Geestelijke en stoffelijke wetten van het heelal
John P. Van Mater

 

Het is de vaste overtuiging van de mensheid dat dit uitgebreide universum op zowel geestelijke als stoffelijke wetten berust – maar hoe kunnen we die van elkaar onderscheiden? Waar eindigt in ons de stof en begint het geestelijke? En hoe kunnen we vaststellen waar wetenschap zou moeten eindigen en religie beginnen? Waar we bovenal naar zoeken is waarheid – niet de waarheid van de wetenschap of die van de religie, maar de feitelijke waarheid.
    Door ons onderzoek van de onmetelijke ruimte zijn we ons met een schok ervan bewust geworden dat het heelal waar de wetenschap in doordringt enorm groot en werkelijk is. In de afgelopen jaren is er in de religie niets gebeurd waardoor haar uitspraken eenzelfde gevoel van werkelijkheid hebben kunnen overbrengen of dat de steeds voortschrijdende stroom van wetenschappelijke informatie kan bijhouden. Integendeel, de vaak fragmentarische overblijfselen van de westerse religieuze filosofie beschrijven het universum, spiritueel gezien, helemaal niet op een manier die op adequate wijze een licht kan doen schijnen op de fysieke wereld waar de wetenschap iedere dag verder uitbreiding aan geeft. Dit is tragisch, want dat betekent dat bij gebrek aan een systematische en alomvattende geestelijke filosofie, de materialistische filosofieën, die wel systematisch en op feiten gebaseerd zijn, de zaak overnemen. Maar zelfs als we slechts oppervlakkig bekend zijn met de oude oosterse of westerse religie en filosofie, kunnen we niet ontkomen aan de conclusie dat denkers van vroeger tijden zich goed bewust waren van het materialisme als een mogelijke verklaring, en dat velen het in overweging hadden genomen en ook hadden geaccepteerd, maar dat veel meer denkers het hadden verworpen omdat het onvoldoende verklaring geeft van de totaliteit van wat zich op het toneel van de kosmos en de mens afspeelt.
    Als we denken aan verheven werelden die in de enorme ruimte drijven, en dan ons menselijke bestaan met al zijn trivialiteiten bekijken – het gekibbel, het geweld, het handelen zonder na te denken, voelen we dan niet op een of andere manier dat we ver zijn afgedwaald van de meer serene paden van de natuur? En toch, als we de wonderen van de kosmische natuur aanschouwen, worden we dan niet ertoe geïnspireerd aan te voelen dat de mensheid, hoe nietig ze misschien ook is, niettemin deelneemt aan dit proces van de sterren, en dat het menselijk hart als het ware een vonk in zich draagt van een Centraal Vuur – iets dat altijd blijft bestaan en oneindige mogelijkheden in zich heeft?

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 2003

© 2003 Theosophical University Press Agency