De Ouden waren op de hoogte van het bestaan van een astrale of ‘sterachtige’
substantie die de grondslag is van de fysieke stof. De hindoes noemen
haar akasa, ‘schitterend, stralend’. De stoïcijnen
spraken van aether of kwintessens, de mysterieuze geest-substantie die
de veranderlijke bron is van alle vormen. Theosofen noemen haar het
astrale licht. Als meest stoffelijke laag van de niet-fysieke energieën
die onze planeet omringen, analoog aan de ziel van de wereld, werkt
ze als een compleet reservoir van herinneringen dat de optekeningen
bevat van elke indruk en gebeurtenis die ooit op aarde heeft plaatsgevonden.
Ze is vol met de potentiële oervormen van alle gedachten, vormen
en wezens, en de werkingen ervan vallen buiten het ruimte-tijd-kader
dat geldt voor het fysieke gebied. In feite is de fysieke wereld een
uitbreiding van de astrale, die een reeks krachten en emanaties bevat,
gedachten en wezens, die voor het leven op aarde òf weldadig
òf schadelijk zijn.
In de kosmos zijn er vele fysieke, psychische, mentale, en geestelijke
gebieden – zichzelf organiserende, complete, levende stelsels.
Ieder van die gebieden is in die zin holografisch dat het in zich de
karakteristieken bevat van alle andere gebieden. Denkbeelden zoals die
van Rupert Sheldrake over morfische velden en morfische resonantie komen
op vele manieren overeen met enkele verschijnselen die in het astrale
licht zouden plaatsvinden. Alle aardse entiteiten kunnen worden beschouwd
als velden die tot onze levende aarde, Gaia, behoren, en ze maken deel
uit van haar constitutie. De hogere akasische gebieden resoneren met
ieder deel van de natuur. Er wordt beweerd dat allerlei gebeurtenissen
in het astrale licht van de aarde fysieke gevolgen hebben, en daartoe
behoren alle natuurverschijnselen en menselijke aangelegenheden die
zich uitstrekken van epidemieën en aardbevingen tot oorlogen en
weerspatronen. Op haar beurt maakt Gaia deel uit van de gebieden die
het zonnewezen en zijn constitutie vormen, enzovoort door de hele kosmos.
Evenals de aarde heeft iedere mens een aurisch veld en een astraal
lichaam. De vijftig biljoen cellen van ons lichaam, en ook de celweefsels
en organen die ze vormen, hebben elk hun eigen identiteit en geheugen.
Onze mentale en emotionele velden beïnvloeden iedere cel en elk
atoom van ons wezen ten goede of ten kwade. Hoe wij denken en handelen
heeft niet alleen invloed op de mensheid maar ook op Gaia via het astrale
licht, waarvan de werking door actieve scheppende intelligenties wordt
bestuurd. De automatische werking van goddelijke wezens, bijvoorbeeld,
herstelt de harmonie, en brengt in de hele natuur het innerlijke en
uiterlijke met elkaar in evenwicht. Wij moeten de verantwoordelijkheid
voor onszelf op ons nemen, want dit wederzijdse karmische proces is
voortdurend aan de gang, en de verschillende omstandigheden van ons
leven zijn het resultaat van haar rechtvaardige en onpersoonlijke werking
met betrekking tot onze eigen activiteiten.
Hoe verhouden de hersenen en het denkvermogen zich tot het bewustzijn
in deze astrale of niet-fysieke gebieden? Er zijn ongetwijfeld verschillende
niveaus waarop het denken en het geheugen werken en die worden weerspiegeld
in zowel de structuur van de hersenen als onze andere organen. Pythagoras
noemde de hersenen het voornaamste orgaan van bewustzijn, en in sommige
opzichten werken ze als een schakelbord voor de samenwerking van het
fysieke lichaam en de ziel. Het denkvermogen werkt in op subtiele of
astrale stof die in contact staat met de hersenen en het zenuwstelsel.
Achter deze fysieke werking staat evenwel een programmeur – intelligentie,
denkvermogen – met wilskracht en verlangens.
Als mensen putten we uit een enorm bereik van frequenties van bewustzijn.
