Jaren geleden, tijdens de bijzondere Olympische Spelen in Seattle,
verzamelden negen deelnemers, allen lichamelijk of verstandelijk gehandicapt,
zich aan de start voor de honderd meter sprint. Bij het startschot begonnen
ze allemaal, niet precies aan een sprint, maar met plezier om mee te
doen aan de wedstrijd, de finish te halen en te winnen. Dat gold voor
allemaal, behalve één kleine jongen, die struikelde op
het asfalt, een paar keer omtuimelde en begon te huilen.
De andere acht hoorden de jongen huilen. Ze minderden snelheid en keken
achterom. Toen keerden ze allemaal om en gingen terug . . . niet één
uitgezonderd.
Eén meisje met het syndroom van Down bukte en kuste hem en zei,
‘Hiermee gaat het over’. Toen gaven alle negen elkaar een
arm en liepen gezamenlijk naar de finish. Iedereen in het stadion ging
staan en het gejuich duurde enkele minuten. Tot op de dag van vandaag
vertellen mensen nog steeds uitvoerig dit verhaal.
Waarom? Omdat we in ons binnenste dít weten: In het leven zijn
er dingen van groter belang dan voor onszelf te winnen. Wat in dit leven
van belang is, is om anderen te helpen winnen, zelfs als het betekent
dat we snelheid moeten minderen en van richting moeten veranderen. ‘Een
kaars verliest niets door een andere kaars te ontsteken.’