Moderne wetenschap, oude wijsheid
Sarah Belle Dougherty

 

Help de natuur en werk met haar mee; en de natuur zal u als een van haar scheppers beschouwen en voor u neerbuigen.

En zij zal de deuren van haar geheime kamers wijd voor u openen, aan uw blik de schatten onthullen die verborgen zijn in de diepten van haar zuivere, maagdelijke schoot.
    – H.P. Blavatsky, De Stem van de Stilte, blz. 13

De voorwaarden die de moderne wetenschap en de oude wijsheid aan hun onderzoek stellen komen sterk overeen: een verlangen naar kennis, een scherp waarnemingsvermogen, zelfdiscipline, onpersoonlijk zijn, samenwerking met collega’s, en de gegevens en hypothesen zelf op hun juistheid controleren. Ook belangrijk zijn intellectuele beheersing van een hoeveelheid relevante kennis en de noodzaak van training. Hoe uitgebreider de training, des te dieper het onderzoekswerk dat kan worden ondernomen. In elke eeuw werd de wetenschapper, de ‘kenner’, door deze vaardigheden gekenmerkt.

De verschillen tussen het huidige onderzoek van de natuur en dat in de oudheid berusten voornamelijk op de hypothesen die eraan ten grondslag liggen. De moderne wetenschap neemt als feit aan, ongeacht de eigen opvattingen van haar beoefenaren, dat het heelal stoffelijk is en volledig kan worden verklaard door de stof en de structuur daarvan te begrijpen. Materialisme is natuurlijk zo oud als de denkende mens, maar hoe de vele vormen ervan zich verhouden tot het wetenschappelijke materialisme hangt af van de definities die worden gegeven van begrippen zoals stof, leven en bewustzijn. Daartegenover staat de theosofische traditie die bewustzijn, leven en substantie beschouwt als onscheidbare aspecten van een achterliggende werkelijkheid die alles omvat en tegelijkertijd de meest innerlijke essentie ervan is. Deze achterliggende eenheid is de basis van alle innerlijke en uiterlijke verschijnselen. Als fundamenteel structurerend beginsel gaat ze zelfs primaire dualiteiten zoals tijd en ruimte, stof en bewustzijn, zelf en niet-zelf, te boven. Het denkvermogen en het onderscheidingsvermogen, het gereedschap van de moderne wetenschap, zijn erg nuttig voor het onderzoek van de verschijnselenwereld maar ongeschikt om de achterliggende eenheid ervan te begrijpen.

Ondanks al haar veronderstelde oorspronkelijkheid heeft de moderne wetenschap haar wortels grotendeels in oude overleveringen. Ze ontwikkelde zich als reactie op de christelijke denkwijze en blijft in veel subtiele opzichten een afspiegeling daarvan. Ze ontleent ook veel aan de oude Grieken en de laatste tijd aan Aziatische en andere denkwijzen in de wereld terwijl wetenschappers inzicht proberen te krijgen in de complexe en vaak paradoxale resultaten die hun onderzoek hebben opgeleverd, vooral op het gebied van atoomfysica, astronomie en psychologie. Door gebruik te maken van kennis die ligt besloten in de mythen, religie, filosofie en wetenschap van andere culturen kan meer licht worden geworpen op het huidige onderzoek, kunnen zwakke plekken worden blootgelegd, kan dogmatiek worden verminderd en kunnen nieuwe onderwerpen en benaderingen voor onderzoek worden voorgesteld.

