht eenvoudig niet voldoende is: we hebben nog
veel te leren als embryonale goden, wezens van bewustzijn en materie,
terwijl we geestelijk evolueren. De meest effectieve manier om de mogelijkheden
die door het derde oog worden uitgedrukt te ontwikkelen is door welbewust
de beste onzelfzuchtige karaktereigenschappen en intuïtie in ons
dagelijks leven toe te passen. Door dit pad te volgen zal de rest komen
als de tijd rijp is en we gereed zijn meer te ontvangen.
Verwijzing
- Vergelijk The Third Eye door Richard Meakin,
University of California Press, 1973.