Goden en atomen
Bill Dougherty

 

De uitgestrektheid van de nachtelijke hemel roept een grote vraag op: Wat betekent het allemaal? Zolang de mens als een zelfbewust wezen op deze aarde rondloopt, heeft hij over deze vraag nagedacht. Als we de korte tijd van de eeuwen die wij de menselijke geschiedenis noemen onderzoeken, dan zien we dat onze verre voorouders in een heel andere wereld leefden, een wereld vol levende geesten van allerlei gradaties en met allerlei vermogens. De laagsten waren quasi-bewuste bewoners van een onderwereld van mysterieuze krachten die het ‘mechanisme’ van het dagelijkse leven voortbrachten. Deze wezens konden worden beïnvloed en hun activiteit kon zelfs worden gericht door hen die wijs genoeg waren om deze elementale entiteiten en de beginselen die hun activiteiten bepalen te begrijpen. Zij die niet in staat waren deze te begrijpen, konden erdoor worden weggevaagd, maar de wijze mens was altijd meester over zijn eigen lot. Hij begreep zijn plaats in de natuur, en kende zijn verantwoordelijkheid tegenover zichzelf en anderen. Hij was zich bewust van zijn geboorterecht als een zelfbewust spiritueel wezen, en leerde hoe hij moest samenwerken met de natuur en met de goddelijke entiteiten die met hun wil de ordelijke vooruitgang van het leven en van de groei waarborgden.
    Over allen werd gewaakt en allen werden beschermd door ontelbaar veel goden – hun lichtgevende lichamen waren de sterren die fonkelend door de donkere nacht van de oneindigheid schenen. Van goden tot mensen tot atomen, alles was in werkelijkheid een eindeloos gevarieerde caleidoscopische weerspiegeling van onze onderliggende eenheid als goddelijke wezens. Terwijl menselijke zelfzucht deze levende stroom van geestelijke energie tijdelijk uit evenwicht kon brengen of zelfs verstoren, herstelde de natuur onveranderlijk de harmonie. Ongetwijfeld hebben in iedere eeuw individuen hun eigen gezichtspunten en waarden gevormd. Maar door de eeuwen heen kon dit alomvattende idee van een universum van spiritueel bewustzijn in de leringen van de grote zieners en in verschillende aspecten van het denken van alledag worden gevonden.
    Met de komst van de Westerse Verlichting richtten vele denkers een kunstmatige barrière op tussen de twee belangrijkste uitdrukkingen van bewustzijn – geest en materie. Wetenschappers en geestelijken kwamen stilzwijgend overeen dat elk van hen zich voortaan maar op één van beide vormen zou concentreren – de wetenschappers op de materie en de mensen van de kerk op de geest. Dit tijdelijke bestand vermeed de kwestie van het gezag door de jurisdicties te scheiden. Zoals altijd stelden de priesters zich op als de poortwachters van het goddelijke: de gewone man moest door de stenen poort van de kerk gaan om God aan te kunnen raken. Veel wetenschappers werden echter even dogmatisch. Zij verkondigden met pauselijke onfeilbaarheid dat alleen materie de basis vormde van al wat is. Zelfs onze hogere intellectuele vermogens werden fundamenteel gezien als slechts de gecompliceerde bewegingen van atomen zonder enige werkelijke betekenis of kosmisch doel. Scheikundigen en natuurkundigen ontwikkelden een volkomen materialistische theorie van de stof die was gebaseerd op atomen die minieme, onvernietigbare en ondeelbare eenheden van substantie waren. Er werd beweerd dat alle materiële vormen en processen van het heelal door de interacties van deze afzonderlijke atomen konden worden verklaard.
    Laboratoriumexperimenten leidden tot theorieën over licht die waren gebaseerd op kwantummechanica, of het idee dat atomen alleen een stabiel bestaan hebben op bepaalde afzonderlijke (en daarom kwantificeerbare) energieniveaus. Dit leidde ertoe dat verbanden werden gelegd tussen spectraallijnen die werden waargenomen in verhitte gassen en de atomen die deze gassen zouden vormen. Toen soortgelijke lijnen werden waargenomen in de spectra van verre sterren en melkwegstelsels, verkondigden de op de stof georiënteerde wetenschappers jubelend dat het gehele zichtbare universum uit dezelfde soort atomen scheen te bestaan als die hier op aarde werden gevonden. Goden of spirituele elementalen waren niet nodig; materie alleen kon alles verklaren.