In het theosofische stelsel is het denkvermogen het vijfde op de schaal
van de zeven beginselen die ons wezen vormen. Het denkvermogen is het
actieve brandpunt van ons zelfbewustzijn, organiseert de stof en brengt
deze tot leven. De hogere aspecten van het bewustzijn kan men in drie
lagen verdelen: atma, goddelijkheid; buddhi, intuïtie
of mededogen; en manas, intellect, ons centrum van zelfbewustzijn.
De lagere aspecten worden gevormd door kama, begeerte; prana,
levensenergie; en het astrale en fysieke lichaam. Elk van deze zeven
beginselen is zelf zevenvoudig. Ons dagelijkse bewustzijn is in het
algemeen geconcentreerd in begeerte verbonden met het denkvermogen.
De verstandelijke aspecten van het bewustzijn waarmee we het meest
vertrouwd zijn, zijn geconcentreerd in de grote hersenschors, die als
het meest karakteristieke kenmerk van de menselijke hersenen wordt beschouwd.
Er zijn lagere en hogere eigenschappen verbonden met alle hersenlagen,
die overeenkomen met de frequenties van het bewustzijn. Vreemd genoeg
wordt gezegd dat één van de hoogste chakra’s of
bewustzijnscentra, de pijnappelklier is, een heel klein orgaan in het
midden van de hersenen dat Descartes de zetel van de ziel noemde en
anderen noemen het het derde oog van geestelijke visie.
We zijn allemaal bekend met het lagere of primitieve denken dat verbonden
is met het fysieke dierlijke zelf van begeerten en hartstochten. Delen
van de hersenen zijn verbonden met verschillende aspecten van het hele
scala van emotionele toestanden en mentale activiteiten, want het brein
werkt als een ontvanger/zender van gedachten. De hersenen worden bestuurd
door het denken dat werkt door middel van astrale en fysieke stof via
trillingen die corresponderen met de chakra’s en zintuigen. Ook
de geest, met haar mentale vitaliteit, werkt door middel van al deze
aspecten van onze natuur en kan zelfs de fysieke hersenen als die ermee
in harmonie zijn, verlichten.
Iedere mens is een uniek individu, met talrijke mentale eigenschappen,
vaardigheden en verbindingen, hetzij intuïtief, analytisch, scheppend,
artistiek of psychisch. Ons denken heeft met zijn individualiteit zijn
stempel gedrukt op de organen van het hele fysieke lichaam. Er zijn
geen twee hersenen precies gelijk, en dat is ook zo met twee vingerafdrukken;
geen twee blaadjes van een boom zijn gelijk, en geen twee zebra’s
vertonen eenzelfde streeppatroon. Het denkvermogen geeft uitdrukking
aan vele eigenschappen van ons wezen, maar alles hangt ervan af waar
onze verlangens naar uitgaan en van de globale gerichtheid van ons denken,
want het verstand kan zelfzuchtig, koud, vaak wreed, en zelfs gevaarlijk
zijn als het de inspiratie moet ontberen en aan zichzelf wordt overgelaten.
Hoe kwam bij de mens het gevoel van een ego tot stand? Hiervoor is
een aanwijzing te vinden in de recapitulatie van het menselijke embryo,
dat een ontwikkeling onthult zoals die zich voordoet in de lagere natuurrijken.
Deze duidt erop dat de menselijke monade door deze rijken heen evolueerde,
waarbij ze haar ziel en individualiteit ontwikkelde, eigenschappen van
denken en vrije wil ontvouwde – niet precies zoals de onze, maar
ze waren in essentie aanwezig. Wanneer we in het kort de natuurrijken
beschouwen, zien we dat het mineralenrijk begint met heel eenvormige
wezens die een gemeenschappelijk bewustzijn hebben dat van alles kan
vormen: van vloeistoffen zoals magma of de oceanen, en gassen zoals
de lucht, tot een eindeloze verscheidenheid van kristallen. Zoals alle
wezens hebben ze een goddelijk monadisch bewustzijn, en worden ze overschaduwd
door hogere verstandelijke middelaars. Voor planten geldt hetzelfde,
maar hun vitaliteit en groei laten een meer verfijnde individuele uitdrukkingswijze
zien. Met verrassende vindingrijkheid scheppen ze prachtige vormen van
bladeren en bloemen. Ook zij volgen als natuurrijk oude patronen van
herinnering of instinct. Darwin merkte op dat in bepaalde opzichten
het uiteinde van de hoofdwortel ‘werkt zoals de hersenen van een
lagere diersoort’, terwijl andere onderzoekers denken dat planten
een soort zenuwstelsel bezitten. Omstreeks 1960 werd door de experimenten
van Cleve Backster met zijn polygraaf duidelijk dat planten reageren
op menselijke emoties en gedachten, en gevoelig zijn voor andere wezens
en planten. Er schijnt een telepathische betrekking te bestaan waardoor
planten met alle andere wezens zijn verbonden; ze schijnen zich zelfs
diegenen te herinneren die hen of andere wezens in hun omgeving kwaad
hebben gedaan.
