Een
brug tussen de legendarische en feitelijke zondvloed
Harry Young
Boekbespreking: Onderwereld: De mysterieuze wortelen
van onze beschaving, Graham Hancock, Tirion Uitgevers, Baarn, 2002;
575 blz., foto’s, isbn 9043903388, paperback. Oorspronkelijke
titel: Underworld: The Mysterious Origins of Civilization.
Wereldwijd vertellen mythen over een periode in de geschiedenis van
de aarde waarin grote beschavingen en uitgestrekte landstreken door
rampzalige overstromingen werden verwoest. Wie waren de mensen die deze
beschavingen vormden, waar en hoe leefden ze, wat gebeurde er met hun
steden en nederzettingen en de landstreken waarin ze leefden? In zijn
nieuwste boek, Onderwereld: De mysterieuze wortelen van onze beschaving,
verkent Graham Hancock deze mysteries. Hij breidt het onderzoek dat
in zijn boeken Het ontstaan en het einde van alles en Spiegel
van de hemel is vastgelegd uit, en brengt bewijsmateriaal naar
voren op basis van modern wetenschappelijk onderzoek, vergelijkende
mythologie, religieuze en spirituele aantekeningen, duikonderzoek uit
de eerste hand naar megalitische onderwaterstructuren, en oude kaarten
om aan te tonen dat een door de wetenschap onaanvaarde, technologisch
ontwikkelde, beschaving – in staat de wereld te bevaren en met
een diepgaande kennis van architectuur en bouwkunst, astronomie en geografie
– naar alle waarschijnlijkheid heeft bestaan vóór
en tijdens de laatste ijstijd en dat deze door wereldwijde overstromingen
werd weggevaagd.
Pas de laatste vijftig jaar, nadat de moderne duikersuitrusting was
uitgevonden, is systematische zeearcheologie mogelijk. Door de beperkte
geldmiddelen en de enorme omvang van de wereldzeeën zijn zeearcheologen
nog maar nauwelijks begonnen met het onderzoeken van de miljoenen vierkante
kilometers van de kustgebieden die sinds het einde van de laatste ijstijd
onder water zijn komen te liggen. En wanneer dat gebeurt, heeft men
meestal scheepswrakken op het oog, niet aanwijzingen voor antediluviale
beschavingen, ‘want sporen van onder water verdwenen bouwwerken,
overal en waar ook ter wereld, passen niet in het huidige model
van de geschiedenis’. Het gevolg is dat de onderwaterwereld
een hiaat vormt in de kennis over onze planeet en onszelf. Mythen vertellen
ons echter veel:
Beschrijvingen van een allesvernietigende wereldwijde
overstroming die de bewoonde landen van de wereld onder water zette,
duiken overal in de mythen van de Oudheid op. In veel gevallen verwijzen
ze onomwonden naar het feit dat de overstroming een hoge beschaving
heeft weggespoeld die op de een of andere manier de goden had vertoornd,
waarbij ‘niemand behalve de ongeletterden en de onbeschaafden’
werd gespaard en die de overlevenden dwong ‘om als kinderen
opnieuw te beginnen in volstrekte onwetendheid van wat er in vroege
tijden was gebeurd’.
. . . De huidige academische opvatting, en die bestaat
al een eeuw, is dat de mythen òf pure fantasie zijn òf
het opgeblazen verhaal over plaatselijke en beperkte overstromingen,
bijvoorbeeld veroorzaakt door rivieren die buiten hun oevers traden
of vloedgolven. – blz. 26
Bij het zoeken naar bewijs voor cataclysmische overstromingen in de
oudheid, verkent Onderwereld up-to-date geologisch en klimatologisch
onderzoek over wat er de afgelopen 17.000 jaar gebeurd zou kunnen zijn.
Overstromingskaarten, gemaakt door dr. Glen Milne van de universiteit
van Durham, staan in Hancocks onderzoek centraal en laten grote stukken,
voornamelijk kuststreken, zien die door drie golven van cataclysmische
overstromingen tussen 17.000 en 8.000 jaar geleden onder water kwamen
te liggen. Het landoppervlak – kwalitatief het best bewoonbare
land uit die tijd – dat in zee verloren ging was enorm: 5 procent
van de oppervlakte van de aarde oftewel 25 miljoen vierkante kilometer.
