De ziel hunkert naar een opvoeding waarin haar vermogens evenwichtig
tot ontwikkeling worden gebracht: waarbij, hoewel het materiële
bestaan en al wat daartoe behoort niet uit het oog worden verloren,
het geestelijke leven zijn rechtmatige plaats krijgt, zodat het in het
denken een voedingsbodem kan vormen voor het onderscheidingsvermogen
of de intuïtie, die in onze tijd bijna niet voorkomen. Kinderen
worden geboren om iets beters te ondervinden dan de ontvangst die ze
krijgen, zelfs in het beste gezin. Ze komen met het verlangen gehoor
te vinden voor de hunkering van het geestelijke deel van hun wezen dat
niet door materiële zaken kan worden bevredigd: en ouders kunnen
hun liefde niet tot uitdrukking brengen om aan deze diepste behoeften
te voldoen tenzij ze zelf weten wat werkelijk leven, geestelijk leven,
betekent en de mysteriën ervan met eerbiedig begrip onder ogen
kunnen zien.
Wij komen in de wereld met het licht van onze goddelijkheid dat ons
beschijnt, om dan door de opvoeding en de omgeving die ons hier te wachten
staan blind te worden gemaakt; maar we blijven hunkeren naar het zonlicht.
De opvattingen die we ons eigen maken zijn zó begrensd, de doelstellingen
die ons worden aangereikt zó bekrompen en onwaardig dat we oud
beginnen te worden terwijl we nog jong zouden moeten zijn, en sterven
voordat we geheel volwassen zijn geworden. Wij leven maar weinige jaren
voordat ons hele denken zich op de dood richt, en toch zou jeugdigheid
in al haar overvloed en volheid in het leven kunnen worden gevonden
als we zeventig zijn!
Als hun kind is geboren en de natuur het kleine bezielde lichaam heeft
voortgebracht waar moeders zo liefhebbend voor zorgen, hoeveel van die
moeders realiseren zich dan dat er aan dit lichaam een ziel is verbonden
(die gedurende de eerste jaren als het ware slaapt) die daarin haar
noodzakelijke ervaring moet opdoen en zich moet ontwikkelen; een ziel,
een juweel van de goden, die in hun leven is gekomen om van hen te leren
en om hen te onderrichten, om hen te helpen en om geholpen te worden?
‘De ziel behoort aan de onsterfelijken; het lichaam is mij geschonken
opdat ik het tot een tempel van de levende god zal maken’ –
hoeveel moeders houden zich dat voor?
Als we niet weten wat wijzelf nodig hebben, hoe kunnen we dan de behoeften
van onze kinderen begrijpen? Wij bezien die kleine mysteries als iets
dat helemaal van ons is, nemen ze vanaf het allereerste begin in bezit
en proberen hun leven vorm te geven volgens onze eigen opvattingen,
en vergeten dat ze zielen zijn met hun eigen rechten en individualiteit.
Wat hebben we een haast om druk op hen uit te oefenen, om onze leerstellingen
en ideeën en geloofsovertuigingen erin te stampen! We houden van
ze en willen dat ze vooruitkomen, en we zouden wel voor hen willen lijden
of sterven, maar we sluiten hen op binnen het kleine gebied van onze
persoonlijke opvattingen en doordringen hun leven met onze eigenaardigheden.
We zouden ze tot een deel van onszelf willen maken en voor hen verborgen
houden dat ze een deel zijn van het grote universele leven. Door onze
inspanning om ze te onderrichten, sluiten we ze uit van de grotere lessen
van de universele natuur.
In hun zorgzaamheid omgeven ouders hun kinderen, zoveel ze kunnen,
met alles wat het fysieke leven te bieden heeft. Ze drukken ze aan hun
hart en maken grote plannen voor hun toekomst die ze zich alleen in
termen van een leven van zeventig tot honderd jaar kunnen voorstellen.
Ze weten niet wat het lot van hun kinderen zal zijn en evenmin of, wanneer,
en hoe ze hen zullen weerzien. Ze kijken niet naar wat de evolutie van
de ziel in de toekomst zal brengen. Zij die van mening zijn dat we maar
eenmaal leven, kunnen de weidsheid en uitgestrektheid van de menselijke
evolutie niet zien.
De waarheid probeert altijd om zich tot uitdrukking te brengen: niet
in geloofsbelijdenissen en verbale formules, maar als hogere bewustzijnstoestanden.
De toekomstige moeder zou een diep besef van het heilige mysterie van
het leven moeten hebben, maar geen dogma’s die op traditie en
geloof zijn gebaseerd en waarin geen greintje kennis zit. Het mysterie
van het leven dient te worden begrepen, anders zal het ongeboren kind
worden beïnvloed, niet door geestelijke verlichting, niet door
werkelijkheidszin, maar louter door meningen en zal geestelijk een soort
honger lijden. Het is teruggekeerd, als een vreemdeling, bij hen van
wie het zo lang was gescheiden, en maakt aanspraak op een geestelijke
verwelkoming; en verlangt om tijdens het eerste kloppen van zijn hart
vóór zijn geboorte de verheven invloed van de waarheid
te ondergaan – geestelijke waarheid die zich manifesteert als
hogere bewustzijnstoestanden in de ouders en die aan hun gedachten en
handelingen op zo’n manier vormgeeft dat daardoor voor het kind
een levensvoertuig wordt opgebouwd dat geschikt is voor een ziel. Maar
al te vaak hebben ze het niets anders te geven dan de sfeer van de dode
meningen van deze en voorbije tijden: geen levende waarheid, geen besef
van het goddelijke dat altijd aanwezig is en dat door het hart en het
denken van de mens heen schijnt.