Zij die onsympathiek staan tegenover de moderne wetenschap hebben het meest kritiek op haar talrijke technologische toepassingen. Natuurlijk wordt het schadelijke gebruik van kennis vooral veroorzaakt door onwetendheid, hebzucht, zelfzucht, angst en agressie. De wetenschap zelf was echter in het algemeen een nuttige kracht. Door objectieve, herhaalbare, openbare gegevens te eisen als grondslag voor beweringen heeft ze de macht van bijgeloof en priesterintriges verminderd. Haar grootste beperking heeft ze zichzelf opgelegd: door zich af te sluiten voor onstoffelijke verschijnselen – er afstand van te doen als behorend tot het terrein van de religie vanwege de verstikkende en dreigende invloed van de christelijke kerken op het intellectuele leven – negeert of ontkent ze de werkelijkheid van niet-fysieke verschijnselen of verklaart die als bijverschijnsel van de stof. Maar het veronderstelde oorzakelijke verband tussen de stof en niet-stoffelijke of psychische verschijnselen is nooit aangetoond of verklaard. De bewering dat de stof de basis vormt voor zulke verschijnselen is daarom niet meer dan een ongegrond vermoeden of blind geloof. Toch zou het een hele uitdaging zijn het onderzoek van niet-stoffelijke werkelijkheden in de wetenschap onder te brengen zonder de goedgelovige afhankelijkheid van gezag weer nieuw leven in te blazen die de vloek van dogmatische godsdiensten was. Zelfs tegenwoordig wemelt het nog van fantasieën die worden geaccepteerd als spirituele, psychische en fysieke werkelijkheden gebaseerd op beweringen van zieners, goeroes, zwendelaars – en wetenschappers. De geschiedenis van de wetenschap is zelf een kerkhof van inmiddels betwijfelde maar vroeger aangenomen ‘werkelijkheden’. De gevolgen van een verkeerde opvatting van de werkelijkheid kunnen ingrijpend zijn – voor onze verwachtingen over onszelf, individueel en cultureel; voor wat we bereid zijn als normaal en natuurlijk te beschouwen; en voor de middelen en doeleinden die we aanvaardbaar achten en waard vinden om ons mee bezig te houden.

Alleen door onafhankelijke denkers te worden, sceptisch maar niet cynisch, kunnen we hopen de steekhoudende theorieën te onderscheiden van de onjuiste, uit welke bron ze ook komen. Bewustzijn, het voornaamste middel van de mens om ontdekkingen te doen, omvat veel meer dan het verstand en de zintuigen, maar zoals ons verstand en onze zintuigen kunnen worden misleid, zo kan dat ook gebeuren met andere aspecten van ons waarnemingsvermogen. Door zorgvuldig te overdenken wat anderen ons vertellen en te proberen voor onszelf alles te bewijzen voor zover we daartoe in staat zijn, kunnen we proberen ons scherpste beoordelingsvermogen en onze menslievende gevoelens toe te passen op alles waarmee we verstandelijk, technisch, sociaal en psychisch in aanraking komen. Maar er is meer nodig om wijsheid te verwerven: we moeten ernaar streven de eenheid te zien achter verscheidenheid en te leven met meedogend begrip. Naarmate we bedreven worden in het gebruik van de hogere lagen van ons bewustzijn, zullen nieuwe perspectieven van empirische kennis voor ons opdoemen die niet in woorden kunnen worden weergegeven of door het verstand tot een systeem kunnen worden gemaakt. Want de natuur

toont haar schatten alleen aan het oog van de geest – het oog dat zich nooit sluit, het oog waarvoor in al haar rijken geen sluier is.

Dan zal ze u de middelen en de weg tonen . . . En dan, het doel – waarachter, badend in het zonlicht van de geest, onuitsprekelijke heerlijkheden liggen, door niemand gezien behalve door het oog van de ziel.
    – De Stem van de Stilte, blz. 13-4

Door in harmonie met de natuur te werken zullen we na verloop van tijd scheppers worden met een doordringend inzicht dat een steeds grotere reeks natuurverschijnselen zal begrijpen. Ons bewuste waarnemingsvermogen zal uiteindelijk tot de wortel van ons eigen wezen reiken en tegelijkertijd de planeet en al haar bewoners omvatten, van de kern tot de buitenste atmosfeer, stoffelijk, energetisch, psychisch en geestelijk, innerlijk en uiterlijk. En dat zal dan pas het begin zijn van ons nieuw-oude wetenschappelijke onderzoek van de oneindige kosmos.

 
Wetenschap en spirituele perspectieven daarop
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2003

© 2003 Theosophical University Press Agency