Help de natuur en werk met haar mee; en de natuur
zal u als een van haar scheppers beschouwen en voor u neerbuigen.
En zij zal de deuren van haar geheime kamers wijd
voor u openen, aan uw blik de schatten onthullen die verborgen zijn
in de diepten van haar zuivere, maagdelijke schoot.
– H.P. Blavatsky, De Stem van de Stilte,
blz. 13
De voorwaarden die de moderne wetenschap en de oude wijsheid aan hun
onderzoek stellen komen sterk overeen: een verlangen naar kennis, een
scherp waarnemingsvermogen, zelfdiscipline, onpersoonlijk zijn, samenwerking
met collega’s, en de gegevens en hypothesen zelf op hun juistheid
controleren. Ook belangrijk zijn intellectuele beheersing van een hoeveelheid
relevante kennis en de noodzaak van training. Hoe uitgebreider de training,
des te dieper het onderzoekswerk dat kan worden ondernomen. In elke
eeuw werd de wetenschapper, de ‘kenner’, door deze vaardigheden
gekenmerkt.
De verschillen tussen het huidige onderzoek van de natuur en dat in
de oudheid berusten voornamelijk op de hypothesen die eraan ten grondslag
liggen. De moderne wetenschap neemt als feit aan, ongeacht de eigen
opvattingen van haar beoefenaren, dat het heelal stoffelijk is en volledig
kan worden verklaard door de stof en de structuur daarvan te begrijpen.
Materialisme is natuurlijk zo oud als de denkende mens, maar hoe de
vele vormen ervan zich verhouden tot het wetenschappelijke
materialisme hangt af van de definities die worden gegeven van begrippen
zoals stof, leven en bewustzijn. Daartegenover staat de theosofische
traditie die bewustzijn, leven en substantie beschouwt als onscheidbare
aspecten van een achterliggende werkelijkheid die alles omvat en tegelijkertijd
de meest innerlijke essentie ervan is. Deze achterliggende eenheid is
de basis van alle innerlijke en uiterlijke verschijnselen. Als fundamenteel
structurerend beginsel gaat ze zelfs primaire dualiteiten zoals tijd
en ruimte, stof en bewustzijn, zelf en niet-zelf, te boven. Het denkvermogen
en het onderscheidingsvermogen, het gereedschap van de moderne wetenschap,
zijn erg nuttig voor het onderzoek van de verschijnselenwereld maar
ongeschikt om de achterliggende eenheid ervan te begrijpen.
Ondanks al haar veronderstelde oorspronkelijkheid heeft de moderne
wetenschap haar wortels grotendeels in oude overleveringen. Ze ontwikkelde
zich als reactie op de christelijke denkwijze en blijft in veel subtiele
opzichten een afspiegeling daarvan. Ze ontleent ook veel aan de oude
Grieken en de laatste tijd aan Aziatische en andere denkwijzen in de
wereld terwijl wetenschappers inzicht proberen te krijgen in de complexe
en vaak paradoxale resultaten die hun onderzoek hebben opgeleverd, vooral
op het gebied van atoomfysica, astronomie en psychologie. Door gebruik
te maken van kennis die ligt besloten in de mythen, religie, filosofie
en wetenschap van andere culturen kan meer licht worden geworpen op
het huidige onderzoek, kunnen zwakke plekken worden blootgelegd, kan
dogmatiek worden verminderd en kunnen nieuwe onderwerpen en benaderingen
voor onderzoek worden voorgesteld.
