Het verwelkomen van onze kinderen
Katherine Tingley

 

De ziel hunkert naar een opvoeding waarin haar vermogens evenwichtig tot ontwikkeling worden gebracht: waarbij, hoewel het materiële bestaan en al wat daartoe behoort niet uit het oog worden verloren, het geestelijke leven zijn rechtmatige plaats krijgt, zodat het in het denken een voedingsbodem kan vormen voor het onderscheidingsvermogen of de intuïtie, die in onze tijd bijna niet voorkomen. Kinderen worden geboren om iets beters te ondervinden dan de ontvangst die ze krijgen, zelfs in het beste gezin. Ze komen met het verlangen gehoor te vinden voor de hunkering van het geestelijke deel van hun wezen dat niet door materiële zaken kan worden bevredigd: en ouders kunnen hun liefde niet tot uitdrukking brengen om aan deze diepste behoeften te voldoen tenzij ze zelf weten wat werkelijk leven, geestelijk leven, betekent en de mysteriën ervan met eerbiedig begrip onder ogen kunnen zien.

Wij komen in de wereld met het licht van onze goddelijkheid dat ons beschijnt, om dan door de opvoeding en de omgeving die ons hier te wachten staan blind te worden gemaakt; maar we blijven hunkeren naar het zonlicht. De opvattingen die we ons eigen maken zijn zó begrensd, de doelstellingen die ons worden aangereikt zó bekrompen en onwaardig dat we oud beginnen te worden terwijl we nog jong zouden moeten zijn, en sterven voordat we geheel volwassen zijn geworden. Wij leven maar weinige jaren voordat ons hele denken zich op de dood richt, en toch zou jeugdigheid in al haar overvloed en volheid in het leven kunnen worden gevonden als we zeventig zijn!

Als hun kind is geboren en de natuur het kleine bezielde lichaam heeft voortgebracht waar moeders zo liefhebbend voor zorgen, hoeveel van die moeders realiseren zich dan dat er aan dit lichaam een ziel is verbonden (die gedurende de eerste jaren als het ware slaapt) die daarin haar noodzakelijke ervaring moet opdoen en zich moet ontwikkelen; een ziel, een juweel van de goden, die in hun leven is gekomen om van hen te leren en om hen te onderrichten, om hen te helpen en om geholpen te worden? ‘De ziel behoort aan de onsterfelijken; het lichaam is mij geschonken opdat ik het tot een tempel van de levende god zal maken’ – hoeveel moeders houden zich dat voor?

Als we niet weten wat wijzelf nodig hebben, hoe kunnen we dan de behoeften van onze kinderen begrijpen? Wij bezien die kleine mysteries als iets dat helemaal van ons is, nemen ze vanaf het allereerste begin in bezit en proberen hun leven vorm te geven volgens onze eigen opvattingen, en vergeten dat ze zielen zijn met hun eigen rechten en individualiteit. Wat hebben we een haast om druk op hen uit te oefenen, om onze leerstellingen en ideeën en geloofsovertuigingen erin te stampen! We houden van ze en willen dat ze vooruitkomen, en we zouden wel voor hen willen lijden of sterven, maar we sluiten hen op binnen het kleine gebied van onze persoonlijke opvattingen en doordringen hun leven met onze eigenaardigheden. We zouden ze tot een deel van onszelf willen maken en voor hen verborgen houden dat ze een deel zijn van het grote universele leven. Door onze inspanning om ze te onderrichten, sluiten we ze uit van de grotere lessen van de universele natuur.

In hun zorgzaamheid omgeven ouders hun kinderen, zoveel ze kunnen, met alles wat het fysieke leven te bieden heeft. Ze drukken ze aan hun hart en maken grote plannen voor hun toekomst die ze zich alleen in termen van een leven van zeventig tot honderd jaar kunnen voorstellen. Ze weten niet wat het lot van hun kinderen zal zijn en evenmin of, wanneer, en hoe ze hen zullen weerzien. Ze kijken niet naar wat de evolutie van de ziel in de toekomst zal brengen. Zij die van mening zijn dat we maar eenmaal leven, kunnen de weidsheid en uitgestrektheid van de menselijke evolutie niet zien.

De waarheid probeert altijd om zich tot uitdrukking te brengen: niet in geloofsbelijdenissen en verbale formules, maar als hogere bewustzijnstoestanden. De toekomstige moeder zou een diep besef van het heilige mysterie van het leven moeten hebben, maar geen dogma’s die op traditie en geloof zijn gebaseerd en waarin geen greintje kennis zit. Het mysterie van het leven dient te worden begrepen, anders zal het ongeboren kind worden beïnvloed, niet door geestelijke verlichting, niet door werkelijkheidszin, maar louter door meningen en zal geestelijk een soort honger lijden. Het is teruggekeerd, als een vreemdeling, bij hen van wie het zo lang was gescheiden, en maakt aanspraak op een geestelijke verwelkoming; en verlangt om tijdens het eerste kloppen van zijn hart vóór zijn geboorte de verheven invloed van de waarheid te ondergaan – geestelijke waarheid die zich manifesteert als hogere bewustzijnstoestanden in de ouders en die aan hun gedachten en handelingen op zo’n manier vormgeeft dat daardoor voor het kind een levensvoertuig wordt opgebouwd dat geschikt is voor een ziel. Maar al te vaak hebben ze het niets anders te geven dan de sfeer van de dode meningen van deze en voorbije tijden: geen levende waarheid, geen besef van het goddelijke dat altijd aanwezig is en dat door het hart en het denken van de mens heen schijnt.