En wat te zeggen van instincten, die individuele en collectieve ervaringspatronen
van alle schepselen? Er zijn prototypen van alle mogelijke planten en
dieren, van alle wezens, in het astrale licht. Kijk maar eens naar de
schitterende voorbeelden, de eindeloze patronen die tot bestaan zijn
gekomen: niet alleen lichamelijke vormen, maar ook instinctmatig gedrag
zoals dat van bijen, aanpassingen en gedragsvormen zoals mimicry, of
de vogeltrek over afstanden van duizenden kilometers. Deze activiteiten
zijn niet zomaar automatisch, maar vereisen geestelijke intelligentie.
Alle wezens delen hetzelfde goddelijke potentieel, maar hoe hoger we
op de evolutieschaal komen, en hoe groter de intelligentie, des te groter
is het gevoelsbereik en de individualiteit die de wezens bezitten, en
dus des te krachtiger is hun invloed op het astrale licht. Er is ook
een duidelijke toename in de omvang van de hersenschors bij de hogere
dieren. Dieren en mensen hebben overeenkomstige manieren om zich emotioneel
en psychisch uit te drukken. De emoties maken deel uit van het begeertebeginsel.
Maar dieren beschikken niet over een denkvermogen waarmee ze zichzelf
kunnen beschouwen en kunnen nadenken over hun eigen evolutionaire situatie:
een hond vraagt zich niet af waarom hij een hond is.
We zouden ons kunnen afvragen waar individueel denken en bewustzijn
hun oorsprong vinden? In de kosmos is maar één leven,
één bewustzijn dat zich voordoet in de verscheidenheid
van vormen van levende wezens. Dit ene bewustzijn dringt van hoog naar
laag door alle stadia en niveaus van bestaan en dient om de herinnering
in stand te houden, of dat nu volledig of onvolledig is, van de ervaring
van elk stadium. Dit wijst erop dat ons zelf-bewuste denkvermogen werkelijk
een straal is van het kosmische denkvermogen. Er is een mysterieuze
vitale levensessentie en levenskracht die te maken heeft met de wisselwerking
tussen geest of bewustzijn en stof. De kosmos heeft zijn herinnering
en volgt algemene patronen van vorming die op vroegere existenties zijn
gebaseerd; iets wat in feite voor alle dingen geldt. Met behulp van
de herinnering selecteert hij op een of andere manier uit het oneindige
aantal mogelijkheden een nieuwe en verbeterde belichaming. Als de eerste
impuls zich aandient, is er de kosmische ideatie die de allereerste
stof tevoorschijn trilt die zich in eindeloze verscheidenheid in talloze
hiërarchieën van wezens manifesteert. Monadische centra die
zijn voortgekomen uit de ene kosmische ouder, verschijnen als levenskrachtige
bewustzijnszaden, als kiemen van zijn potentieel. Het zijn kleine universa
in het ene universum.