Hoewel zulke kaarten niet 100 procent nauwkeurig kunnen zijn, gelooft
Hancock dat ze nauwkeurig genoeg zijn om daarmee zijn theorieën
te onderbouwen.
Het is moeilijk om een nauwkeurig model te vinden voor het gedrag van
de oceanen tijdens het hoogtepunt van de smeltperiode aan het einde
van de laatste ijstijd (ongeveer 14.000 tot 7.000 jaar geleden). Deskundigen
zijn het oneens over de volgorde, chronologie, en gevolgen van gebeurtenissen,
en zelfs over de terminologie die wordt gebruikt. Bij het onderzoek
in Onderwereld gebruikt Hancock de term ‘de laatste ijstijd’
om te verwijzen naar de periode tussen 125.000 en 17.000 jaar geleden;
en de term Laatste Glaciale Maximum (LGM) om de periode tussen ongeveer
22.000 en 17.000 jaar geleden aan te duiden toen de ijskappen het grootst
waren. In die tijd lagen Noord-Europa en Noord-Amerika grotendeels onder
een paar kilometer dik ijs, dat zoveel water bevatte dat het zeeniveau
wereldwijd tussen de 115 en 120 meter lager was dan tegenwoordig. Veel
landstreken, vooral langs laaggelegen kuststreken, die tegenwoordig
bewoonbaar zijn, waren vóór de overstroming onbewoonbaar,
en omgekeerd.
|
|
|
De
wereld tijdens het Laatste Glaciale Maximum. Het extra land dat
toen boven zeeniveau lag
is met een donkere grijstint aangegeven. |
De vele cyclussen van de ijstijd staan in verband met de helling en
precessie van de aardas en de wisselende excentriciteit van haar baan
om de zon. Deze worden samen met andere factoren zoals vulkanisme, inslagen
van asteroïden of kometen, extreme perioden van dooi en bevriezing,
en geodynamische veranderingen in de aardkorst of aardmantel, door de
wetenschap als voldoende gezien om de patronen van wereldwijde ijsvorming
en ijssmelting te verklaren. De gevolgen van deze krachten waren enorm
en verwoestend. De aarde is kneedbaar als een enorme geleibol, en druk
die in een bepaald gebied wordt uitgeoefend veroorzaakt een ingedrukte
plek die het omringende gebied dwingt te stijgen. Dergelijke isostasie
vindt plaats wanneer ijskappen op de aardkorst drukken. De druk vermindert
wanneer het ijs smelt, en de opbolling rondom de ingedrukte plek springt
terug en neemt uiteindelijk haar oorspronkelijke positie weer in. Biljoenen
tonnen ijs drukten op de continentale landstreken van Noord-Amerika
en Europa tijdens het LGM 17.000 jaar geleden. Het water waaruit dit
ijs bestaat was oorspronkelijk afkomstig uit oceanen, dus terwijl het
ijs de continenten naar beneden drukte, kwam de oceaanbodem tegelijkertijd
omhoog omdat de last van het erboven liggende water lichter werd.
Hoewel er wetenschappelijk bewijsmateriaal is uit kernboringen en uit
de gegevens over koraalriffen dat aantoont dat het zeeniveau in het
verleden heel snel is gestegen, zijn de meeste wetenschappers nog steeds
van mening dat de stijging van het zeeniveau met 120 meter gedurende
de afgelopen 10.000 jaar van postglaciale overstromingen een niet-catastrofaal
proces is geweest van ongeveer een meter stijging per jaar. Overstromingsmythen
spreken dit tegen, evenals experts zoals de onlangs overleden Cesare
Emiliani, hoogleraar geologie aan de universiteit van Miami, en John
Shaw, hoogleraar aardwetenschappen aan de universiteit van Alberta.