Zij die onsympathiek staan tegenover de moderne wetenschap hebben het
meest kritiek op haar talrijke technologische toepassingen. Natuurlijk
wordt het schadelijke gebruik van kennis vooral veroorzaakt door onwetendheid,
hebzucht, zelfzucht, angst en agressie. De wetenschap zelf was echter
in het algemeen een nuttige kracht. Door objectieve, herhaalbare, openbare
gegevens te eisen als grondslag voor beweringen heeft ze de macht van
bijgeloof en priesterintriges verminderd. Haar grootste beperking heeft
ze zichzelf opgelegd: door zich af te sluiten voor onstoffelijke verschijnselen
– er afstand van te doen als behorend tot het terrein van de religie
vanwege de verstikkende en dreigende invloed van de christelijke kerken
op het intellectuele leven – negeert of ontkent ze de werkelijkheid
van niet-fysieke verschijnselen of verklaart die als bijverschijnsel
van de stof. Maar het veronderstelde oorzakelijke verband tussen de
stof en niet-stoffelijke of psychische verschijnselen is nooit aangetoond
of verklaard. De bewering dat de stof de basis vormt voor zulke verschijnselen
is daarom niet meer dan een ongegrond vermoeden of blind geloof. Toch
zou het een hele uitdaging zijn het onderzoek van niet-stoffelijke werkelijkheden
in de wetenschap onder te brengen zonder de goedgelovige afhankelijkheid
van gezag weer nieuw leven in te blazen die de vloek van dogmatische
godsdiensten was. Zelfs tegenwoordig wemelt het nog van fantasieën
die worden geaccepteerd als spirituele, psychische en fysieke werkelijkheden
gebaseerd op beweringen van zieners, goeroes, zwendelaars – en
wetenschappers. De geschiedenis van de wetenschap is zelf een kerkhof
van inmiddels betwijfelde maar vroeger aangenomen ‘werkelijkheden’.
De gevolgen van een verkeerde opvatting van de werkelijkheid kunnen
ingrijpend zijn – voor onze verwachtingen over onszelf, individueel
en cultureel; voor wat we bereid zijn als normaal en natuurlijk te beschouwen;
en voor de middelen en doeleinden die we aanvaardbaar achten en waard
vinden om ons mee bezig te houden.
Alleen door onafhankelijke denkers te worden, sceptisch maar niet cynisch,
kunnen we hopen de steekhoudende theorieën te onderscheiden van
de onjuiste, uit welke bron ze ook komen. Bewustzijn, het voornaamste
middel van de mens om ontdekkingen te doen, omvat veel meer dan het
verstand en de zintuigen, maar zoals ons verstand en onze zintuigen
kunnen worden misleid, zo kan dat ook gebeuren met andere aspecten van
ons waarnemingsvermogen. Door zorgvuldig te overdenken wat anderen ons
vertellen en te proberen voor onszelf alles te bewijzen voor zover we
daartoe in staat zijn, kunnen we proberen ons scherpste beoordelingsvermogen
en onze menslievende gevoelens toe te passen op alles waarmee we verstandelijk,
technisch, sociaal en psychisch in aanraking komen. Maar er is meer
nodig om wijsheid te verwerven: we moeten ernaar streven de eenheid
te zien achter verscheidenheid en te leven met meedogend begrip. Naarmate
we bedreven worden in het gebruik van de hogere lagen van ons bewustzijn,
zullen nieuwe perspectieven van empirische kennis voor ons opdoemen
die niet in woorden kunnen worden weergegeven of door het verstand tot
een systeem kunnen worden gemaakt. Want de natuur
toont haar schatten alleen aan het oog van de geest
– het oog dat zich nooit sluit, het oog waarvoor in al haar
rijken geen sluier is.
Dan zal ze u de middelen en de weg tonen . . . En
dan, het doel – waarachter, badend in het zonlicht van de geest,
onuitsprekelijke heerlijkheden liggen, door niemand gezien behalve
door het oog van de ziel.
– De Stem van de Stilte, blz. 13-4
Door in harmonie met de natuur te werken zullen we na verloop van tijd
scheppers worden met een doordringend inzicht dat een steeds grotere
reeks natuurverschijnselen zal begrijpen. Ons bewuste waarnemingsvermogen
zal uiteindelijk tot de wortel van ons eigen wezen reiken en tegelijkertijd
de planeet en al haar bewoners omvatten, van de kern tot de buitenste
atmosfeer, stoffelijk, energetisch, psychisch en geestelijk, innerlijk
en uiterlijk. En dat zal dan pas het begin zijn van ons nieuw-oude wetenschappelijke
onderzoek van de oneindige kosmos.