    Deze materialistische visie van het universum is in de loop van de jaren uitgebreid en aangepast. Ondeelbare atomen hebben plaatsgemaakt voor enorm veel complexere atomen die zijn samengesteld uit een paar eenvoudige subatomaire deeltjes – protonen, neutronen en elektronen – bijeengehouden door sterke en zwakke nucleaire krachten en de elektrische kracht. Deze drie soorten deeltjes zouden zijn gevormd uit een complexe reeks minder belangrijkere onderdelen, waarvan het aantal en de gecompliceerde interacties met sprongen schijnt toe te nemen elke keer dat een grotere atoomsplijtende kracht wordt toegepast. Op deze extreem kleine schaal lijkt de zoektocht naar een eenvoudige theorie die alles omvat te leiden tot een steeds grotere complexiteit, zelfs tot theorieën waarbij het aantal dimensies van de ruimte zelf toeneemt.
    De opvatting van de Ouden over atomen is ook zowel eenvoudig als complex, maar gebaseerd op een heel andere kijk op materie en bewustzijn. De centrale gedachte is dat een atoom een onvernietigbare kern is, een afzonderlijk brandpunt van zijn dat een individu omlijnt. Overal waar manifestatie is, drukt het zich uit als een draaikolk van leven-bewustzijn-energie gecentreerd rond een individualiteit – het centrum van de draaikolk. Hetzelfde principe geldt voor alle gemanifesteerde wezens, of het nu goden, mensen of atomen zijn. Zonder dat unieke centrum zouden ze zich niet in de materie kunnen uitdrukken omdat er niets zou zijn om die vorm bijeen te houden. Maar wanneer we de essentie van dat centrum trachten vast te pinnen, proberen om de plaats ervan in tijd en ruimte precies te bepalen, vervliegt het geleidelijk in een onbekende oneindigheid. Dit doet denken aan de vluchtig bestaande deeltjes die worden beheerst door het onzekerheidsprincipe van de fysica, die, wanneer ze in tijd en ruimte te veel worden ingeperkt, wat energie betreft zo’n enorme onzekerheid bereiken dat ze in een statistische onwaarschijnlijkheid verdwijnen, of spontaan in een ander soort deeltje veranderen. In feite wordt hun hele bestaan in twijfel getrokken.
    Materialistische wetenschappers hebben ook hun visie van het heelal als geheel enorm uitgebreid. Vroeger werd gedacht dat het heelal dat we kennen bestond uit wat we nu ons eigen melkwegstelsel noemen. Pas tegen het einde van de jaren twintig van de vorige eeuw toonden astronomen aan dat de ruimte bezaaid was met andere ‘eilandheelallen’ of melkwegstelsels. Tegenwoordig realiseren wetenschappers dat er vele miljarden melkwegstelsels zijn, die elk miljarden sterren bevatten. Ze gebruiken de atoomtheorie om de enorme productie van licht en kracht te verklaren die elk van deze zonnen leveren. Ze stellen zich tot doel om de geboorte en de uiteindelijke dood van deze melkwegstelsels en hun enorme menigten sterren te verklaren door gebruik te maken van hun inzicht in de stoffelijke atomen die werken onder invloed van universele krachten zoals de zwaartekracht en van een nieuwe soort kracht die donkere energie of antigravitatie wordt genoemd. Paradoxaal genoeg is dit zowel een benadering van beneden naar boven als een van boven naar beneden. Het is van beneden naar boven omdat de enige werkelijkheid zou bestaan uit de stoffelijke atomen zelf en hun overeenkomstige energieën. Er wordt geen rekening gehouden met meer recent onderzoek dat erop duidt dat deze atomen zich oplossen in een verbijsterende reeks van onberekenbare grootheden. In essentie houden de meeste wetenschappers vast aan het dogma dat er alleen materie en fysische energie is, dus moet alles op de een of andere manier het resultaat zijn van het spel van atomen.
    Tegelijkertijd worden de atomen in de moderne wetenschappelijke theorieën op een manier behandeld die zeer ‘van boven naar beneden’ is. Ze zijn zelf het resultaat van de werking van universele wetten. Omdat deze wetten overal identiek dezelfde zijn, zijn de atomen dat ook. De atomen die de ver weg staande quasars vormen zijn niet te onderscheiden van de atomen die een menselijk lichaam vormen, ze verschillen alleen in de ruimtelijke verdeling van diverse soorten en in energie. Alle atomen dienen overal in het universum dezelfde natuurwetten te gehoorzamen, die zelf weer op een of andere manier uit materie moeten ontstaan, of om preciezer te zijn, uit materie-energie-ruimte-tijd. Want Einstein heeft de wetenschappelijke wereld ervan overtuigd dat materie en energie eenvoudig twee uitdrukkingsvormen van dezelfde onderliggende werkelijkheid zijn, en dat beide zeer nauw zijn verbonden met tijd en ruimte. Maar als materie en energie slechts uitdrukkingsvormen van een dieperliggende werkelijkheid zijn, hoe kunnen ze dan grondbeginselen zijn? En hoe kunnen ze dan de oorzaak zijn van de universele natuurwetten (zoals die welke in verafgelegen melkwegstelsels en hier op aarde dezelfde spectraallijnen voortbrengen) als ze zelf de producten van die wetten zijn? De essentiële paradox blijft onopgelost in het moderne wetenschappelijke materialisme, omdat de atomen oorzaak zouden zijn van de universele wetten, en deze universele wetten tevens de oorzaak zouden zijn van de atomen.