Hancock maakt onder andere gebruik van hun werk om een theorie te vormen
die een geheel vormt. Hij beschrijft het smeltproces van de ijskappen,
en de daarop volgende overstromingen en aardbevingen die volgens de
huidige opvattingen onvoorstelbaar zijn. In Canada, bijvoorbeeld, stroomde
smeltwater rondom een enorme ijsdam naar de Hudsonbaai, naar de Noordelijke
IJszee, en naar de Golf van Mexico met een snelheid van ongeveer 10
miljoen kubieke meter per seconde – genoeg om het Ontariomeer
binnen vier dagen te laten leeglopen.
Uit onderzoek van na 1970 blijkt dat er drie wereldwijde megaoverstromingen
zijn geweest: 15.000 tot 14.000 jaar geleden; 12.000 tot 11.000 jaar
geleden en 8.000 tot 7.000 jaar geleden. De tweede periode klopt met
de datum die Plato in de Timaeus en Critias toekende
aan de vernietiging van Atlantis door aardbevingen en overstromingen,
en met de Tamilmythe van het verzinken van het legendarische land Kumari
Kandam. Er zijn overtuigende bewijzen dat bijna de helft van het smeltwater
dat aan het einde van de laatste ijstijd vrijkwam, in deze drie relatief
korte perioden is vrijgekomen. Dergelijke gebeurtenissen zullen de menselijke
bewoners in die tijd ernstig hebben geschokt, en een herkenbare indruk
hebben achtergelaten op de mondelinge tradities, waarin alle oude mythen
oorspronkelijk werden overgeleverd.
De hedendaagse archeologie vertelt ons daarentegen haar verhaal over
de beschaafde mensheid op basis van talrijke tegenstrijdige
theorieën en interpretaties van gegevens, en een geringe hoeveelheid
concreet bewijsmateriaal afkomstig van archeologische vindplaatsen die
een heel klein deel van de oppervlakte van de aarde beslaan, en zich
bijna allemaal op het land bevinden. Volgens de heersende opvatting
van tegenwoordig leefden volledig ontwikkelde mensen op aarde gedurende
100.000 jaar vóór het begin van de eerste overstromingen
en rampen ongeveer 17.000 jaar geleden – een periode die lang
genoeg is om hoge beschavingen te ontwikkelen. Gebrek aan bewijsmateriaal
op het land is geen bewijs dat dit niet is gebeurd. Er bestaat echter
bewijsmateriaal op het land, maar het interpreteren hiervan vormt een
belangrijke barrière voor het doorgronden van de betekenis ervan.
Een belangrijk deel van Onderwereld richt zich op India: zijn
oude bewoners en spirituele tradities, vooral de Indusvalleibeschaving
en de veda’s. Sinds 1890 hebben geleerden gedacht dat de veda’s
door Indo-europese indringers – de Ariërs – waren samengesteld,
en dat ze ongeveer 1500 v.Chr. werden gecodificeerd. Deze theorie was
bijna volledig gebaseerd op de verkeerde interpretatie van een paar
dozijn skeletten die in de oude Indusvallei waren gevonden. Een andere
hoeksteen van de nu omstreden Arische-invasietheorie is de overeenkomst
tussen Sanskriet (de taal van de veda’s) en oude en moderne Europese
talen zoals Latijn, Grieks, Engels, Noors en Duits. De afgelopen 10
jaar is de Arische-invasietheorie echter uiteengevallen. De algemeen
aangenomen voorgestelde datering voor de codificatie van 1200
v.Chr. die voor het eerst in 1890 door Max Müller werd vastgesteld,
heeft voor de datum van de veda’s of het tijdperk waarin ze ontstonden
geen betekenis. Veel onderzoekers nemen nu aan dat de periode waarin
ze werden samengesteld verder in het verleden ligt in de mondelinge
traditie van India en dat ze het werk van de Indus-Sarasvati-beschaving
zouden kunnen zijn, met als logisch gevolg dat de taal zich verspreidde
van India naar Europa in plaats van van Europa naar India.