Theosofie verdeelt de wereld niet in organisch en anorganisch, want
zelfs atomen worden als godsvonken beschouwd. Alle wezens zijn onophoudelijk
de schepper en optekenaar van zichzelf en vormen telkens opnieuw vergankelijke
uiterlijke sluiers, terwijl ze het onverwoestbare draad-zelf behouden
dat tijdens de lange cyclussen van ervaring alle verschillende beginselen
en monaden verbindt. Wij zijn monaden of godsvonken die nu onze evolutie
in het mensstadium doormaken. De onsterfelijke monade doorloopt al onze
belichamingen, want we hebben al vele malen het proces van geboorte
en sterven herhaald. Voor het grootste deel van de mensheid zijn geboorte
en sterven in feite min of meer een automatisme: onbewuste ervaringen,
voorzover het ons alledaagse bewustzijn betreft.
Hoe werkt ons denkproces? We kunnen bijvoorbeeld beginnen bij de begeerte
die de impuls levert voor het denken om door middel van de wil en de
verbeelding een stroom van gedachten uit te zenden – en dat zijn
levende elementale wezens. Deze gedachten nemen verschillende vormen
aan die kunnen resulteren in allerlei soorten handelingen of tastbare
scheppingen. Ook dit is een gebied waarvoor wij verantwoordelijk zijn,
want in het astrale licht circuleren onze gedachten door het bewustzijn
van anderen en beïnvloeden hen, maar de gedachten die bij ons horen
dragen ons stempel en keren steeds weer naar ons terug. Zo scheppen
we door deze gedachtestromen denkgewoonten die ons karakter vormen en
tenslotte ons zelfgemaakte lot. Het denkvermogen van de mens is een
beeldvormer die resoneert met het verleden, gedachten selecteert en
keuzes maakt, en een zich ontvouwend patroon voorziet en uitwerkt. Misschien
weerspiegelen wij in het klein de werkingen van het goddelijke denkvermogen,
dat handelt als de kosmische schepper en architect. Sommige gedachten
of patronen die we scheppen werken belemmerend, andere zijn bevrijdend.
De ziel groeit, en gedachten worden opnieuw gebruikt en getransformeerd
door het denken, waardoor ze misschien een hogere vorm aannemen. Plato
had gelijk: door de geestelijke wil en door waardigheid kunnen we ons
de wijsheid van het verleden herinneren en het hogere denken ontsluiten.
We hebben het vermogen om ons te identificeren met alle wezens en het
éénzijn te ervaren dat we in ons geestelijke bewustzijn
met elkaar delen, die ononderbroken stroom die het onverwoestbare draadzelf
is. Alles wat het was, is, of zal zijn, is ons karma. Het denken en
de herinnering zijn een blijvend deel van het reïncarnerende ego
of de menselijke ziel, en ook van het heelal.
Een besef van eenheid is de meest natuurlijke toestand van ons innerlijke
bewustzijn. Het verstand en de rede zijn ook nodig, maar die moeten
door mededogen, geestelijk inzicht en intuïtie worden verlicht.
Het intellect of hersenverstand samen met de fysieke begeerten, is op
het zelf gericht en versterkt onze afgescheidenheid. De meeste schade
die we toebrengen aan anderen komt doordat we onze persoonlijke wil
aan hen proberen op te leggen. Onze lagere ik-heid moet worden ontwikkeld
en getransformeerd door het inzicht dat we wezenlijk één
zijn met alles; en dat is de sleutel tot harmonie en praktische broederschap.
Wanneer we onze zelfbewuste vrije wil uitoefenen, is er geen garantie
dat we geestelijk groeien. Maar het hogere zelf wordt niet aangetast
door de activiteiten van het lagere denken of door andere handelingen
van zijn voertuigen hier op aarde, en onze evolutie is onderdeel van
de evolutie van Gaia en van die van de goden.
Het ontwikkelen van onze hogere vermogens en onze ontvankelijkheid
voor het innerlijke licht zijn essentieel voor onze vooruitgang, en
dit betekent dat we alle belemmeringen van onze persoonlijke natuur
moeten wegnemen. Onze transformatie betekent een verbetering voor de
hele natuur, waaronder het astrale licht. Het bodhisattva-ideaal van
onbaatzuchtig werken voor het welzijn van alle wezens vereist het naar
buiten brengen van onze edelste eigenschappen. Het hoogste zelf is het
centrum van alle vermogens en stelt iedere mens in staat om in toekomstige
cyclussen een god te worden. Deze bestemming wacht ieder van ons.
De mens
(ontstaan en samenstelling van)