    De christelijke kosmologie is ook een benadering ‘van boven naar beneden’, omdat deze ervan uitgaat dat het heelal het resultaat is van een unieke creatieve impuls door een mysterieuze alomvattende God. De westerse wetenschap heeft deze opvatting meetkundig uitgewerkt in het standaardmodel van de kosmos, waarin het gehele stoffelijke heelal explosief tot bestaan komt vanuit een singulariteit waarvan de ware aard elke beschrijving in gangbare termen of gedachten tart. Uit deze discontinuïteit in de ruimte ontstond alle materie, alle energie, en alle tijd – alles wat we als het universum kennen. Deze kosmische geboorte zou ongeveer 13 miljard jaar geleden hebben plaatsgevonden in wat nu de big bang wordt genoemd.
    Tot voor kort werd gedacht dat de zwaartekracht de overheersende kracht in het heelal was, omdat fysieke materie overal een aantrekkingskracht zou uitoefenen op alle andere materie. In de big-bang-theorie wordt ervan uitgegaan dat alle melkwegstelsels nog steeds uit elkaar vliegen als gevolg van de impuls die werd gegeven door de explosieve geboorte van het heelal. Daarom zetten astronomen zich aan de taak om alle materie in het universum in kaart te brengen en de hoeveelheid ervan op te tellen. Was er voldoende om de expansie van het universum te vertragen – of zelfs om dit proces te keren? Zou de aantrekking van de zwaartekracht sterk genoeg zijn om alle melkwegstelsels weer naar elkaar terug te trekken in een ‘big crunch’? Het huidige standaardmodel vertelt ons dat er niet genoeg materie is om alles terug te trekken. De astronomen kwamen in de verzameling van materie en energie in feite iets tegen wat donkere energie wordt genoemd, een soort negatieve zwaartekracht die op de ruimte zelf inwerkt, en ervoor zorgt dat de ruimte uitzet en de gewone materie daarin meeneemt.
    Deze ideeën leidden tot een zeer interessante kijk op de ruimte zelf. In plaats van de statische, lege entiteit zoals de wetenschappers haar eerst opvatten, is ze de essentiële bron geworden van alle gemanifesteerde bestaan. Materie en energie worden de condensatie van de leegte. De zwaartekracht wordt een vertekening van de vorm van de ruimte, een rimpeling in de oneindigheid. De ideeën die zijn ontwikkeld om de atomen te verklaren worden universeler wat betreft tijd en omvang. De kosmos en alles daarin worden geboren en gevormd door aantrekking en afstoting net zoals in het atoom. Overal treft men een evenwicht aan tussen tegengestelden, de onkenbare universaliteit uitgedrukt als de wisselwerkingen tussen individuen.
    Keren onze denkbeelden niet terug naar waar we zijn begonnen? Balanceren we niet nog steeds tussen oneindigheden – menselijke atomen die wervelen in de eeuwigheid? Zouden we ons clusters van melkwegstelsels of heelallen binnen atomen kunnen voorstellen als we deze niet zelf op een of andere manier zouden omvatten? Zouden we ons in materie kunnen manifesteren als de atomen van ons lichaam niet in de smeltovens van de sterren waren gesmeed en in de ruimte waren uitgestrooid door de ‘big bangs’ van de sterren in de supernovae? Zoals de Ouden ons zouden vertellen, zijn we de kinderen van de goden, van de ontelbare stralende wezens die de grenzeloze ruimte verlichten. Zelfs het doelbewuste streven om de mysteries van de stof te doorgronden leidt ons naar het goddelijke binnenin ons. Laten we dan onze bestemming als mensen volbrengen en laten we als goden zijn voor de miljarden atomen die in ons leven, bewegen en bestaan, net zoals wij de uitdrukking zijn van onze eigen innerlijke god. Wij hebben het vermogen om te kiezen. We kunnen ons in onszelf keren en het bereik van onze gedachten en aspiraties laten krimpen tot de nauwe grenzen van ons stoffelijke zelf. Of we kunnen onze wil en ons hart in harmonie brengen met de stromen van licht en liefde die het heelal van stof en geest – onze innerlijke en uiterlijke oneindigheden van bewustzijn – bezielen en instandhouden.

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2003

© 2003 Theosophical University Press Agency