De veda’s zelf bevatten een verslag van hun schepping: het verhaal
van Manu, de Noach van India. Hancock trekt nauwe parallellen tussen
het verhaal van Manu, dat van Ziusudra die de Soemerische zondvloed
overleeft, de oude yuga-theorie van de cyclische verwoesting en wedergeboorte
van werelden, en de zeven wijzen, een groep ‘wijzen’ die
onder meer als taak hebben om de kennis die in de veda’s besloten
ligt te beschermen:
de oude overleveringen van India zelf . . . verklaren
dat Manu en de zeven wijzen zich tijdens een verschrikkelijke overstroming
terugtrokken in de Himalaya vanuit een gebied dat niet tot de bergketen
behoorde en dat ze vanuit hun antediluviale thuisland niet alleen
de veda’s meebrachten, maar ook de ‘zaden’
die nodig waren voor de heropbouw van permanente nederzettingen waar
voedsel kon worden geproduceerd. – blz. 183
Op basis van het bestuderen van mythologisch en wetenschappelijk bewijsmateriaal
over ijsvorming en overstromingen in het gebied van de Himalaya, speculeert
Hancock vervolgens dat ‘de wijzen, die tenminste een aantal verzen
van de veda’s moeten hebben gecomponeerd, 12.000 jaar
geleden in de Himalaya zouden kunnen zijn geweest en misschien getuige
waren van het einde van de opmars van de koude van de Jongere Dryas’,
een plotselinge, onverklaarde, wereldwijde, climactische bevriezing.
Maar dit ‘past helemaal niet bij de veel latere datering die geleerden
doorgaans geven aan de samenstelling van de Rig Veda’
(blz. 203). In verdere speculaties verkent de schrijver de diepere beweegredenen
die aan een beschaving ten grondslag liggen. Het moderne westen wordt
overheerst door materiële en economische theorieën over het
leven van de mens, maar India
met zijn levendige spirituele cultuur . . . opent
de mogelijkheid dat de werkelijke oorsprong van beschaving misschien
wel een heel andere is – niet gedreven door economische krachten
maar door de spirituele zoektocht die alle echte asceten in India
nog steeds met de grootst mogelijke toewijding ondernemen. . . .
En aangezien archeologen het nu allen eens zijn
dat er een ononderbroken voortzetting van cultuur is vanaf Mehrgarh
I1, ongeveer 9000 jaar geleden,
helemaal tot aan de grote steden van de Indus-Sarasvati-beschaving
rond 4500 jaar geleden, mogen we dan niet verwachten dat er sporen
van dezelfde yoga-ethiek ook daar weer opduiken? –
blz. 204
In de daaropvolgende hoofdstukken gaat Graham Hancock verder in op
deze aanwijzingen.
Het eerste van de vele verslagen van onderwaterexpedities in Onderwereld
begint in India waar de auteur, in samenwerking met duikers van het
Indiase Nationale Instituut voor Oceanografie (NIO), aan de noordwestkust
duikt bij de stad Dwarka, de heilige stad van Krishna. Langs de kust
liggen verzonken ruïnes, maar het is moeilijk om de datum van de
archeologie (1700 of 1800 v.Chr.) in overeenstemming te brengen met
de datum uit de Indiase traditie van 3100 v.Chr. toen volgens de oude
legende met de dood van Krishna het kaliyuga begon en Dwarka onder water
verdween. Ruïnes die uit die tijd en daarvoor dateren, vindt men
alleen in dieper water. Hancock en NIO-duikers hebben op een diepte
van 23 meter, 5 kilometer vanaf Poompuhar in de Baai van Bengalen, ook
een mysterieus U-vormig metselbouwwerk onderzocht. Overstromingskaarten
geven aan dat het ongeveer 11.000 jaar geleden onder water zou zijn
verdwenen. Landverzakking zou de reden voor de grote diepte van dit
bouwsel kunnen zijn, maar zonder verder onderzoek blijft de oorsprong,
de plaats en het doel ervan een mysterie. Hancock onderzoekt ook de
Kumari-Kandam-overlevering, een antediluviale beschaving die duizenden
jaren geleden rondom Zuid-India zou hebben bestaan. Men gelooft dat
het een groot centrum van kennis is geweest met schitterende scholen
die misschien een erfenis van cartografische en sterrenkundige kennis
hebben nagelaten die tegenwoordig in oude Indiase teksten voortleeft.