En de kinderen worden dus niet op de juiste manier verwelkomd. Hun leven wordt voorbereid en begint in een sfeer van onzekerheid, onrust, en vóór en na de geboorte hunkeren ze naar dat geestelijke licht en die vrede waar ieder mens van nature recht op heeft – want het is het bewustzijn van de goddelijke aard in ieder van ons.

Aan een mens denken betekent aan een ziel denken: een bewoner van de eeuwigheid die altijd onderweg is op het evolutiepad, wijsheid zoekt, en wordt gedreven die te zoeken door een gevoel van onvolkomenheid en door een honger naar de volheid van zijn eigen wezen. Alleen egoïsten zijn zelfvoldaan. De normale mens voelt in zich dat verlangen naar vervollediging, en dat is het streven van de goddelijke waarheid om zich door middel van hem te manifesteren. Hij is ongeduldig over het feit dat hij tekortschiet om de mysteries van het leven te begrijpen.

Zo worden we vaak heen en weer gedreven, en onze koers zigzagt van het ene denkstelsel naar het andere. Onze keuzen in het leven worden bepaald door de psychologische invloeden van de tijd waarin we leven: door de gangbare meningen en de kleine ontdekkingen van de wetenschap, of door een of ander boek dat misschien tijdelijk een grote bekendheid geniet. Er is weinig ontwikkelingsmogelijkheid voor mensen die op die manier afhankelijk zijn van zulke kortstondige richtlijnen. Het kan gebeuren dat honderden moeders die, terwijl ze experimenteren en allerlei zaken lezen over kinderverzorging of lezingen bijwonen, hun kinderen intussen iets goddelijks onthouden, dat, wanneer het eenmaal is verworven, nooit meer verloren kan gaan, iets dat alleen vóór de geboorte en in de vroegste kinderjaren kan worden verworven via de kennis die de moeder heeft van de wetten, de mysteries, en de verantwoordelijkheden van het leven.

Indien ouders deze wezenlijke behoeften van hun kinderen op de juiste manier zouden begrijpen, zouden ze het onderwerp zelfloutering in een ander licht zien en van hun huis een altaar van zuiverheid maken. Er is een bredere visie nodig op de betekenis van geluk: dit is de manier van denken waardoor ze hun ware zelf zouden kunnen ontdekken en een begin kunnen maken met de opbouw van een betere mensheid. De wereld heeft behoefte aan moeders en vaders met een heldere, rustige geest, voor wie het gezin het heilige centrum is van het leven van de mens, waar disharmonie niet wordt toegelaten, waar de tijd als te kostbaar wordt beschouwd om te worden gebruikt voor veel dingen die voor de meesten van ons maar al te belangrijk lijken; waar de plicht tegenover onszelf, tegenover de kinderen, tegenover de mensheid goed wordt begrepen en vastberaden wordt vervuld.

Alle andere zaken in het leven zou men moeten opofferen om in het gezin de christosgeest te bevorderen. Waar men daarnaar verlangt, daar is hulp te verwachten. Wie ernaar verlangt iets edels te doen – en zich in zijn hart voortdurend daarop richt, het meest innerlijke heiligdom van zijn wezen naspeurt, en licht en hulp verlangt – zal uit de onvergankelijke bron krijgen wat hij vraagt, maar niet door een speciale gunst: de godheid in de ziel geeft altijd gehoor aan de oproep van de ziel die ervoor openstaat en gereed is te ontvangen. Die godheid is er, achter ons dagelijkse bewustzijn, en spoort ons onophoudelijk aan tot gedachtevluchten in de uitgestrekte hemelen van de waarheid.

Men hoeft zijn eigen huis niet te verlaten om deze dingen te weten te komen. Kennis daarvan is te vinden in de meest innerlijke verborgenheden van ons wezen; en wie haar daar vindt, wordt onaantastbaar voor uiterlijke invloeden. Wanneer de ziel de beheersing over het denken heeft verkregen, is ze met geloof niet tevreden, maar dan wil ze vandaag nog kennis hebben en morgen nog meer kennis, vandaag geluk en morgen meer geluk, totdat alle bloemen in de tuin iedere ochtend mooier voor haar bloeien en de vogels liefelijker zingen en de zon schitterender schijnt. Want zij die deelhebben aan deze wijsheid en hun zinnen erop hebben gezet om zo’n leven te leiden, worden gevoed aan de tafel van de meester.

 
Andere artikelen over gezinsleven, opvoeding
 

Uit het tijdschrift Sunrise maart/april 2003

© 2003 Theosophical University Press Agency