En de kinderen worden dus niet op de juiste manier verwelkomd. Hun
leven wordt voorbereid en begint in een sfeer van onzekerheid, onrust,
en vóór en na de geboorte hunkeren ze naar dat geestelijke
licht en die vrede waar ieder mens van nature recht op heeft –
want het is het bewustzijn van de goddelijke aard in ieder van ons.
Aan een mens denken betekent aan een ziel denken: een bewoner van de
eeuwigheid die altijd onderweg is op het evolutiepad, wijsheid zoekt,
en wordt gedreven die te zoeken door een gevoel van onvolkomenheid en
door een honger naar de volheid van zijn eigen wezen. Alleen egoïsten
zijn zelfvoldaan. De normale mens voelt in zich dat verlangen naar vervollediging,
en dat is het streven van de goddelijke waarheid om zich door middel
van hem te manifesteren. Hij is ongeduldig over het feit dat hij tekortschiet
om de mysteries van het leven te begrijpen.
Zo worden we vaak heen en weer gedreven, en onze koers zigzagt van
het ene denkstelsel naar het andere. Onze keuzen in het leven worden
bepaald door de psychologische invloeden van de tijd waarin we leven:
door de gangbare meningen en de kleine ontdekkingen van de wetenschap,
of door een of ander boek dat misschien tijdelijk een grote bekendheid
geniet. Er is weinig ontwikkelingsmogelijkheid voor mensen die op die
manier afhankelijk zijn van zulke kortstondige richtlijnen. Het kan
gebeuren dat honderden moeders die, terwijl ze experimenteren en allerlei
zaken lezen over kinderverzorging of lezingen bijwonen, hun kinderen
intussen iets goddelijks onthouden, dat, wanneer het eenmaal is verworven,
nooit meer verloren kan gaan, iets dat alleen vóór de
geboorte en in de vroegste kinderjaren kan worden verworven via de kennis
die de moeder heeft van de wetten, de mysteries, en de verantwoordelijkheden
van het leven.
Indien ouders deze wezenlijke behoeften van hun kinderen op de juiste
manier zouden begrijpen, zouden ze het onderwerp zelfloutering in een
ander licht zien en van hun huis een altaar van zuiverheid maken. Er
is een bredere visie nodig op de betekenis van geluk: dit is de manier
van denken waardoor ze hun ware zelf zouden kunnen ontdekken en een
begin kunnen maken met de opbouw van een betere mensheid. De wereld
heeft behoefte aan moeders en vaders met een heldere, rustige geest,
voor wie het gezin het heilige centrum is van het leven van de mens,
waar disharmonie niet wordt toegelaten, waar de tijd als te kostbaar
wordt beschouwd om te worden gebruikt voor veel dingen die voor de meesten
van ons maar al te belangrijk lijken; waar de plicht tegenover onszelf,
tegenover de kinderen, tegenover de mensheid goed wordt begrepen en
vastberaden wordt vervuld.
Alle andere zaken in het leven zou men moeten opofferen om in het gezin
de christosgeest te bevorderen. Waar men daarnaar verlangt, daar is
hulp te verwachten. Wie ernaar verlangt iets edels te doen – en
zich in zijn hart voortdurend daarop richt, het meest innerlijke heiligdom
van zijn wezen naspeurt, en licht en hulp verlangt – zal uit de
onvergankelijke bron krijgen wat hij vraagt, maar niet door een speciale
gunst: de godheid in de ziel geeft altijd gehoor aan de oproep van de
ziel die ervoor openstaat en gereed is te ontvangen. Die godheid is
er, achter ons dagelijkse bewustzijn, en spoort ons onophoudelijk aan
tot gedachtevluchten in de uitgestrekte hemelen van de waarheid.
Men hoeft zijn eigen huis niet te verlaten om deze dingen te weten
te komen. Kennis daarvan is te vinden in de meest innerlijke verborgenheden
van ons wezen; en wie haar daar vindt, wordt onaantastbaar voor uiterlijke
invloeden. Wanneer de ziel de beheersing over het denken heeft verkregen,
is ze met geloof niet tevreden, maar dan wil ze vandaag nog kennis hebben
en morgen nog meer kennis, vandaag geluk en morgen meer geluk, totdat
alle bloemen in de tuin iedere ochtend mooier voor haar bloeien en de
vogels liefelijker zingen en de zon schitterender schijnt. Want zij
die deelhebben aan deze wijsheid en hun zinnen erop hebben gezet om
zo’n leven te leiden, worden gevoed aan de tafel van de meester.