Interessant is dat de auteur met lokale vissers sprak die vertelden
dat ze vaak moesten duiken om hun netten te bevrijden omdat ze onder
water vast kwamen te zitten aan tempels met pilaren, piramidevormige
pagode’s, en bouwwerken met deuropeningen.
In het Nawoord staan details over de opmerkelijke ontdekking in mei
2001 van wat lijkt op twee onderwatersteden; een ervan bestrijkt een
gebied van 9 kilometer in de Golf van Cambay in Noordwest-India en ligt
tussen de 25 en 40 meter diep en 40 kilometer uit de kust. De beelden
die werden opgevangen door middel van een akoestische sonar onthullen
duidelijke funderingen, geometrische structuren en muren die zich 3
meter van de zeebodem verheffen. Beide steden liggen langs de loop van
oude rivieren, en er zijn ook overblijfselen ontdekt van wat vermoedelijk
een 600 meter lange dam is geweest. Door te dreggen zijn voorwerpen
teruggevonden die door mensen zijn gemaakt, waaronder vermoedelijk juwelen,
stenen werktuigen, potten en beeldjes die volgens koolstofdatering 9.500
jaar oud zijn. Overstromingskaarten geven aan dat dit gebied tussen
7.700 en 6.900 jaar geleden onder water is verdwenen, maar de steden
en de cultuur die deze heeft voortgebracht zijn waarschijnlijk aanzienlijk
ouder.
Een ander overstroomd rijk dat in Onderwereld wordt verkend
is Malta. Het ondergrondse Hypogeum en de tempels Gigantija, Hagar Qim
en Mnajdra zijn enkele van de vele vervallen monumenten. De conventionele
opvatting dateert hun constructie ergens tussen 5.600 en 4.500 jaar
geleden. Alle tempels bevatten massieve stenen blokken, die zo’n
15 ton of meer wegen, en men denkt dat ze de eerste vrijstaande stenen
monumenten ter wereld zijn. Mnajdra is een zonnetempel die in zijn ontwerp
nauwkeurige richtingslijnen op de zon heeft opgenomen. Gezien de grootte
en complexiteit van deze tempels moeten de architecten en bouwers ervan
al geruime tijd ervaring hebben gehad met dergelijke structuren. Algemeen
wordt aangenomen dat de mens ergens tussen 5.200 en 7.200 jaar geleden
(toen het een eiland was) op Malta verscheen en dat de cultuur van het
eiland zich geleidelijk ontwikkelde. Het probleem met deze chronologie
is dat er op het betrekkelijk kleine eiland Malta geen archeologisch
bewijsmateriaal is voor de ‘geschiedenis van een beschaving’
waarin steeds geavanceerdere bouwtechnieken zijn gedocumenteerd.
De afwijkende kenmerken van veel Maltese tempels op het eiland en onder
water, en een reeks door mensen gemaakte groeven, uitgehakt in de kalksteenrotsen
op het land en onder water, die ‘karrensporen’ worden genoemd,
wijzen op een mysterie: door wie werden ze gemaakt en wanneer? Het huidige
Malta ligt te geïsoleerd en is te klein om te hebben voorzien in
de ontwikkeling en constructie ervan. De overstromingskaarten bieden
een uitkomst, want ze laten zien dat de eilanden van de Maltese archipel
tot 16.400 jaar geleden door een landbrug met Sicilië waren verbonden,
waarover kolonisten Malta konden binnentrekken. De landbrug werd steeds
smaller en werd uiteindelijk overspoeld zodat een groot eiland overbleef
dat ten slotte 10.600 jaar geleden onder water verdween en de huidige
Maltese eilandengroep achterliet. De overstroming wordt door geleerden
niet betwist; maar de chronologie van de kolonisatie en de bijzonderheden
daarvan wel. Hancock geeft een alternatieve hypothese: dat er vóór
en tijdens de overstroming een heel lang proces van culturele ontwikkeling
aan de gang was op het huidige Malta en op het land dat nu rondom de
Maltese kust onder water is verdwenen, waarbij de stijgende zeespiegel
een groot deel van het bewijsmateriaal heeft bedekt van een beschaving
die veel groter was dan zoals ze in de huidige academische kringen wordt
beschouwd.
Het is opmerkelijk dat het grote eiland dat werd gevormd toen de Maltese
landbrug onder water verdween op sommige kaarten uit de vijftiende eeuw
wordt afgebeeld, en als Gaulometin of Galonia leta wordt vermeld, maar
het heeft niet de juiste vorm en bevindt zich geografisch niet op de
juiste plaats, wat niet klopt met de manier waarop het Middellandse-Zeegebied
gewoonlijk nauwkeurig wordt weergegeven. Hancock wijst erop dat wat
vroeger door cartografische geleerden werd beoordeeld als onnauwkeurigheden
van de kustlijnen en eilandgroepen over de hele wereld, in feite de
nauwkeurige weergave van kustlijnen uit tijdperken vóór
en tijdens de smeltperiode van de IJstijd zouden kunnen zijn. Het is
bekend dat de meeste middeleeuwse kaartenmakers kopiisten waren die
oudere kaarten opnieuw uitgaven. Sommige oudere kaarten – bijvoorbeeld
die van Ptolemaeus – werden oorspronkelijk getekend op basis van
onderzoek in de Bibliotheek van Alexandrië in Egypte. De auteur
stelt de vraagt of ‘het mogelijk is dat hij . . . van antediluviale
bronnen gebruikmaakte’, omdat het bekend is dat Ptolemaeus zijn
kaarten baseerde op die van de Feniciër Marinos van Tyrus die op
zijn beurt inspiratie opdeed bij kaartenmakers uit een nog verder verleden.
In een vervolg op zijn onderzoek van oude zeekaarten in Het ontstaan
en het einde van alles betoogt Hancock dat het maken van kaarten
in de oudheid een traditie was die door de millennia heen tot aan de
tijd van Ptolemaeus, in plaats van zich te ontwikkelen, zich misschien
in een stadium van ‘verval, achteruitgang en opeenhoping van allerlei
fouten’ bevond, die door vele verschillende handen zijn opgetreden
in een veel oudere en eens veel betere traditie van kaartenmakers (blz.
420). Ongetwijfeld heeft de nieuwe wetenschap van overstromingskaarten
nieuwe mogelijkheden voor onderzoek geopend. Bijvoorbeeld, de Reinal-kaart
uit 1510 schijnt de westkust van India weer te geven zoals deze er meer
dan 15.000 jaar geleden uitzag, en toont daarnaast eilanden die 11.500
jaar geleden bestonden maar die nu onder water liggen. Hancock laat
zien dat Marco Polo dacht dat Ceylon eens met India was verbonden, in
het verleden een derde groter was geweest, en werd overstroomd. Hij
onderzoekt het verband tussen de Ierse volksoverlevering over Hy-Brasil
ten westen van de kust van Ierland, dat duizenden jaren geleden onder
water zou zijn verdwenen, de positie ervan op middeleeuwse kaarten,
en een gebied dat de Stekelvarkenbank wordt genoemd dat 21.000 jaar
geleden nog boven water lag. Met behulp van overstromingskaarten en
kaarten uit de Middeleeuwen geeft hij in overweging dat de legendarische
eilanden Antilia en Satanaze in feite T’ai-wan en Japan zijn zoals
deze 12.500 jaar geleden eruitzagen. Samenvattend schrijft hij:
Ik ben van mening dat de consistente patronen in
de afwijkingen op oude kaarten die we hebben aangetoond – van
Hy-Brasil via India tot Japan – de stilzwijgende getuigen zijn
van een oude cartografische wetenschap en zeemanskunst die de wereld
verkenden en over een periode van meerdere duizenden jaren tijdens
de postglaciale afsmelting in kaart brachten. –
blz. 566
Aanvullend onderzoek van Hancock op het land bracht hem in contact
met het Jomonvolk in Japan, toen hij probeerde de mysteries rond vier
Japanse onderwaterlocaties te ontrafelen: Yonaguni, Kerama, Aguni en
Chatan. Het is bij al deze locaties onduidelijk of ze mensenwerk zijn,
hoewel Onderwereld daarvoor een goed pleidooi houdt. De Jomons
schijnen rond 16.500 jaar geleden plotseling in Japan op te duiken,
wat door datering van hun aardewerk wordt bevestigd. De archeologie
toont aan dat ze veel kennis hadden van architectuur en bouwkunde (astronomische
oriëntaties zijn daarin verwerkt), maar ze hadden ook ontwikkelde
spirituele ideeën en religieuze gebruiken. De Jomons werden niet
door binnendringende volkeren uitgeroeid maar gingen ogenschijnlijk
naadloos op in een andere verhuizende cultuur die bekend staat als de
‘Yayoi’. De huidige Japanse cultuur stamt af van deze oude
cultuurvermenging, waardoor de Jomoncultuur en haar gedachtegoed nog
steeds voortleven. De onderwaterruïnes illustreren een tot nu toe
onbekend en misschien bijzonder stadium in hun ontwikkeling.
 |
|
Duiker
op onderzoek bij Iseki Point, Yonaguni |
Japan werd nooit door een ijskap bedekt, had van nature steile kustlijnen
en weinig laaggelegen vlakten, waardoor het in hoge mate aan de verwoestingen
van de ijstijdrampen ontsnapte. Als de Japanse mythologie is geworteld
in de mythische herinneringen van de Jomons, is het niet verwonderlijk
dat Japan geen inheemse overstromingsmythe kent. Onderwereld
legt de gedachte voor dat de Jomons alleen hun eigendommen aan de ‘kust’
verloren, zoals kusttempels en andere heilige en functionele locaties
die nu 30 meter onder water liggen. De steeds terugkerende Japanse mythe
over het koninkrijk van de Zeekoning sluit in twee opzichten nauw aan
bij de onderwaterruïnes van Japan: als een koninkrijk dat wordt
herinnerd als een eiland, èn als een onderwaterheiligdom met
muren, paleizen en huizen. In Hancocks woorden: ‘is het misschien
de herinnering aan het feit dat grote bouwwerken met ‘geschutstorens
en hoge torens van buitengewone schoonheid’ ooit boven water lagen,
maar nu eronder?’ (blz. 508-9).
Door zijn schrijfstijl die lijkt op die van een reisverhaal is Graham
Hancock in staat om in Onderwereld een persoonlijke band met
de lezer te vormen en de vele belemmeringen bij zijn werk te belichten,
zoals de bureaucratie en het gebrek aan zeearcheologisch referentiemateriaal
over onderwatermonumenten. Er worden veel voorbeelden aangehaald waarbij
de heersende wetenschap belangrijke aantoonbare feiten verzwijgt en
een verkeerde interpretatie geeft van bewijsmateriaal met betrekking
tot en met grote gevolgen voor mythologie, religieuze en geestelijke
filosofie, astronomie, archeologie, geologie en natuurkunde, om de gevestigde
modeltheorieën over menselijke en planetaire evolutie in stand
te houden. Onderwereld daagt de gevestigde orde uit met goed
doordachte argumenten, in een warme, niet-zweverige, en voortdurend
optimistische toon met soms wat gezonde scepsis, en de lezer wordt vaak
eraan herinnerd dat het niet door een expert is geschreven maar door
een onderzoeksjournalist die geen nieuwe dogma’s naar voren brengt
maar eenvoudig de groeiende hoeveelheid bewijsmateriaal presenteert
dat de geschiedenis van de mens op deze planeet veel ingewikkelder is,
en heel anders verliep, dan men vroeger dacht. Onderwereld
is een belangrijk, eclectisch en veelomvattend boek en vertegenwoordigt
datgene waartoe de auteur in de slotbladzijden oproept: ‘onderzoek,
onderzoek en nog meer onderzoek’, met als doel onze werkelijke
oorsprong beter te leren kennen.
Noot
- Een prehistorische stad in Baluchistan, ongeveer 500
km vanaf de Pakistaanse kust.